Arsacal
button
button
button
button
button


De hervorming van het huwelijksproces door paus Franciscus

Het Motu Proprio Mitis Iudex en vervolgdocumenten

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: woensdag, 30 mei 2018

Woensdag 30 mei heb ik een lezing gehouden voor de medewerkers van het Officialaat (kerkelijke rechtbank) van de bisdommen Utrecht, Rotterdam, Breda, Groningen-Leeuwarden en ’s-Her­to­gen­bosch over de her­vor­ming van het huwelijksproces die paus Franciscus in 2015 is begonnen. De tekst ervan vindt U hier.

 

Mitis Iudex

De her­vor­ming van het huwelijksproces

Het kerkelijk proces tot nietig­ver­klaring van een huwelijk heeft de laatste jaren wereldwijd veel aandacht gekregen doordat paus Franciscus in de Motu Proprio’s Mitis iudex Dominus Iesus en Mitis et misericors Iesus, beide van 15 augustus 2015, de procedure heeft vereenvoudigd en meer toegankelijk heeft gemaakt.1 Deze beide pauselijke documenten gaan niet over de uitgangs­punten en de redenen waarom een huwelijk nietig kan zijn. De jurisprudentie terzake zoals die met name door de Romeinse Rota wordt ontwikkeld (de jurisprudentie van deze rechtbank is referentiekader voor de andere rechtbanken), is dus niet gewijzigd. Voor het merendeel van de zaken die aan de kerkelijke rechtbanken worden voorgelegd kan deze jurisprudentie zelfs niet radicaal gewijzigd worden, omdat de nietigheidsgronden grotendeels gebaseerd zijn op goddelijk recht.2 Dat sluit natuurlijk niet uit dat er ont­wik­ke­lingen in de jurisprudentie zijn, door gewijzigde vereisten voor de bewijsvoering (zoals in de beide Motu Proprio’s inderdaad is gebeurd) of door een dieper inzicht in de toepasbaarheid van nietigheidsgronden. Enkele belangrijke presumpties en aanwijzingen voor de nietigheid van een huwelijk, ontleend aan de jurisprudentie van met name de Rota, komen wél ter sprake in de procesregels voor de behandeling van nietigheidszaken (Ratio procedendi in causis ad matrimonii nullitatem declarandam) die bij de beide Motu Proprio’s zijn gevoegd.3 Het betreft hier aanwijzingen die de nietigheid van het huwelijks ja-woord tamelijk evident kunnen maken en die in de Ratio Procedendi als voorbeelden worden genoemd van omstandigheden waarin een verkort proces (“processus brevior”) ten overstaan van de bisschop mogelijk is als beide partners van de gestrande relatie daarin bewilligen. In een Subsidium (hulpmiddel) voor de toepassing van Mitis Iudex, samengesteld door de Romeinse Rota, worden deze omstandigheden toegelicht.4 We zullen hier later op terug komen. Tenslotte is op 29 april 2018 een instructie verschenen over de studie van het canoniek recht met het oog op de lijnen die in Mitis Iudex zijn uitgezet. Al deze zojuist genoemde documenten liggen ten grondslag aan de hierna volgende beschouwingen over de hoofdlijnen van de her­vor­ming van het huwelijksproces en de nieuwe korte procesvorm.

I. De redenen van de her­vor­ming

“Alles doen voor de redding van de zielen”, zo zou men de redenen van de her­vor­ming kunnen samenvatten en daarom moest het huwelijksproces meer toegankelijk en eenvoudig worden, moest de geest van naasten­liefde meer zichtbaar worden en moest helderder worden getoond dat de Kerk naast de mensen staat in het proces om de waarheid over hun huwelijkse staat vast te stellen. Dienst­baar­heid is immers eigen aan het gewijde ambt dat wezenlijk een ministerieel karakter heeft. De normen van Mitis Iudex onderstrepen in dit verband de eigen en onvervreemdbare verant­woor­de­lijk­heid van de bis­schop­pen inzake de uitoefening van de rechterlijke macht als dienst aan het hun toevertrouwde deel van het volk van God.
De huwelijksprocessen moeten derhalve sneller worden afgewikkeld maar niet om nietigheid te bevorderen maar uit respect voor de gelovigen die het recht hebben op een antwoord naar waarheid binnen een redelijke termijn.

De processen moeten mogelijkerwijs gratis zijn, omdat het om een zaak gaat die nauw verbonden is met de redding van iemands ziel en omdat men hierin de gratuite liefde van de Verlosser kan ervaren, zoals het Subsidium van de Rota stelt.5 Als een moeder, zo concludeert dit document, wil de Kerk betrokken zijn bij de wonden en de breekbaarheid van haar kinderen en hen helpen op te staan en op het goede pad verder te gaan.

