Arsacal
button
button
button


Een gezicht voor St. Gerlachus, met dank aan de Rolling Stones

Symposium in Houthem St. Gerlach

overweging_bezinning - gepubliceerd: zaterdag, 21 november 2015
Met de reconstructie van Sint Gerlach (1), overreiking eerste exemplaar van de nieuwe uitgave van de Vita (2)
Met de reconstructie van Sint Gerlach (1), overreiking eerste exemplaar van de nieuwe uitgave van de Vita (2)

In het kader van de her­den­king van de 850e sterf­dag van Sint Gerlach, de kluize­naar die leefde in een holle eik bij Houthem, heeft het kerk­bestuur een gezichtsre­con­struc­tie van de heilige laten maken op basis van zijn schedel die al deze eeuwen in Houthem als relikwie wordt bewaard. Aan de reconstructie door een team van geleer­den, is fi­nan­cieel bij­ge­dragen onder meer door... de Rolling Stones! Hierover werd een symposium gehou­den waarbij ik ook het eerste exemplaar van een nieuwe uitgave van de mid­del­eeuwse levens­be­schrij­ving van de heilige in ontvangst mocht nemen.

De Rolling Stones logeer­den bij een bezoek aan Neder­land in het naast het hei­lig­dom gelegen hotel Chateau St. Gerlach en kregen van hotelier Camille Oostwegel een rond­lei­ding waarbij ze ook hoor­den over de reconstructie-plannen. Spon­taan hebben ze toen een bijdrage toegezegd.

Op zater­dag 21 no­vem­ber werd de reconstructie ge­pre­sen­teerd door de heren Arno Lataster en Jos Spee, die hieraan hebben gewerkt. Een toelich­ting werd door hen gegeven op de werk­wij­ze en de ach­ter­gron­den van bepaalde keuzes die zij moesten maken om tot deze reconstructie te komen.

Dr. Anneke Mulder-Bakker sprak over het leven van de heilige Gerlach als voor­beeld van een 12e eeuwse leek die zich op een geheel eigen wijze aan God toewijdde. Uit Aken waren mw. G. Grysar en de heer H. Fünding gekomen om te ver­tellen over de verering van St. Gerlach in de Akense Sankt Jakobskirche, drs. R. Dückers sprak over de museale opstelling in de schat­ka­mer en ik zelf heb gesproken over Bijbelse grond van reliek­ver­ering en kerk­rechte­lijke aspecten (zie onder).

De inte­res­sante mid­dag werd besloten met een klein orgel­con­cert door dr. Remy Syrier en de pre­sen­ta­tie van de nieuwe uitgave van de Vita beati Gerlaci Eremytae.

RELIEKVERERING

Bijbelse ach­ter­gron­den en kerk­rechte­lijke aspecten

1. Wat zijn relieken?

Relieken, “Reliquiae” in het Latijn zijn let­ter­lijk de fysieke zaken die over­ge­ble­ven of achter­ge­la­ten zijn van een heilige persoon of heilige zaak en bestemd voor de verering. Ze zijn een tast­ba­re her­in­ne­ring aan de heilige persoon of een heilsgebeur­te­nis. Soms wordt on­der­scheid gemaakt tussen reliek en relikwie, waarbij een reliek dan de uitdruk­king is voor een deel van het gebeente van een heilige of een voorwerp dat op het leven van Christus betrek­king heeft en relikwie ook wordt gebruikt voor kle­ding of voorwerpen die aan een heilige hebben toebehoord. Het Directorium over Volks­vroom­heid en Liturgie, dat in 2002 door de Con­gre­ga­tie voor de Eredienst in Rome is uitge­ge­ven, maakt on­der­scheid tussen relikwieën uit het gebeente (“ex ossibus”) en de voorwerpen die aan heiligen hebben toebehoord, die in zekere zin relikwieën op het tweede plan zijn.

2. Verering in het Oude Testa­ment

Verering van relieken is voor ons mensen van de eenen­twin­tigste eeuw niet vanzelf­spre­kend. Zeker wij noorderlingen voelen ons daar al gauw te nuchter voor of we associëren reliek­ver­ering met bijgeloof en afgoderij. Dat laatste verwijt valt katho­lie­ken ten deel als zij Maria of de heiligen vereren. Pro­tes­tan­ten zeggen dan al gauw mis­prij­zend dat de katho­lie­ken Maria aanbid­den.

