Arsacal
button
button
button
button


Gebed als fundament voor parochievernieuwing

Bijdrage aan de Impulsdag voor parochievernieuwing

artikel_overig - gepubliceerd: zaterdag, 10 november 2018
Fontein bij de Tiltenberg waarop Jezus'zending van de leerlingen wordt uitgebeeld: Gaat uit...
Fontein bij de Tiltenberg waarop Jezus'zending van de leerlingen wordt uitgebeeld: Gaat uit...

Toen ik priester was gewijd, kwam ik terecht in een stads­parochie. Toentertijd, bijna veertig jaar geleden, zat de kerk nog aardig vol, al was de teruggang allang duidelijk merkbaar. Er kwamen tussen acht- en negenhonderd mensen naar de heilige Mis, maar daarvan was maar een dertigtal beneden de vijftig à vijfenvijftig. Ik kon dus duidelijk zien waar het naar toe zou gaan en dat vond ik soms bijna deprimerend: je wilt als jonge priester een geloofs­ge­meen­schap opbouwen, niet het stervensproces van de gemeen­schap begeleiden.

Hoe kan ik hier iets opbouwen?

Natuurlijk kwam daarmee de vraag bijna dwingend op me af: Hoe kan ik hier iets opbouwen? Ik hield mezelf al gauw voor - en dat ben ik sindsdien blijven doen - dat het altijd gaat om het zaaien van het goede zaad, maar dat het niet aan mij is om te bepalen waar en hoe het vrucht zal dragen. Het zal vrucht dragen op Gods tijd en plaats. En dat het gaat om de ziel van een mens, van iedere mens, niet om aantallen en statistieken, zoals koning David al te horen kreeg toen hij een volk­stel­ling had gehouden (2 Sam. 24). Dit wil zeggen dat iedere mens die een stap naar God zet, onze moeite meer dan waard is.

Zo was er een jongen in de parochie, één van de acolieten, die geïn­te­res­seerd was in het geloof, die stappen zette op het pad van geestelijke leiding en er serieus over dacht om priester te worden. Ik had veel tijd en aandacht aan hem gegeven en was toch wel teleurgesteld toen hij een heel andere kant op ging dan die van het priester­schap. Ik verloor hem uit het oog, ook omdat ik kort daarna werd overge­plaatst. In diezelfde tijd was er een student van de landbouwuni­ver­si­teit van Wageningen, die uit de parochie afkomstig, die bij een religieuze orde ging en priester en missionaris werd, wat hij nog steeds is. Ik had niet meer dan enkele vluchtige woorden met hem gewisseld, kende hem verder niet. Dit was toen voor mij een teken dat ik niet moest denken dat ikzelf de genade kon sturen, dat ik de genade niet in mijn hand heb en al helemaal niet of en wat voor vrucht die draagt en waar die vruchten draagt. Ik moet zaaien. Zaaien en bidden. Niet calculeren. Een paar maanden geleden kwam ik na bijna veertig jaar - bij een vormsel­viering in ons bisdom - die acoliet van toen weer tegen die een heel andere richting was opgegaan. Hij is penning­mees­ter van een van de grootste parochies van zijn bisdom en heel actief en betrokken bij heel het kerkelijk gebeuren. Hij had een mooi gezin en ik kon even kennis maken met zijn vrouw. En natuurlijk dacht ik toen weer: Resultaten? Loslaten en vertrouwen. Geen volk­stel­lingen, niet calculeren. Jij ben niet degene die bepaalt of en hoe het zaad vrucht draagt. God gaat Zijn weg met iedere mens en de wegen van God zijn onnaspeurlijk (Rom. 11,33).