Mitis Iudex Dominus Iesus geeft een nieuwe, gewijzigde tekst voor de canones die het huwelijksproces betreffen. Ook het Motu Proprio Mitis et Misericors Iesus doet dat voor het wetboek van de oosterse kerken. Omdat de Codex Iuris Canonici (1983) voor de Latijnse kerk onze leidraad is, wordt aan dit laatste Motu Proprio hier geen aandacht geschonken.

II. Welke zijn de fundamentele uitgangs­punten van deze her­vor­ming?

Het Subsidium van de Rota noemt de volgende uitgangs­punten op, die leidraad zijn in deze her­vor­ming van het huwelijksprocesrecht; die uitgangs­punten zijn ontleend aan het Motu Proprio Mitis Iudex, waarnaar we tussen haakjes steeds verwijzen:

1 De centrale rol van de bisschop

Het Motu Proprio ziet in het accentueren van de rechterlijke rol van de Bisschop een uitvoering van wat het tweede Vaticaans concilie zegt, namelijk dat de Bisschop tot rechter is aangesteld in de kerk waarvan hij herder en hoofd is. Het Motu Proprio geeft hierbij geen verwijzing, maar het ligt voor de hand op de eerste plaats te denken aan Lumen Gentium 27 waar gesteld wordt dat de bestuurlijke of herderlijke macht van de bis­schop­pen die eigen, gewoon en onmiddellijk is, onder meer inhoudt dat de bisschop het heilig recht en ten overstaan van de Heer de plicht heeft om over zijn onderdanen recht te spreken. Mitis Iudex wenst daarom dat iedere diocesane bisschop tenminste een teken geeft van de verandering (bekering?) van de kerkelijke structuren (“conversio ecclesiasticarum structurarum”) door het rechtspreken in ieder geval niet helemaal aan anderen over te laten (MI, n. III). De nieuwe canon 1673 §1 vermeldt uitdrukkelijk dat de diocesane bisschop zelf de rechterlijke macht kan uitoefenen door als rechter op te treden. Het gaat hier om de diocesane bisschop, niet om een hulp­bis­schop.

Een bijzondere rol daarin speelt de korte procesvorm. De paus wil dat zo mogelijk ieder diocesane bisschop een rechtbank heeft en dat de korte procesvorm voorbehouden is aan de bisschop zelf, als garant voor de katholieke eenheid in geloof en discipline (MI, n. IV).

In deze verkorte procesvorm over zaken waarin de nietigheid evident is, is dus de bisschop degene die oordeelt; anderen kunnen de instructie doen, maar het is de bisschop die de morele zekerheid moet hebben om het "constat de nullitate" uit te spreken.

Als het niet mogelijk is een college van rechters te laten oordelen, kan de bisschop een enkele rechter in eerste instantie laten oordelen (nieuwe canon 1673 §4). De bisschop heeft hiervoor geen toestemming nodig van de Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie of de Apos­to­lische Stoel. Ook hierin is de rol van de bisschop dus meer bepalend geworden. Deze rechter moet een clericus zijn - diaken of priester - en de bisschop moet ervoor waken dat dit niet tot laksheid leidt. Zo mogelijk wordt deze rechter vergezeld van twee “assessores” die deskundig moeten zijn in menselijke of rechts-weten­schappen. De rechtbank van tweede instantie moet altijd collegiaal zijn en dit voor­schrift is voor de geldigheid van het proces vereist (nieuwe canon 1673 §5).

2. Synodaliteit in de pastorale dienst van recht spreken.

De term “synodaliteit” wordt vermeld in het Subsidium en in Mitis Iudex n. V. De reden waarom voor deze term is gekozen, zal niet voor iedereen duidelijk zijn, omdat het gebruik ervan in dit verband niet direct met synodes of met het deelhebben aan een kerkelijke besluit­vor­ming te maken heeft; maar deze uitdrukking wordt door de huidige paus vaker gebruikt en het bevorderen van de synodaliteit lijkt tot een soort doel­stel­ling te zijn geworden van zijn pontificaat.

Onder deze noemer verwijzen Mitis Iudex en het Subsidium ook op het beroep op de Metropoliet (aarts­bis­schop in kerkprovincie). Aan de bis­schop­pen­con­fe­ren­ties wordt gevraagd de bis­schop­pen te steunen en hun recht te sauveren om de rechterlijke macht in hun eigen diocees te ordenen. In dit verband wordt tevens genoemd dat de rechter(s) zich letterlijk niet ver van de gelovigen moeten bevinden. De aan het Motu Proprio toe­ge­voegde Ratio procedendi geeft in verband hiermee iedere bisschop het recht zich terug te trekken uit een interdiocesane rechtbank en verplicht een diocesane bisschop die geen rechtbank heeft om mensen voor te bereiden die in een rechtbank kunnen werken.6 Het Subsidium van de Rota heeft daaruit geconcludeerd dat iedere bisschop en metropoliet moet overgaan tot de oprichting van een diocesane rechtbank als die er nog niet is en dat de bisschop zich kan terug trekken uit een interdiocesane rechtbank of een rechtbank kan kiezen die dichterbij ligt. De verplichting om een diocesane rechtbank op te richten is in het Subsidium zelfs zo sterk geformuleerd dat daarin een eigen paragraaf is opgenomen onder de titel: “Wat gebeurt er als een Bisschop niet onmiddellijk zijn eigen rechtbank kan oprichten?”7 Het Subsidium is echter hoogstens administratief van karakter en het Motu Proprio geeft geen strikte verplichting om een eigen rechtbank op te richten, integendeel de nieuwe canon 1673 §2 laat uitdrukkelijk de bevoegdheid van de diocesane Bisschop om naar een interdiocesane rechtbank te gaan onverlet.