Vanzelf­spre­kend - U weet dat na­tuur­lijk allemaal wel - moet er on­der­scheid gemaakt wor­den tussen aanbid­ding en verering. In het Oude Testa­ment wor­den uitdruk­kingen als “zij bogen zich neer” gebruikt voor zowel de aanbid­ding van God als de eer die werd bewezen aan fami­lie­le­den, vreem­de­lingen, hoger geplaatsten en in het bij­zon­der voor koningen. Abraham boog voor de drie vreem­de­lingen die hem bezochten in Mamre zonder dat hij hun hemelse afkomst kende (Gen. 18, 2). Ook Lot boog diep toen twee engelen hem de verwoes­ting van Sodom kwamen aankondigen (Gen. 19, 1). Toen Bileam een engel zag, knielde hij neer en wierp zich ter aarde (Num. 22, 31). Dit zijn allemaal vormen van verering; in de voor­beel­den die ik zojuist heb genoemd, betreft die verering in feite engelen, ook al wer­den die op het moment van het eerbe­wijs niet als zodanig gekend. En toen de zonen van Jakob hun broer Jozef kwamen opzoeken in Egypte om bij hem graan te kopen, bogen zij zich diep voor hem neer (Gen 42:6; 43:26, 28; vgl. Gen 37:7, 9, 10). Dezelfde termino­lo­gie wordt op tal van plaatsen gebruikt voor de eer die aan God wordt bewezen. Tot op de dag van vandaag wor­den in het Jo­den­dom de graven van tal van grote figuren uit het Oude Testa­ment bij­zon­der geëerd.

3. Begin van de chris­te­lijke relie­ver­ering

Dat was ook het vertrek­punt voor de chris­te­lijke heiligen-en relieken­ver­ering. In de eerste eeuwen vond de verering van de relieken van een heilige vooral plaats door de ge­dach­te­nis van een mar­telaar en de verering van diens graf. De eerste mar­telaar in de jonge christen­ge­meen­schap, de heilige Stefanus, werd begraven en er werd een grote rouwklacht over hem gehou­den (Hand. 8, 2), dat wil zeggen: men verzamelde zich rond zijn graf. De oudste li­tur­gische teksten van oost en west vier­den het feest van de depositio, het te rusten leggen van de overblijfselen - de relieken - van de heilige Stefanus. Al gauw zien we in allerlei mar­telaarsakten - teksten ge­schre­ven door chris­te­nen over het mar­telaar­schap van een heilige - dat zij spreken over het gebeente van de mar­te­la­ren. Kort na het jaar honderd werd de heilige Ignatius van Antiochië in Rome gemar­teld en ter dood gebracht door voor de leeuwen te wor­den gegooid, terwijl een menigte juichend dat schouwspel bekeek. De schrijver vermeldt dat alleen de steviger delen van de heilige resten van de mar­telaar waren over­ge­ble­ven en dat die in linnen wer­den gewikkeld en wer­den terug gegeven aan de kerk in Antiochië als een “kost­ba­re schat door de genade die in de mar­telaar was”. We weten ook dat chris­te­nen graag in de buurt van een mar­telaar begraven wilde wor­den. Tenminste vanaf de tweede eeuw wer­den er hei­lig­dommen gebouwd om relieken te bewaren en wer­den liturgieën gevierd om de heilige te eren. Tertullianus (+ 240) bij­voor­beeld vermeldt dit al (De pudicitia 11).

4. Het altaar als plaats van relieken

Boven het graf van de mar­telaar werd vaak een altaar opgericht of er werd gebeente van de mar­telaar in het altaar geplaatst, een gebruik dat is gebleven tot op de dag van vandaag en dat al lijkt aangeduid in het boek van de Apokalyps waar staat: “... ik zag onder het altaar de zielen van hen die vermoord waren om het woord van God en het ge­tui­ge­nis dat zij had­den afgelegd” (Apc. 6,9). Het tweede Concilie van Nicea bepaalde in 787 dat geen kerk mocht wor­den geconsa­creerd zonder de relieken van een heilige; momenteel wordt het nog steeds sterk aan­be­vo­len en voor vaste altaren verplicht gesteld in het ker­ke­lijk wet­boek (c. 1237; vgl.Algemeen Statuut van het Romeins Missaal n. 302; Directorium Volks­vroom­heid n. 237). De bete­ke­nis daarvan is dat het offer en het heilig leven van de mar­te­la­ren en heiligen bete­ke­nis heeft door het offer van Jezus Christus dat wij op het altaar vieren en dat hun offer (en ook onze offers gebracht in een geest van geloof) verbon­den zijn met dat offer van de Heer.

