Arsacal
button
button
button
button


Ja, hier ben ik!

Panama city, woensdag 23 januari

Overweging Bezinning - gepubliceerd: woensdag, 23 januari 2019 - 2264 woorden

Woens­dag 23 januari heb ik de catechese gehou­den voor de Neder­landse jon­ge­ren. Hier­on­der is die tekst na te lezen.

1 e catechese - woens­dag 23 januari

“Ja, hier ben ik”

Bedankt!

Jullie hebben in zekere zin “ja, hier ben ik” gezegd door naar de WJD te komen.

Bedankt dat je die stap hebt gezet!

Uit je zelf

Jullie hebben allemaal je eigen redenen gehad om te komen, zoals jullie ook allemaal je eigen weg hebt met God. Een weg met God is ook een weg met anderen, omdat God altijd roept tot ge­meen­schap. Een weg van geloof gaan is dus altijd weg gaan uit jezelf, uit wat je zelf wilt be­scher­men, uit de controle die je zelf wilt hou­den, uit je afzonde­ring en uit je “ik als een afgesloten bastion” om je te openen. Geloven gaat over ver­trouwen.

Loslaten

Het is dus altijd ook loslaten. Als je Jezus wil volgen, kun je gewoon niet meer zeggen: dit is mijn recht, zo ben ik, dus doe ik het zo; dit is wat ik wil, wat ik vind, wat ik fijn vind, dus dat wordt het. Als je een leer­ling van Jezus Christus wilt zijn moet je men­se­lijke zeker­he­den loslaten en zeggen: “Heer, hier ben ik”. “Spreek, Heer, uw die­naar luistert”. “Zegt U het maar”. Durf je dat? Durf je je leven uit han­den te geven aan God?

Zijn liefde ervaren

Het is ook een heel per­soon­lijke weg, omdat God van ieder van jullie houdt met een per­soon­lijke liefde. Mijn moeder zei vroeger wel: “Ik houd van jullie allemaal”, maar dat vond ik nooit erg overtuigend. Want mijn vraag was dan: “Houd je van mij? ” Het waren en zijn - want ze leeft nog - de kleine, per­soon­lijke dingen waarin zij haar liefde naar mij uitdrukt, die me dui­de­lijk maakten en maken dat zij van me houdt. Dat ze blij is als ik er ben, dat ik merk ze me waar­deert, dat ze iets voor me over heeft, dat soort dingen. Zo is het ook met God. Na­tuur­lijk hoor je voort­du­rend zeggen en voorlezen dat God liefde is en van ons mensen houdt, maar het wordt anders als je die liefde zelf ervaren hebt. Dat kan zomaar gebeuren en meestal ervaar je dan ook iets van wat de bestem­ming van je leven is.

Erva­ringen met God

Ik geef een paar voor­beel­den: als kind was ik mis­die­naar, ik heb toen vaker de aanwe­zig­heid van Jezus ervaren bij de consecratie in de Mis (dat is het moment dat brood en wijn het lichaam en bloed wor­den van Jezus Christus, als de pries­ter de woor­den van Jezus bij het Laatste Avondmaal herhaalt). Toen de puber­teit kwam werd het bij mij allemaal iets minder wat het geloof betreft, tot het moment dat ik een boek zat te lezen waarin de zinloos­heid van het leven en alles wat daarbij hoort, sterk naar voren kwam; het speelde zich af in de tweede wereld­oor­log: “Tranen der acacia’s” van de atheïst W.F. Hermans. Mis­schien heb je van het boek of de schrijver gehoord. Toen kwam over me heen - het was meer een erva­ring dan een redene­ring -: zo is het niet! Het leven is niet zinloos en doelloos, God bestáát en als Hij bestaat moet ik me in Zijn dienst stellen. Het was het moment dat voor mij dui­de­lijk was dat ik pries­ter zou wor­den. Als je weet wat je doel en je roe­ping is in het leven, ben je veel doel­ge­richter bezig en loopt je hele leven beter. Zo heb ik dat toen ook ervaren.

Een van de vorige wereld­jon­ge­ren­da­gen was er een niet-katho­liek meisje bij, dat zo’n zelfde soort erva­ring had tij­dens de avond van barm­har­tig­heid. Zij is katho­liek gewor­den en ik heb een paar weken gele­den haar eerste geloften afgeno­men in de kloosterorde waar zij nu is. Ik heb het vaker van jon­ge­ren gehoord, vaker ook dat het tij­dens die avond van barm­har­tig­heid voor het Aller­hei­ligste gebeurde: dáár heb ik God ontmoet.