In het Subsidium wordt ook de voor­be­rei­ding van een handboek (Vademecum) voor de voor­be­rei­ding en instructie van huwelijkszaken als verplichting aan bis­schop­pen­con­fe­ren­ties opgelegd . Ook hier gebruikt het document iets straffere formuleringen dan de Ratio procedendi art. 3 waarnaar verwezen wordt en waar het Vademecum als een mogelijkheid wordt aangeduid en de voor­be­rei­ding ervan bij het bisdom, bij bisdommen gezamenlijk of bij conferenties wordt gelegd. De Romeinse Rota blijft be­schik­baar voor beroepszaken (MI, n. VII) en organiseert cursussen om mensen voor te bereiden op diensten in de diocesane curie en in de rechtbank.8

3. Vereenvoudigde en snellere procedures

Deze doel­stel­ling van de her­vor­ming heeft geleid tot de afschaffing van een verplichte tweede instantie en van twee conforme sententies, zodat de eerste sententie die de nietigheid vaststelt uitvoerbaar wordt zodra de termijnen voor beroep voorbij zijn en geen beroep is ingesteld (MI n.I).

Daarnaast is een nieuwe, verkorte procedure ingevoerd voor zaken van manifeste nietigheid, waarbij de diocesane bisschop recht spreekt. In een nieuwe canon 1683 wordt aangegeven dat deze korte procedure kan worden aangevraagd door beide partijen samen, of door één partij terwijl de ander akkoord gaat.

In beide gevallen kan de nietigheid alleen worden uitgesproken als morele zekerheid is verkregen.
Ook dient men er - zoals vermeld - zorg voor te dragen dat rechter en partijen mogelijkerwijs in elkaars nabijheid verblijven. Voor de verhoren make men gebruik vande rechtshulp van dichtbij de personen gelegen rechtbanken, zodat het niet veel moeite kost om aan het proces deel te nemen.9

4. De procedures moeten gratis zijn

De medewerkers aan de rechtbank moeten een rechtvaardige en waardige beloning krijgen terwijl de procedures gratis moeten zijn, waarbij de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie zo mogelijk moet helpen.

III. De belangrijkste vernieuwingen van Mitis Iudex

Behalve de reeds genoemde meer fundamentele uitgangs­punten van de vernieuwing van de huwelijksprocessen die tot bepaalde reeds gesignaleerde veranderingen hebben geleid, zijn nog enkele wijzigingen te benoemen, die alle min of meer voortvloeien uit het pastorale karakter van deze herziening en uit de daarmee verbonden uitgangs­punten:

Wat betreft de competentie van de rechtbanken is een belangrijke vernieuwing dat de rechtbank van het bisdom waar pars actrix domicilie of quasi-domicilie heeft en de rechtbank waar pars conventa domicilie of quasi-domicilie heeft, gelijkelijk bevoegd zijn (nieuwe canon 1672 die in plaats van de oude c. 1673 komt). Het is dus niet meer nodig de officiaal van het bisdom van pars conventa om toestemming te vragen. De partijen die het officialaat benaderen, kunnen zelf kiezen naar welk officialaat zij gaan.10

De voorzitter van een collegiale rechtbank moet een clericus zijn, maar niet noodzakelijk een priester; beide andere rechters kunnen volgens de nieuwe canon 1673 §3 leken zijn. Hiermee wordt een gevoelig punt beslist dat bij de totstandkoming van het huidig wetboek speelde. De zogenaamde “Münchener Schule” is van opvatting dat de rechterlijke macht aan het wijdings­sa­cra­ment gebonden is en een leek niet werkelijk rechter kan zijn. Vanuit deze richting in het canoniek recht werd dan ook bestreden dat de ene leken-rechter die tot nu toe als mogelijkheid was voorzien, een doorslaggevende stem zou kunnen hebben. Deze discussie heeft men nu achter zich gelaten door uitdrukkelijk te bepalen dat een collegiaal tribunaal uit een meerderheid van lekenrechters kan bestaan.

Een andere belangrijke wijziging is de mogelijkheid om een procedure te beginnen over de nietigheid van een huwelijk waarvan een van beide of beide partijen reeds overleden zijn, wanneer de vraag over de geldigheid een onderdeel vormt van een geding over een andere kwestie. Deze mogelijkheid van een huwelijksproces post mortem geldt zowel als deze vraag een rol speelt in een canonieke als in een civiele rechtelijke procedure (nieuwe c. 1674 §2).