5. Verbre­ding van de verering naar niet-mar­te­la­ren

Die verering van de graven en de relieken werd al gauw uitgestrekt tot andere personen. Het monnikendom ontstond en daar­mee een verering voor deze heilig levende personen die als kluize­naar of in de ge­meen­schap van een klooster de Heer had­den gediend. In het aloude Sint Catharina­kloos­ter op de berg Sinai wor­den de monniken nog steeds een jaar na hun dood opgegraven. Wanneer de lichamen dan vergaan zijn wor­den de beenderen in ossuarium geplaatst en de schedel in een kapel waar alle monniken met hun naam erbij op deze wijze ver­te­gen­woor­digd zijn. Als het lichaam niet vergaan is, gaat het graf nog een jaartje dicht en wordt er extra gebe­den voor de zielenrust van deze monnik. Dit oude gebruik getuigt van de zin die de reliek­ver­ering voor de eerste chris­te­nen had: door de verering van het gebeente, die een blijk van genegen­heid voor de gestorvene was, wilde men eer bewijzen aan het leven en voor­beeld van de gestorvene en getuigen van de ge­meen­schap die er onverbreke­lijk met hem bestaat in de ge­meen­schap der heiligen.

6. Relieken en wonderen

Er is nog een andere aspect aan de reliek­ver­ering dat we niet mogen vergeten en dat is dat van de wonderen die verbon­den zijn met de relieken van de heiligen: de kracht van de aanra­king. Wij zijn geneigd om dat toe te schrijven aan de volks­de­vo­tie en de late Mid­del­eeuwen, maar in feite vin­den de sporen hiervan dui­de­lijk in het evan­ge­lie. De vrouw die aan bloedvloeiing lijdt, denkt: “Als ik alleen maar de zoom van zijn kleed zal kunnen aanraken, zal ik genezen zijn”(Mt. 9,20-22; Mc. 5, 25-29; Lc. 8, 43-48). Op grond van dit geloof wordt zij genezen. In de Han­de­lin­gen van de apostelen gaat het nog iets verder, als Paulus preekt in Efeze. God deed door Paulus daar bui­ten­ge­wone wonderen, aldus de Han­de­lin­gen, en de mensen namen zelfs hoofddoeken en lijfgoed mee dat hij gedragen had en brachten het bij de zieken, waardoor de kwalen van hen wer­den weg­ge­no­men en de boze geesten hen verlieten (Hand 19, 11-12). Bij leven van de apostel Paulus wer­den er dus al relikwieën van hem bewaard en gebruikt.
Is dit toe­schrij­ven van een genezende kracht aan relieken een vorm van bijgeloof, zoals wij geneigd zijn te denken? In feite heeft dit te maken met de over­tui­ging dat een man of vrouw Gods op een bij­zon­dere manier deelachtig is gewor­den aan de genade en door die kracht van de heilige Geest is omge­vormd naar lichaam en ziel. De heilige is een be­ge­na­digd mens naar lichaam en ziel en dat uit zich tij­dens diens leven niet zel­den in won­der­lijke gebeur­te­nissen als gene­zingen, aanwe­zig­heid op meerder plaatsen tege­lijk (bilocatie), de gave in iemands ziel te kunnen schouwen enzovoorts. Het uit zich bovendien in bij­zon­dere gebedsverhoringen die na de dood van een heilige op diens voor­spraak wor­den verkregen. Alles wat aan de heilige heeft toebehoord brengt ons in een directe relatie met die persoon en diens Gods­er­va­ring. De voorwerpen van de heilige brengen ons in contact met de heilige en diens bij­zon­dere gaven. De verering die aan relieken wordt gebracht is “rela­tief”, dat wil zeggen dat die verering eigen­lijk niet gericht is op dit botje of stukje stof maar op de persoon van de heilige of mar­telaar. De wonder­da­dige gave van een heilige, wordt beschouwd als iets dat na diens dood uitgaat van zijn stoffe­lijke overblijfselen en dat sterker is naarmate men dichter bij het lichaam van de heilige is en dat wellicht kan aanraken. Daarom kan men zeggen dat de iconen in de Oosterse ere­dienst eenzelfde rol vervullen: die iconen hebben de functie om de erop afge­beelde persoon te­gen­woor­dig te stellen, te ver­ge­lij­ken ( maar na­tuur­lijk niet gelijk te stellen) met de te­gen­woor­dig­stel­ling van Christus in de sacra­menten. In de westerse, “Latijnse” kerk wordt misschien iets minder waarde gehecht aan beel­den en iets meer aan relieken, die wer­ke­lijke overblijfselen zijn van een heilige, maar de ere­dienst wordt niet bewezen aan de reliek of afbeel­ding op zich maar aan de mar­telaar of heilige die er door wordt gere­pre­sen­teerd. De cate­chis­mus van de katho­lie­ke kerk ziet de verering van relikwieën, evenals bede­vaarten, processie, de kruisweg en de rozen­krans, als uitingen van volks­vroom­heid. Daarom wordt een reliek niet ter verering uit­ge­steld op het altaar: dat blijft bewaard voor de viering en de uit­stel­ling van de Eucha­ris­tie (Directorium n. 237).