Bidden

Hoe kan ik iets opbouwen? Het eerste antwoord op die vraag was dus dat ik dat los moest laten, dat de basis van mijn priester­schap was dat ik alles achter moest laten om Jezus te volgen en dat dit ook mijn hang naar zichtbare en concrete successen omvatte. Het vertrouwen op Gods voorzienigheid in een situatie die daar menselijkerwijs niet toe uitnodigde kon er alleen zijn en blijven als ik me erop zou toeleggen - bij al mijn menselijke zwakheid en onvolkomenheid - een man van God te zijn, als ik me in Hem durfde onderdompelen en dus tijd zou durven verliezen aan gebed, de retraite en meditatie. In het activisme dat me eigen is, moest en moet ik leren het niet te zoeken in een steeds grotere hoeveelheid activiteiten en dat het “succes” van mijn priester­schap uiteindelijk meer zal zitten in mijn vermogen om bij de Heer te zijn en vanuit die aanwezigheid te leven en te werken, dan van dingen die ik doe. Ik merkte trouwens dat mijn eigen menselijke zwakheid en onvolkomenheid veel te bepalend werden, telkens wanneer ik op mijzelf steunde. Mijn gedachten, mijn woorden, mijn initiatieven - zo realiseerde ik me - zullen volkomen anders worden - ook al doe ik misschien deels dezelfde dingen - wanneer ikzelf in Zijn te­gen­woor­digheid verkeer. Want mensen moeten Hem ontmoeten, niet mij. Dit moet wel ongeveer zijn wat Jezus bedoelde toen Hij Zijn leerlingen leerde dat zij steeds moesten bidden (Lc. 1) en wat Paulus schreef: “Bidt zonder ophouden” (1 Tess. 5,17).

Het eerste is dus dat ik zelf moet bidden en dat ik moet zoeken wat mij helpt om te bidden: stilte en tijd, maar ook bezoeken aan inspirerende plaatsen, retraites en alles waarvan ik merk dat het me geestelijk helpt.

Een contact vanuit het gebed

Ik ben in die eerste parochie daarop begonnen met drie initiatieven, althans drie wil ik er hier bijzonder noemen. Rond de kerk hingen iedere dag groepjes jongeren rond, de meeste van hen nog zeer jong, zo tussen de twaalf en vijftien jaar oud. Ze hadden niet veel te doen en er waren toen nog geen computers of internet. Soms vernielden ze iets of spoten graffiti op de muren van de kerk. Samen met een vrouwelijke religieuze zijn we deze jongens - het waren allemaal jongens - wekelijks uit gaan nodigen om spelletjes te doen en wat te praten. Soms deden we een gebed en er kwam ook weleens wat catechese voorbij. Sommige jongens kwamen vaak, anderen soms, maar er ontstond iets van een band, van respect en er bleek veel meer in die jongens te zitten dan ik op het eerste gezicht had gedacht. Het graffiti-spuiten hield op en daar was de pastoor dan weer blij mee. Eerlijkheidshalve: het idee was niet van mij geweest maar van deze zuster Liesbeth, die midden in het leven stond en tegelijk een biddende vrouw was met moederlijke en christelijke liefde en die mede gevoed werd door de charismatische vernieuwing. Zij bad voor deze jongens en ging vanuit haar gebed naar hen toe. Dat maakte haar contact met hen natuurlijk wezenlijk anders en dieper.

Zo horizontaal!

Een ander initiatief kwam ook al niet uit mijzelf, maar het was een idee van mijn geestelijk leidsman. Het was in die tijd erg in de mode om voor allerlei vieringen boekjes te maken met eigen teksten, die meestal vooral de gedachte verwoordden dat je goed moest zijn voor je medemens; de verticale dimensie was toch wel wat minder aanwezig. De per­soon­lijke relatie met God of de ontmoeting met Hem in het gebed en de sacramenten kwam zelfs vrijwel niet aan de orde en omdat ook de lezingen van de Mis door leden van de werk­groep werden uitgezocht, kwamen er veel niet-Bijbelse lezingen voor en beperkten de lezingen uit de Bijbel zich gewoonlijk tot de teksten die het liefdevol handelen voor de medemens beklemtoonden. Het wezen van liturgie als lofzang Gods kwam in het gedrang en gepaard daarmee veranderde de sfeer in de kerk in die jaren van de liturgievernieuwing. Werd ik vroeger als kind bij de Tridentijnse liturgie geacht stil te zijn, niet om te kijken in de kerk - praten en omkijken in de kerk waren biechtpuntjes! - en te bidden; na de vernieuwingen van de jaren zestig en zeventig werd het bijna onmogelijk om te bidden in een kerk omdat er altijd geklets was en ander lawaai. In plaats van de aanwezigheid van de drieëne God kwam het contact met de medemens centraal te staan, ook binnen het kerk­ge­bouw. Dat was toen natuurlijk een fase in het secularisatieproces dat onze samenleving de afgelopen zeventig jaar heeft beheerst. Ik heb toen weleens verzucht - met de woorden van het gedicht van Guido Gezelle - “Gij badt op eenen berg alleen, en... Jesu, ik en vind er geen, waar ‘k hoog genoeg kan klimmen om U alleen te vinden: de wereld wil mij achterna...”.