Canon 1676 van de Codex Iuris Canonici (nu canon 1675) gaat over verzoeningspogingen door de rechter voordat hij een huwelijkscausa aanvaardt, Deze canon is nu op een andere wijze geformuleerd. Er wordt niet meer over de plicht gesproken om pastorale middelen aan te wenden om het huwelijksleven te herstellen als dit goede hoop biedt, maar alleen wordt aangegeven dat de rechter zich ervan op de hoogte moet stellen of het huwelijkse samenleven inderdaad onherstelbaar verkeerd is gegaan. De canon biedt dus nu minder aanknopings­punten om een pastorale weg van begeleiding in te slaan, wanneer de zaak eenmaal bij de rechtbank is gekomen.11 Daarentegen voorziet een Instructie van de Con­gre­ga­tie voor de katholieke Opvoeding van 29 april 2018 in de vorming van consulenten die echtparen begeleiden: op een eerste niveau zijn dat de pastoors en andere medewerkers binnen de parochie (Instructie, Art. 20-22), op een tweede niveau medewerkers van een huwelijksconsultatie­bureau die op pastoraal, psychologisch en juridisch terrein kunnen adviseren (Instructie, Art. 23-26) en op een derde niveau zijn dat de advocaten die de partijen vanuit een kerkrechtelijke competentie terzijde staan in het huwelijksproces.12 Terecht kan men dus opmerken dat in de pastorale begeleiding op een andere wijze is voorzien en het niet meer de rechter is bij wie deze taak ligt op het moment dat de partijen komen voor een nietig­ver­klaring.

We zien hier af van een bespreking van het verloop van het huwelijksproces zelf, met uitzondering van enkele accenten die terzake door Mitis Iudex zijn gezet. Zo’n accent betreft de bewijsvoering waarover het in de nieuwe canon 1678 gaat, die in plaats komt van de canones 1679-1681 (vgl. c 1536). In feite heeft de rechter nu iets grotere vrijheid gekregen om aan een gerechtelijke bekentenis (“confessio iudicialis”) en verklaringen van de partijen volledige bewijs­kracht toe te kennen. Canon 1678 §1 legt althans minder nadruk op het aanwenden van “testes de credibilitate” (“testibus forte de ipsarum partium credibiliatate sustentae”) dan de oude canon 1679 (“Testes de ipsarum partium credibilitate, si fieri potest, adhibeat”). Bovendien wordt er nu meer van uitgegaan dat er geloof aan deze verklaringen kan worden gehecht, “tenzij er andere elementen bijkomen die deze verzwakken”.13

Zoals is aangegeven wordt de sententie van de eerste instantie onder de vigeur van Mitis Iudex meteen uitvoerbaar, tenzij er beroep wordt ingesteld binnen de termijn van vijftien dagen. Als het beroep echter klaarblijkelijk alleen was bedoeld om tijd te rekken, bevestigt de collegiale beroepsrechtbank de sententie van de eerste instantie met een decreet (nieuwe canon 1680 §2).
Art. 13 van de Ratio Procedendi heeft - met weglating van de mogelijkheid van afwijkende particuliere wetgeving - art. 258 §3 uit Dignitas connubii overgenomen dat toestaat aan een partij die geen bericht wenst over het proces alleen het pars dispositiva van de sententie te verstrekken met de feitelijke uitspraak over het Constare vel non constare de matrimonii nullitate. Dit artikel betreft dus geen nieuwe mogelijkheid.

IV. De korte procedure

De korte procedure kan worden ingezet indien beide partijen ermee akkoord zijn, dus doordat beide partijen hier gezamenlijk om vragen of doordat één er om vraagt en de ander instemt (nieuwe c. 1683). Deze procedure kan worden toegepast wanneer er geen meer uitgebreide verhoren of onderzoeken vereist zijn. De bewijzen die gemakkelijk verzameld kunnen worden, moeten in de libellus worden aangegeven, zodat op grond van het verzoek­schrift kan worden besloten of de causa voor een behandeling in een korte procedure in aanmerking komt. De officiaal bepaalt daarop in één decreet de rechtsgrond op basis waarvan de nietig­ver­klaring wordt onderzocht, hij benoemt de instructor en een assessor en stelt een zitting vast die binnen dertig dagen moet worden gehouden, waartoe hij tevens allen oproept die daarbij aanwezig dienen te zijn (nieuwe canon 1685). De instructor verzamelt de bewijzen zo mogelijk in één sessie en geeft vijftien dagen aan de defensor voor zijn animadversiones en aan de partijen voor hun verdediging. Daarna velt de diocesane Bisschop als hij morele zekerheid heeft bereikt het vonnis, over­een­komstig de nieuwe canon 1687 §1. De partijen ontvangen de gemotiveerde sententie zo snel mogelijk. Er is beroep mogelijk naar de Metropoliet of naar de Rota; tegen een sententie van de metropoliet naar de oudste suffragaan. Deze oudste suffragaan, is volgens de uitleg van de Pauselijke Raad voor de Wetsteksten in een brief van 13 oktober 2015, de bisschop van de oudste suffragane bisschopszetel. Voor Nederland lost dat niet veel op omdat de meeste bisdommen op hetzelfde moment zijn opgericht.14 Een bisschop die geen Metropoliet heeft, kiest een diocesane bisschop uit om bij in beroep te gaan, door een stabiele keuze, dat wil zeggen dat hij deze bisschop niet per keer kan uitkiezen.