7. Omgang met relieken

Relieken wor­den ge­woon­lijk in een reliekschrijn geplaatst of in een kleinere reliekh­ou­der gevat, die weer in een kastje kan wor­den gehangen of in een grotere reliekh­ou­der (reliek-ostensorie) kan wor­den gedaan waarin de reliek te verering wordt aangebo­den.

De katho­lie­ke kerk heeft een bij­zon­dere zorg voor een correcte omgang met relieken waarbij in het bij­zon­der aan­dacht wordt besteeds aan de vervreem­ding van relieken en de echt­heid ervan en de waardige omgang met relieken.
Als een reliek in het altaar wordt gelegd, moet de echt­heid ervan vaststaan, stelt het Algemeen Statuut van het Romeins Missaal (n. 302). De kerk zal zich van de echt­heid van relikwieën moeten vergewissen en als die twijfelachtig is, moet die relikwie niet meer wor­den vereerd. Van mgr. Hopmans, een vroegere bis­schop van Breda, is dan ook een speciaal do­cu­mentje bewaard met de aandui­ding dat bepaalde relieken die in bezit van het bisdom waren, niet mochten wor­den vereerd (vgl. E. Verheggen, Par­ti­cu­lier of open­baar? De verering van relieken in het bisdom Breda in de negen­tien­de en twintigste eeuw, in: Brabants Heem 50(1998), pp. 22-33, hier p. 24) Het concilie van Trente (1545-1563) heeft daarover al nadere regels gegeven: de echt­heid van de reliek moest schrifte­lijk wor­den vast­ge­legd. Zo’n echt­heids­ver­kla­ring wordt afge­ge­ven door kar­di­na­len, bis­schop­pen, algemeen oversten en abten en abdissen bij een verzegelde relikwie.
Het ker­ke­lijk recht bepaalt dat de heilige relikwieën niet mogen wor­den verkocht en als het gaat om Relikwieën van bij­zon­dere bete­ke­nis of relikwieën die door het volk zeer wor­den vereerd, mogen ze ook niet op andere wijze vervreemd of voor altijd naar een andere plaats over­ge­bracht wor­den, zonder toestem­ming van de Apos­to­lische Stoel, dat wil zeggen: van de paus. Iedere vorm van handel in relieken is uit den boze, “Nefas est”, zegt het ker­ke­lijk wet­boek, waar­mee die handel tot een goddeloze daad wordt gestempeld; in feite is dat een vorm van simonie: heilige zaken voor geld verkopen. Het verhaal dat in een artikel van A.M. Janssens wordt vermeld, over een generaal-abt van de Cisterciënsers die door Brabant trok om met de opbrengst van de verkoop van relieken een abdij te stichten, is dan ook vermoe­de­lijk niet waar; anders is het een ernstig mis­bruik geweest (zie: Verheggen, a.c., p. 25).

Onder de relieken van heiligen nemen delen van het gebeente de eerste plaats in. De bij­zon­dere reliek die hier in Houthem St. Gerlach al zoveel eeuwen wordt bewaard verbindt de pelgrim die nu naar deze plaats komt op bij­zon­dere, fysieke wijze met de heilige Gerlach. Die schedel overbrugt de eeuwen en stelt de heilige te­gen­woor­dig op wiens voor­spraak wij hier Gods gunsten willen vragen.

(NB: Gebruik is gemaakt van ver­schil­lende artikelen die over dit on­der­werp zijn verschenen, in het kader van deze lezing is afgezien van het citeren van deze bronnen)

Terug