Meditatie

Ik ben toen begonnen vrijwilligers die me open leken te staan voor zo’n initiatief, uit te nodigen voor een meditatie­groep. Wekelijks kwamen de leden van het groepje samen voor een vrij informele bijeenkomst waarop ik een kleine inleiding gaf op het evangelie dat acht of negen dagen later op zondag zou worden gelezen. Het was een inleiding op het gebed, dat wil zeggen dat het doel van de inleiding was te helpen om te bidden over dit evangelie, met de gebruikelijke Ignatiaanse reflectievragen: waar was ik bij Hem, wat heeft mij geraakt in dit evangelie; waar was ik niet bij Hem, wat had mij niet veel te zeggen en wat voel ik voer Hem na afloop van het gebed. De week daarop begon de bijeenkomst - na het gebed - met ieders reflectie (natuurlijk in zoverre ieder dat wenste te delen) en een gesprek daarover. Die zondag erna hoorden ze het evangelie en de preek in de kerk heel anders en trouwens heel hun inzet voor de kerk en hun eigen leven kreeg meer inhoud.

Door­wer­king van de meditatie

Er waren enkele dames bij de meditatie­groep die in de gezinswerk­groep zaten en dat had al heel gauw een effect op de bijeenkomsten van deze werk­groep die minder een doe-groep werd, die met knippen en plakken een “liturgie” samen wilde stellen met maar weer het evangelie van die barmhartige Samaritaan. Er kwam meer diepgang in. Voor mij had dit bovendien het voordeel dat ik veel minder hoefde te zeggen dat iets niet mocht of niet kon in de liturgie, omdat er geleidelijk een aanvoelen ontstond van wat wel of niet passend was in de viering van de Eucha­ris­tie en er een verlangen kwam om dieper door te dringen in de betekenis en de eigenheid van de viering. De meditatie­groep was niet groot, misschien vijf, zes mensen, maar ze was als een steen in de vijver, die steeds wijdere kringen trok.

Aanbidding

Vanuit deze groep kwam daarna het verlangen om aanbidding te hebben in de kerk, met uit­stel­ling van het heilig Sacrament. Later toen ik zelf pastoor werd, heb ik iedere dag aanbidding houden in de parochiekerk, vanaf drie kwartier voor de viering van de Eucha­ris­tie. Dat bevorderde een gebedssfeer in de kerk en de beleving van Jezus’ te­gen­woor­digheid, er kwamen meer mensen naar de Mis en de aanbidding is natuurlijk op zichzelf een genade die doorwerkt in de harten van de mensen en die de parochie verandert, vaak nog meer dan wat de priester zegt over het beleven van het geloof, omdat woorden allereerst het hoofd en het verstand, maar de aanbidding direct het hart raakt als bron van liefde.

Tekst­groep

Het derde initiatief betrof de tekst­groep van het jongerenkoor dat de jongeren­vieringen voorbereidde. Ook met deze jongeren deed ik iets dergelijks als in de meditatie­groep, al waren de bijeenkomsten anders van opzet. Het evangelie van de zondag waarop de jongeren­viering zou zijn was het uitgangspunt voor een inleiding, stille overweging en daarna gesprek. Met de jongeren van de tekst­groep en andere jongeren van het koor die we daarvoor uitnodigden hielden we vervolgens ook abdij­weekenden en andere bezinningsdagen.