Tot de korte procedure kan ook worden overgegaan wanneer de gewone procedure reeds begonnen is mits beide partijen instemmen, volgens een brief van de Pauselijke Raad voor de Wetsteksten van 1 okt. 2015 die op de website van de Raad is gepubliceerd.15

V. Evidente nietigheid volgens Mitis Iudex

Tegen de achtergrond van de grote lijnen van de kerkelijke jurisprudentie moeten we de omstandigheden zien waarover het in artikel 14 §1 van de Ratio procedendi bij het Motu Proprio Mitis Iudex gaat: zaken die de nietigheid van een huwelijk betreffen, kunnen binnen een korter proces over­een­komstig de canones 1683-1687 ten overstaan van de bisschop worden behandeld onder andere wanneer zich de volgende omstandigheden voordoen: een zodanig gebrek aan geloof dat dit simulatie van de consensus veroorzaakte of een dwaling die de wil bepaalde, de korte duur van het huwelijks samenleven, abortus gepleegd om nakomeling­schap te verhinderen, halsstarrig blijven in een buitenechtelijke relatie ten tijde van het huwelijk of in de tijd die daar onmiddellijk op volgt, het bedrieglijk verbergen van steriliteit of een ernstige besmettelijke ziekte, van kinderen geboren uit een vorige relatie of detentie, of wanneer het huwelijk om volstrekt oneigenlijke gronden is aangegaan of wanneer de reden bestond in de zwanger­schap van de vrouw; ook in geval van fysiek geweld gebruikt om het ja-woord te verkrijgen of het ontbreken van het gebruik van het verstand, aangetoond door medische documenten, enzovoorts.16

Hoewel het hier niet gaat om een limitatieve opsomming, zoals de Ratio procedendi duidelijk aangeeft, gaat het hier wel om kenmerkende en belangrijke omstandigheden, die een beeld geven van de uitgangs­punten van de kerkelijke procedure. Daarom zullen we er kort bij stilstaan alvorens de verschillende nietigheidgronden te bespreken.

1. Een gebrek aan geloof dat simulatie van het ja-woord kan veroorzaken of een dwaling die de wil bepaalt.

In 1947 gaf het toenmalig Heilig Officie speciale regels voor het beoordelen van huwelijkszaken aan het Apos­to­lisch Vicariaat van Zweden. Deze regels hebben niet-katholieken in het vizier die katholiek willen worden en een kerkelijk huwelijk willen sluiten maar gebonden zijn door een eerder huwelijk dat zij als niet-katholiek hebben gesloten. Het heilig Officie gaf toestemming om in bepaalde gevallen een verkorte procedure te volgen en maakte duidelijk dat in de beoordeling rekening moest worden gehouden met een door­wer­king van de maat­schap­pe­lijke denkbeelden over het huwelijk in de mentaliteit waarmee de partners in dit geval een huwelijk waren aangegaan. In Zweden was sinds 1915 echtscheiding met weder­zijds goedvinden wettelijk aanvaard, terwijl de Lutherse Kerk van Zweden toen Staats­kerk was.17 Een dergelijke visie op het huwelijk ging zich ook in de hoofden en de harten van de mensen vastzetten.

Het gaat in de nieuwe procesregels dus niet zomaar om een gebrek aan geloof alsof men het sacrament van het huwelijk niet zou aangaan als men niet gelooft in God, de Kerk en de sacramenten. Door het ja-woord treedt de huwende een op zich natuurlijke werkelijkheid binnen die door de verlossing een nieuwe dimensie heeft gekregen. Het is dus voldoende als iemand de essentie van deze natuurlijke werkelijkheid aanvaardt en de wezenlijke eigen­schappen ervan niet uitsluit. Daar kan men in het huidig tijdsgewricht echter steeds minder vanuit gaan, de personen die het huwelijk aangaan zijn beïnvloed door een seculiere mentaliteit die mede bepaalt op wat voor huwelijk zij “ja”zeggen en dat kan er toe leiden dat de huwenden de optie open houden om seksuele relaties met anderen aan te gaan of om met de relatie te stoppen als die niet bevredigend meer is.18