Tijdloos

Op zich is dit natuurlijk een verhaal van lang geleden, van de tijd dat ik pas priester was, maar het is ook tijdloos en wat erachter zit is nog steeds evenzeer belangrijk. Het is wezenlijk dat we een geest van gebed in onze parochies proberen te brengen. Catechese en geloofsverkondiging zijn eveneens zeer belangrijk maar ik zou haast zeggen dat de geest die in een gemeen­schap heerst, nog wezenlijker is. Alles moet erop gericht zijn dat mensen God kunnen ontmoeten.

Vrijwilligers, maar geloof speelt geen rol

En in veel parochies is juist dat niet aanwezig: het geloof speelt nauwelijks een rol, het gaat meer om het vervullen van traditionele rolpatronen, een vrijwilligerswerk, een lezing doen enzovoorts. Het is voor mensen sowieso al veel moeilijker om over hun beleving te praten dan over wat ze doen.

Het CBS onderzoek over geloven

Heel veel mensen zeggen in onze tijd dat ze niet gelovig zijn, het Centraal Bureau voor de Statistiek gaf onlangs als resultaat van onderzoek aan dat in 2017 het aantal mensen dat met een religieuze stroming is verbonden gedaald was tot 49%. Het onderzoek God in Nederland van het jaar daarvoor kwam op 14% theïsten - mensen die in een per­soon­lijke God geloven- en 28 % ietsisten - mensen die geloven dat er wel iets is. Dat wil niet zeggen dat de andere 51 % uit het onderzoek van het CBS of de 58 % uit God in Nederland helemaal niet religieus is, wel dat religiositeit veel diffuser is geworden. In het CBS-onderzoek komen de verschillende protestantse denominaties (men kon kiezen tussen Nederlands Hervormd, Protestantse Kerk in Nederland of gereformeerd) tot 15 %, de katholieken tot 24 %, maar al is het aantal katholieken getalsmatig te­gen­woor­dig dus hoger dan het aantal protestanten, bij de katholieken is het kerkbezoek flink afgenomen, waar dat bij de protestanten - alle soorten protestanten samen genomen - meer stabiel is gebleven. De conclusie lijkt te moeten zijn dat katholieken langer bij de kerk­ge­meen­schap blijven maar er minder aan doen, terwijl protestanten eerder de kerk verlaten als ze er toch weinig meer aan doen. Het kan nog zijn dat sommige evangelicale gemeen­schappen zich niet in de CBS-indeling van de protestanten herkenden en zich bij de “overigen” hebben opgegeven, die 6% bedroegen. Het aantal moslims stijgt wel en verder is bij niet-moslims met een migratie-achtergrond is de kerkelijke participatie veel groter. We zijn dus blij dat we veel migranten­ge­meen­schappen hebben in ons bisdom Haarlem-Amsterdam.

Geloven en bidden

Het onderzoek God in Nederland vroeg de respondenten of zij weleens bidden. 53% antwoordde daarop nooit te bidden, dan zijn er veel, maar de andere groep die weleens bidt is dus toch nog groter dan alle theïsten en ietsisten uit dat onderzoek bij elkaar! Andere onderzoeken zeggen zelfs dat meer dan de helft van de Nederlanders bidt, ook daar meer dan er zeggen gelovig te zijn! Wat betekenen deze cijfers? Met koning David en diens volk­stel­ling in gedachten moeten we er niet te veel belang aan hechten, ze zeggen natuurlijk wel dat de kerkelijke participatie en de verbondenheid met een kerk of bepaalde godsdienst is afgenomen, ze zeggen niet veel over de religieuze gevoelens van mensen, hooguit dat we kunnen concluderen dat die in ieder geval meer diffuus zijn geworden. Dat blijkt al uit het onderzoeksresultaat dat meer mensen bidden dan er zeggen gelovig te zijn! Mensen hebben een minder duidelijk en kerkelijk beeld van God, maar dat wil niet zeggen dat hun godsdienstige gevoelens verdwenen zijn al hebben ze op dat vlak geen duidelijke overtuigingen meer.

Bredere intitiatieven vanuit de kerk

Bij deze resultaten sluiten bredere initiatieven vanuit de kerk aan die meer naar het gebed en de ervaring toe leiden dan dat ze expliciete verkondiging zijn, bij­voor­beeld door mensen uit te nodigen in de kerk of bij een Allerzielenherdenking een kaarsje op te steken, daar stilte te ervaren en wellicht iets van de aanwezigheid van de Heer. Dit zijn laagdrempelige initiatieven die gemakkelijker op een positieve respons kunnen rekenen dan directe verkondiging op straat, al is dat laatste zeker ook niet verkeerd. Meer mensen hebben een openheid voor een vorm van gebed en dus voor iets dat meer op het terrein van de ervaring ligt, dan voor een leer. Het is dus een idee om daar ook bij de verkondiging op aan te sluiten en in ieder geval gelegenheid te bieden om in de stilte en rust tot een gebed te komen.

Het belang van een ervaring

Velen van jullie zullen het verhaal van Alphonse Ratisbonne (1814-1884) kennen, een ongelovige Fransman afkomstig uit een Joodse bankiersfamilie, verwant met de Rothschilds, die in Rome de kerk van Sant’ Andrea della Fratte binnenging. Van dat bezoek getuigde hij later: ik ging daar binnen als atheïst, ik kwam eruit als overtuigd Rooms-Katholiek. Toen moest hij nog wel ‘even’ gedoopt worden, natuurlijk! Maar wat hij daar ontving was een ervaring, een genade, een binnentreden in Gods te­gen­woor­digheid en in die zin een gebedservaring. Daar moet wel bij verteld worden dat er eerder door katholieke vrienden van hem veel gebeden was en dat sommige katholieken en protestanten hem al vaker zonder succes hadden proberen te overtuigen. Uiteindelijk kunnen we alleen proberen een terrein voor te bereiden waarop de genade-bliksem kan inslaan! De stilte, de ruimte voor het gebed, is zo’n terrein. Een mens wordt in het gebed anders geraakt dan door verkondiging; beide zijn belangrijk.

Een gemeen­schap die bidt...

Als de gemeen­schap vurig is, een biddende gemeen­schap, dan zal de catechese of bijbel­groep niet alleen kennis overdragen maar ook met vuur kunnen bezielen. Iedere bijeenkomst in de parochie moet ook iets van dat vuur in zich dragen, ergens ook gebed zijn. Natuurlijk het is een genade als mensen God ontmoeten, een cadeautje van de Lieve Heer, maar wij mogen daaraan meewerken en we zijn geroepen dat te doen door in voorbeeld en woord en door het scheppen van gunstige situaties een bodem te bereiden waarop het goede zaad van het evangelie kan opschieten.
In sommige parochies heerst een geest van geloof en gebed, een gerichtheid op Gods aanwezigheid en werkzaamheid. Dat is heel goed. Een gemeen­schap kan heel klein zijn, maar als die bidt, is ze geopend naar een universum, een eeuwigheid, dan wordt ze alomvattend. Een gemeen­schap die niet bidt, hooguit misschien gebeden zegt, wordt tot een clubje van bekenden die met elkaar koffie drinken na de viering. Het geloof sijpelt daar weg. Wie met God gaat wordt alomvattend, omdat God zelf niemand uit Zijn liefde sluit. Liefde is mededeelzaam; een gemeen­schap die bidt kan eigenlijk niet anders zijn dan ver­wel­ko­mend zijn naar buitenstaanders, missionair, verlangend de goede, blijde bood­schap te delen dat Jezus Christus is verrezen.

Stappen naar gebed

Heel belangrijk is dus een ervaring van Gods te­gen­woor­digheid om tot gebed te komen. Die ervaring kan heel diffuus zijn, maar het is een ervaring die op een of andere manier het hart raakt, een verlangen opwekt en tot een vorm van bidden brengt. Daarom wil ik U graag meenemen op weg van stappen naar gebed. De bedoeling is even stil te staan bij enkele aandachts­punten die van belang kunnen zijn als we mensen - en onszelf - willen begeleiden naar het gebed toe. Deze stappen zijn belangrijk voor iedere evangelisatie, juist omdat het gebed het hart raakt en de kennis die we opdoen van het geloof door het gebed of door een gebedshouding binnen zal kunnen gaan in het hart.