2. Korte duur van het huwelijksleven

De korte duur van het huwelijk kan in sommige gevallen eveneens een duidelijk teken zijn dat de nietigheid om bepaalde redenen bevestigt en kan daarom aanleiding zijn het processus brevior te voeren. Dit is bij­voor­beeld zo wanneer er een reden is waarom een partner de relatie verbreekt die te maken heeft met het ja-woord: het verbreken kan een reactie zijn op bedrog, ook bij­voor­beeld door het verzwijgen van belangrijke gegevens, de oorzaak van het uit elkaar gaan kan liggen in de dagelijkse ervaring van het leven met een partner die een psychische stoornis heeft, in bewustwording van het feit dat men dit huwelijk niet heeft gewild, maar er zich bij­voor­beeld door omstandigheden toe heeft laten brengen, enzovoorts. De korte duur van het huwelijk kan dan een duidelijk teken zijn dat er inderdaad zoiets aan de hand is. Dit laat tevens zien dat de korte duur van een huwelijk niet op zich al een nietigheidsgrond is, alsof het huwelijk pas geleidelijk geldiger wordt. Het huwelijk is geldig aangegaan door het ja-woord en voltrokken door de huwelijksdaad. die het sacramentele huwelijk onontbindbaar maakt (c. 1061 §1).19

3. Abortus

Iets dergelijks geldt ook voor het plegen van abortus provocatus, in zoverre die abortus een duidelijk teken kan zijn van de beslistheid waarmee het krijgen van kinderen wordt uitgesloten. Ook kan abortus een teken zijn van een totaal andere visie op het huwelijk, die het wezen ervan verwerpt. Ook hier geldt dat niet de abortus op zich een nietigheidsgrond is en dat die zelfs geen aanwijzing hoeft te zijn voor een nietigheidsgrond als de abortus bij­voor­beeld uit radeloosheid wordt gepleegd in een uiterst moeilijke situatie.

4. Een buitenechtelijke relatie ten tijde van de huwelijkssluiting

Een buitenechtelijke relatie ten tijde van de huwelijkssluiting of vlak erna is eveneens een aanwijzing voor een nietigheidsgrond, met name: het uitsluiten van de huwelijkstrouw of in sommige gevallen van het huwelijk zelf of het onvermogen om trouw te zijn. Het aangaan en/of volharden in een dergelijke relatie op zo’n moment is een sterke aanwijzing dat het huwelijk niet echt gewild is of niet met een huwelijkswil is aangegaan en dus niet geldig is.

5. Bewezen bedrog

Het onomstotelijk bewijs van het bedrieglijk verbergen van steriliteit of een ernstige besmettelijke ziekte, van het feit dat uit er een eerdere relatie was en daar kinderen uit zijn geboren of van het uitzitten van een celstraf, is meer dan een aanwijzing. Het bedrieglijk verbergen (dolus) van deze en andere zaken die uiteraard de huwelijks­ge­meen­schap ernstig kunnen verstoren, is een nietigheidsgrond en maakt dat het huwelijk ongeldig is gesloten (c. 1098). De canon, voor het eerst in het kerkelijk wetboek opgenomen in 1983, wil de vrijheid van huwenden beschermen tegen bedrog dat is gepleegd om het ja-woord te verkrijgen en daaronder worden ook zaken begrepen die tot dat doel expres verzwegen zijn en die van nature wél de huwelijks­ge­meen­schap ernstig kunnen verstoren. De canon geeft geen uitsluitsel over de vraag of de erin neergelegde wetgeving van goddelijk recht is. Indien de wetgeving van goddelijk recht is zou die altijd en voor iedereen van gelding zijn, wat niet het geval is wanneer het slechts een kerkelijke bepaling betreft. Canonisten zijn het niet eens over deze vraag en ook de pauselijke Raad voor de Wetsteksten, belast met de in­ter­pre­ta­tie, heeft (nog) geen bevestigend antwoord kunnen geven. Dit maakt het moeilijk om de canon toe te passen op huwelijken van niet-katholieken en op huwelijken die voor het van kracht worden van het huidige kerkelijk wetboek zijn gesloten.20 Een korter proces zal in die gevallen niet aan de orde kunnen zijn.

6. Een huwelijk om oneigenlijke redenen

Een duidelijke aanwijzing voor simulatie van het huwelijk of gebrek aan innerlijke vrijheid is gegeven wanneer de reden voor het aangaan van het huwelijk volledig vreemd was aan het huwelijk zelf of slechts bestond in de zwanger­schap van de vrouw. Dit kan bij­voor­beeld gebeuren wanneer een partner het huwelijk aangaat om staatsburger­schap of een verblijfsvergunning te verkrijgen, om een kind te wettigen of economische voordelen te verwerven. Om in zo’n geval op goede gronden tot een korter proces te kunnen besluiten, moet dus al vast staan dat dit huwelijk inderdaad om oneigenlijke redenen is aangegaan. In werkelijkheid zullen aanwijzingen als gehuwd zijn omwille van het kind of om bepaalde economische voordelen te verwerven vaak niet zo eenduidig zijn. Of deze aanwijzing inderdaad doorslaggevend is om te kunnen besluiten tot een korter proces. zal in de praktijk dan ook grondig bekeken moeten worden.

7. Bewezen fysiek geweld

Dat geldt ook voor fysiek geweld dat wordt uitgeoefend om het ja-woord te krijgen. Als uit medische documentatie of uit politieverslagen inderdaad vaststaat dat geweld is uitgeoefend om het ja-woord te verkrijgen, is het gegeven ja-woord niet werkdadig en het huwelijk ongeldig gesloten (c. 1103). Dit fysiek geweld is in zich een nietigheidsgrond.

8. Voorhanden medische documentatie over een psychische aandoening

Niet (voldoende) kunnen beschikken over het gebruik van het verstand of over voldoende oordeels­ver­mogen is eveneens een nietigheidsgrond; dat geldt ook voor onbekwaamheid om psychische redenen om de wezenlijke verplichtingen van het huwelijk op zich te kunnen nemen (c. 1095). Gewoonlijk moet over de aanwezigheid van een dergelijk onvermogen het oordeel van een deskundige (gewoonlijk een psycholoog of psychiater) worden gevraagd, tenzij dat duidelijk overbodig is, bij­voor­beeld wanneer dit defect al wordt aangetoond in de voorhanden medische documentatie.21 Dit is het geval wanneer een ernstige aandoening is geconstateerd die zonder twijfel tot nietigheid van het ja-woord leidt, zoals een ernstig achtergebleven geestelijke ont­wik­ke­ling of dementie, een sociale per­soon­lijkheids­stoor­nis of schizofrenie en ook in geval van onmiskenbare homo­sek­sua­li­teit.22 Wanneer deze per­soon­lijkheids­ken­merken goed gedocumenteerd zijn en ter beschikking staan van de rechters, kan tot een verkorte procedure worden besloten, zoals steeds: tenzij één van de partijen zich ertegen verzet.23

Besluit

Naar aanleiding van de vernieuwing en vereenvoudiging van de kerkelijke procedure voor de nietig­ver­klaringen van huwelijken door paus Franciscus stonden we stil bij de hoofdlijnen van de jurisprudentie terzake. Psychische redenen zijn in vele gevallen oorzaak van de nietigheid. De procedure voor de kerkelijke rechtbank biedt de gelovigen mogelijkheid de geldigheid van hun huwelijk te laten onderzoeken en mogelijk een nieuw kerkelijk huwelijk aan te gaan. Deze procedure is door de herziening in het Motu Proprio Mitis Iudex aanmerkelijk vereenvoudigd en het pastorale karakter ervan is in het licht gesteld. De jurisprudentie is hierdoor niet gewijzigd, wel hebben sommige lijnen van jurisprudentie en presumpties die in de kerkelijke rechtspraak tot nu toe werden gehanteerd, mede aanleiding gegeven een sterk verkorte behandeling van een huwelijkszaak (processus brevior) ten overstaan van de bisschop mogelijk te maken.

 

+Jan HENDRIKS

 