Het menselijk verlangen

Fundament voor het gebed is ons menselijke verlangen. Het menselijke verlangen gaat altijd verder, het is hier op aarde nooit voorgoed verzadigd. Dat is uiteindelijk een verlangen naar goedheid, naar waarheid, naar schoonheid. Een mens heeft uit zichzelf een onbeperkte openheid, niet alleen naar “dingen om te hebben”, maar naar “de ander”, die hem zichzelf en eigen behoeften doet overstijgen; en uiteindelijk is dat een verlangen naar De Ander, naar God.

De erkenning van deze openheid, dit verlangen naar en gericht-zijn op de ander is startpunt voor het contact met God, voor het gebed.

Het verlangen bespreekbaar maken

Als we mensen willen helpen om tot God te komen en de parochie willen maken tot plaats van gebed, kan het helpen om dat verlangen bespreekbaar te maken. Waar gaat je verlangen naar uit, je diepste en mooiste verlangen? Het was Jezus eerste vraag aan degenen die Hem achterna waren gegaan en Zijn eerste leerlingen zouden worden: “Wat verlangt ge?” (Jo. 1, 38). Dit verlangen moet zich “bekeren” naar de grootst mogelijke openheid: naar het verlangen van de Geest (vgl. Rom. 8,6; vgl. ook Rom. 7,19), naar het verlangen naar een “nieuwe hemel en een nieuwe aarde”, vgl. Jes. 11, 6-7; 2 Petr. 3, 13; Apc. 21). Uiteindelijk is het verlangen van de mens dan - zoals gezegd - een verlangen naar God. Dus het zich-bewust worden van dit verlangen is een belangrijke stap naar het gebed en dus een belangrijke stap in de evangelisatie

En dan geldt wat Blaise Pascal ooit schreef: “Troost je, je zou me niet zoeken, als je me niet al gevonden had”(B. Pascal).

Ga er op in!

We moeten ons niet te gauw neerleggen bij de mededeling “Ik ben niet gelovig”. Daarmee bedoel ik niet dat we die mededeling niet serieus moeten nemen, maar de vraag is altijd toch nog: Wat versta je onder gelovig of niet gelovig zijn? En een volgende vraag zou ook kunnen zijn: bid je weleens (en waarom wel of niet)?

Veel mensen bidden niet omdat ze niet geloven: dan is er niemand die luistert, niemand die spreekt, de mens is alleen. Dat mensen bidden is een teken van geloof, ook als ze zeggen niet te geloven. Als mensen bidden en zeggen niet gelovig te zijn, wat regelmatig voorkomt, zoals we zagen, betekent dat ze hun innerlijke overtuiging moeilijk of niet met een geloof associëren.

Een diaken vertelde me het verhaal van een man, wiens moeder overleden was. De diaken kwam op bezoek om de uitvaart te bespreken. In dat gesprek zette de man zich vrij heftig af tegen alles wat geloof was. Hij had er niets mee, deze uitvaart was alleen omdat zijn moeder dat wilde, maar hij wilde wel graag een woordje zeggen. Snikkend begon hij aan het einde van de viering met dat woordje: “Mam, ik weet dat je me hoort...” en aan het einde: “Mam, tot ziens.... Er is meer geloof dan de enquêtes aangeven...!

Anderen geven wel toe dat er iets moet zijn: een absoluut beginsel, een kracht, een begin, een dynamiek die aan de oorsprong staat van al het zijnde. Er is misschien wel iets, maar wat dat “iets” ook is, dat zwijgt.

God als verre, vage kennis (of nooit ontmoet)

Maar gebed is juist com­mu­ni­ca­tie: meer luisteren overigens dan spreken. Uitgangspunt voor het gebed is dat God bestaat en dat God zich met mij wil bezig houden, dat ik tel voor Hem, de moeite waard ben. En tenslotte dat deze God bij machte is te handelen, dat Hij ook iets voor mij te doen. Hij kan de loop van mijn leven veranderen en Hij kan mijn hart veranderen en het een andere oriëntatie geven.

Door het gebed wordt ons bewustzijn van Gods aanwezigheid versterkt. Het is zoals onder mensen: hoe minder je iemand ontmoet, des te meer vervaagt de relatie. Kun je nog spreken van vertrouwen als je iemand altijd voorbij loopt? God kan een verre kennis worden die lang geleden naar Australië is geëmigreerd.