_____________________

Voetnoten

  1. De Latijnse tekst van het Motu Proprio Mitis Iudex met Ratio procedendi, dat betrekking heeft op de Latijnse kerk, in: w2.vatican.va/content/francesco/la/motu_proprio/documents/papa-francesco-motu-proprio_20150815_mitis-iudex-dominus-iesus.html; ook in: Communicationes 47(2015), pp. 283-291.
  2. C. 19. Overr de betekenis van de jurisprudentie van de Rota, zie: P. FRANCISCUS, Discorso alla Rota Romana, 24 gennaio 2014, in: AAS (2014) 89-90: “Vorrei dunque esortarvi ad un accresciuto e appassionato impegno nel vostro ministero, posto a tutela dell’unità della giurisprudenza nella Chiesa” (De toespraken van de pausen tot de Romeinse Rota zijn ook te vinden op: bibliotecanonica.net/docsaa/btcaah.htm#_Toc441682906 (18 aug. 2016); P. IOHANNES PAULUS II, Cons. Ap. Pastor Bonus, 28 juni 1988, AAS 80(1988), pp. 841-930, art. 126, §1 (gewijzigd door P. BENEDICTUS XVI, Litt. Ap. Motu Proprio Quaerit semper, 30 aug. 2011, in: Communicationes 43(2011), pp. 289-291): “...unitati iurisprudentiae consulit et, per proprias sententias, tribunalibus inferioribus auxilio est”. Vgl. ook P. BENEDICTUS XVI, Discorso alla Rota Romana, 26 jan. 2008, in: Communicationes 40(2008), pp. 13-17.
  3. Ratio procedendi..., art. 14 §1.
  4. APOSTOLIC TRIBUNAL OF THE ROMAN ROTA, Subsidium for the application of the M.P. Mitis Iudex Dominus Iesus (Vatican city, january 2016)
  5. Subsidium, p. 8.
  6. Ratio Procedendi in causis ad matrimonii nullitatem declarandam, in Communicationes 47(2015), pp. 292-295, hier p. 293, art. 8. Vgl. www.delegumtextibus.va/content/dam/testilegislativi/risposte-particolari/Procedure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Alcune questioni sulla costituzione del tribunale diocesano.pdf; www.delegumtextibus.va/content/dam/testilegislativi/risposte-particolari/Procedure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Sobre la constitución del Tribunal interdiocesano (can. 1673 §2 n.v. CIC).pdf
  7. Subsidium, p. 18.
  8. Subsidium, p. 10-11.
  9. Ordo Procedendi, art. 7; Subsidium, II,1, c, p. 24.
  10. Subsidium, II.1.c, p. 24.
  11. Vgli. Subsidium, II.1, b, p. 23.
  12. CONGREGATIE VOOR DE KATHOLIEKE OPVOEDNG, Istruzione Gli studi di Diritto Canonico alla luce della riforma del processo matrimoniale, 29 april 2018, In: www.vatican.va/roman_curia/congregations/ccatheduc/documents/rc_con_ccatheduc_doc_20180428_istruzione-diritto-canonico_it.html
  13. Vgl. Ook Subsidium III.2, b, p. 27 De opmerking dat volledige bewijs­kracht kan worden toegekend aan wat iemand uit hoofde van zijn functie ex officio verklaart, betreft m.i. geen vernieuwing, zoals het Subsidium lijkt te suggereren, vgl. c. 1573 en Dignitas Connubii art. 202.
  14. www.delegumtextibus.va/content/dam/testilegislativi/risposte-particolari/Procedure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/Circa il suffraganeus antiquior nel nuovo can. 1687 §3 Mitis Iudex.pdf
  15. www.delegumtextibus.va/content/dam/testilegislativi/risposte-particolari/Procedure per la Dichiarazione della Nullità matrimoniale/On the conversion of the formal process to the processus brevior and the absent respondent.pdf
  16. Deze omstandigheden worden toegelicht in: APOSTOLIC TRIBUNAL OF THE ROMAN ROTA, Subsidium for the application of the M.P. Mitis Iudex Dominus Iesus, doc. cit., II.3.1c, pp. 33-36.
  17. H. OFFICIE, Regulae servandae a Vicariatu Apostolico Sueciae in pertractandis causis super nullitate matrimonii acatholicarum, 12 nov. 1947, in: Z. GROCHOLEWSKI, Documenta recentiora circa rem matrimonialem et processualem, deel 2 (Roma, 1980), nn. 54135-444.
  18. Vgl. PAUS FRANCISCUS, Discorso alla Rota, 24 gennaio 2014, in: AAS (2014) 89-90: “Per questo il giudice, nel ponderare la validità del consenso espresso, deve tener conto del contesto di valori e di fede – o della loro carenza o assenza – in cui l’intenzione matrimoniale si è formata. Infatti, la non conoscenza dei contenuti della fede potrebbe portare a quello che il Codice chiama errore determinante la volontà (cfr can. 1099). Questa eventualità non va più ritenuta eccezionale come in passato, data appunto la frequente prevalenza del pensiero mondano sul magistero della Chiesa. Tale errore non minaccia solo la stabilità del matrimonio, la sua esclusività e fecondità, ma anche l’ordinazione del matrimonio al bene dell’altro, l’amore coniugale come «principio vitale» del consenso, la reciproca donazione per costituire il consorzio di tutta la vita. «Il matrimonio tende ad essere visto come una mera forma di gratificazione affettiva che può costituirsi in qualsiasi modo e modificarsi secondo la sensibilità di ognuno» (Esort. ap. Evangelii gaudium, 66), spingendo i nubenti alla riserva mentale circa la stessa permanenza dell’unione, o la sua esclusività, che verrebbero meno qualora la persona amata non realizzasse più le proprie aspettative di benessere affettivo”. Zie ook: Subsidium, o.c., nr. 3.1.c, pp. 33-34.
  19. Voor deze en de volgende nietigheidsgronden, zie: Subsidium, o.c., pp. 34-36.
  20. J. HENDRIKS, Diritto matrimoniale (Milano, 1999), pp. 196-197; C. FÜRST, “La natura del dolo nel diritto matrimoniale canonico e il problema della retroattività del can. 1098", in: P. BONNET, C. GULLO (ed.), Diritto matrimoniale canonico, deel II Il Consenso (Studi giuridici LXI, Città del Vaticano, 2003), pp. 201-212.
  21. Subsidium, o.c., n. 3.1.c., pp.35-36; Mitis Iudex, o.c., art. 3 (nieuwe tekst c. 1678 §3..
  22. Vgl. bijv. C. BARBIERI, A. LUZZAGO, L. MUSSELLI, Psicopatologia forense e matrimonio canonico (Studi giuridici LXVII, Città del Vaticano, 2005), pp. 144-148.
  23. Mitis Iudex, art. 5, c. 1683; Subsidium, o.c., n. 3.1.a, p. 32.
tags: Mitis IudexHuwelijksprocesOfficialaatkerkelijke rechtbankprocessus brevi
Terug