Maar hoe kun je mensen helpen om die vage kennis van heel vroeger of die God die ze nooit hebben leren kennen, toch te ontmoeten in het gebed?

Stilte om te reflecteren en te be/ver-wonderen

Daarvoor zijn stilte en inkeer nodig. “Kom nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn”(Mc. 6,31), zegt Jezus tegen de leerlingen.

Wij zoeken God vaak waar Hij niet is, want de Heer is niet in het lawaai, niet in de opwinding en stressvolle drukte, niet in de nieuwste “hype”, niet in radio, TV, internet, fraaie auto’s, consumptie, luxe, nerveuze vermoeidheid, gejaagdheid. We worden overvallen door allerlei gedachten, ongeordende informatie, grote hoeveelheden zeer gevarieerde indrukken. Deze en andere zaken maken ons juist vaak ongeschikt om God te vinden, want Hij is de God van ons hart.

Dit is een groot nadeel van onze westerse samenleving.

In de stilte, rust en vrede, waar we bij onszelf zijn, in de maat die we houden, in reflectie, in studie, in bewondering, in harmonie en schoonheid, in moeite die we ervaren en in de gave van onszelf, daar is God.

Dus als we mensen willen helpen tot een ontmoeting met God te komen, zouden we met hen die rustige plaats moeten zoeken, in een abdij, in de natuur, een kerk, rond het vuur enzovoorts. “Kom nu eens mee...”.

Gelegenheid bieden om te spreken

In de stilte kunnen bepaalde ervaringen juist in alle hevigheid op ons af komen: angsten (voor ziekte, een vriend­schap die verslechtert, de dood die nadert, een bekoring die maar terug keert...). De stilte maakt ook duidelijker wie wij zijn en waar wij staan. Dat betekent dat het goed is - als we zelf deze weg gaan of mensen op die weg begeleiden - wanneer er ook gelegenheid is om met iemand door te spreken, die kan helpen alles bewust aan de voeten van de Heer te leggen.

In Zijn te­gen­woor­digheid

Bidden is ook niet het zeggen van bepaalde woorden. Bidden is niet ideeën krijgen over God, ook is bidden niet het zoeken van bevestigingen in de H. Schrift voor eigen ideeën en overtuigingen. Het gaat er ook niet om of we genoeg gedachten hebben gekregen in het gebed, maar het gaat om een ontmoeting: Hij is daar: “Ik kijk naar hem en Hij kijkt naar mij”, zei de boer in de kerk van de pastoor van Ars, toen die hem vroeg wat hij daar zo lang deed in de kerk. Bidden is aandacht, er is geen manier waarop je dat eigenlijk zou moeten doen, behalve door je aandacht vrij te maken.

Dat geldt ook voor het gebed voor bepaalde intenties. Het is natuurlijk heel belangrijk om mensen heel bewust mee te nemen in ons gebed, zeker mensen die ons om gebed hebben gevraagd en mensen van wie wij hopen dat zij een bepaalde genade mogen ontvangen. Dat gebed voor deze intenties, voor deze mensen wordt tot gebed door onze aandacht en liefde, doordat het in Gods te­gen­woor­digheid wordt gedaan; dus breng je voor de geest dat Hij je ziet, dat Hij je kent, dat Hij je liefheeft en bij je is.

Genade...op Zijn tijd

Natuurlijk is iedere Gods­ont­moe­ting genade, niet iets wat je kunt afdwingen. (vgl. het levensverhaal van Nobelprijswinnaar dr. Alexis Carrel die tweemaal in Lourdes een onverklaarbare genezing meemaakte en daarna tot overtuigd geloof kwam, toen hij een keer de basiliek binnen kwam).

Dus...

Ik wil maar zeggen: een parochie wordt alleen maar vernieuwd als ze van een kletsende een biddende gemeen­schap wordt, als de te­gen­woor­digheid van de Heer er centraal staat. In dat verband is aanbidding van het heilig Sacrament zeer belangrijk. Het bewustzijn dat de Heer te­gen­woor­dig is, leidt tot gebed en dat gebed verandert de harten van mensen en opent een gemeen­schap om missionair, evangeliserend, open naar nieuwe mensen te zijn.

Terug