Een andere jongen was heel natuurweten­schap­pe­lijk bezig was in zijn denken, alles was verk­laar­baar of moest men­se­lijk bere­deneerd wor­den. Hij kwam toevallig in een kerk waar de lofzang van Maria werd gezongen (over haar klein­heid en nede­rig­heid en de groot­heid van God) en ineens sloegen die woor­den bij hem in als een soort gees­te­lij­ke bom. Wie kan dit verklaren? In ieder geval had hij er geen weten­schap­pe­lijke redene­ring voor klaar liggen.

Af en toe raakt God dus mensen aan, daar is na­tuur­lijk in die mensen iets waardoor ze er open voor staan, ergens zal er iets van een verlangen zijn, een verlangen naar ant­woor­den, naar vervulling, naar begrijpen...

Maar je geloof kan na­tuur­lijk ook gewoon rus­tig en orga­nisch groeien, zonder omwen­telende erva­ringen; voor ieder is het anders...

Roeping en bestem­ming

Trouwens: niet dat jullie nu allemaal pries­ter of zuster moeten wor­den, na­tuur­lijk niet, al zou het wel fijn zijn als een paar van jullie die roe­ping ont­vingen en er voor gingen. Dat is een prach­tig teken in onze tijd. Maar ook als je wat anders gaat doen: ik ontmoet nog gere­geld jonge en al wat oudere mensen die naar de Wereld­jon­ge­ren­da­gen zijn geweest en me daarover ver­tellen als over een erva­ring die hun leven heeft veranderd. Ik hoop dat jullie ook zo’n mooie erva­ring hebben, waardoor je leven mooier en rijker wordt. We hebben dat hard nodig omdat onze eigen maat­schap­pij, de samen­le­ving waarin we leven vaak heel ver van God af staat. Het is vaak vooral: ieder voor zich. Jullie ademen continu een heel seculiere lucht in en daar word je niet erg gelovig van!

Spreek, Heer!

Heel vaak wordt er in onze jeugd al een basis gelegd of een roe­ping gegeven. Denk bij­voor­beeld ook maar aan de jonge Samuël uit het Oude Testa­ment die in de tempel sliep en ’s nachts tot drie keer toe zijn naam hoorde roepen. Hij wist nog niet wat dat was en betekende, totdat Eli hem zei dat hij moest ant­woor­den: “Spreek, Heer, uw die­naar luistert” (1 Sam. 3, 9-10).

En dat is nog steeds hét ant­woord. Niet te gauw doen wat in je opkomt, wat je nu eenmaal zelf graag wil mof wat je denkt te moeten doen; probeer je eerst even een beetje neutraal te maken, een soort bereid­heid in te oefenen en een open­heid om dit te doen of juist iets heel anders; sta open en zeg: “Spreek, Heer, uw die­naar luistert”.

Blok­kades

Het gaat er uit­ein­delijk niet om wat je zult wor­den, het gaat erom dat je je levensbestem­ming vindt, je levensroe­ping en dat je die kunt volgen, dat is jouw weg om gelukkig te wor­den en vervulling te vin­den, ook als die weg mis­schien niet zo ge­mak­ke­lijk is. Je hebt er een bij­zon­dere genade voor nodig van God. Want er zitten ook allerlei blok­kades in ons hart: dit wil ik wél, dit wil ik niet. Mensen willen hun eigen gang gaan. Maar je wordt gelukkig als je Gods wil doet.

Die blok­kades kunnen van alles zijn. Het kan zijn dat je met bepaalde dingen worstelt, bij­voor­beeld je zelf­beeld, je seksua­li­teit, je relaties met anderen, je ouders, een versla­ving of wat dan ook. Het kan zijn dat je zit met haat, niet kunnen ver­ge­ven, boos­heid, jaloezie, noem het maar op. Dat maakt voor God niet uit. Je bent niet minder omdat je worstelt met dit of met dat en ook niet wanneer het mis­schien allemaal niet zo goed lukt als je ergens zelf wel zou willen. Mis­schien dat je dan denkt: ik kan niet anders, zo ben ik nu eenmaal, God moet me maar ac­cep­teren zoals ik ben en mis­schien wil je er dan maar in berusten, er niet meer mee gaan vechten.

God moet me maar ac­cep­teren...

“Hij moet me maar ac­cep­teren...”. Dat doet Hij ook, God houdt van je onvoor­waar­de­lijk, niet omdat je bepaalde pres­ta­ties hebt geleverd en je zo verschrikke­lijk perfect bent. God houdt meer van jouw nede­rig­heid dan van jouw perfectie.

“God moet me maar ac­cep­teren zoals ik ben”. Je hebt gelijk en dat doet Hij ook. Maar na­tuur­lijk leeft er ergens in je hart een verlangen om een mooi en stralend kind van God te zijn en zou je iets willen bereiken. We willen allemaal graag goed zijn en goed gevon­den wor­den. Toch is het eerste wat we moeten doen: ons­zelf aan­vaar­den zoals we zijn, eer­lijk en open: dit ben ik en dit is mijn strijd, mijn worsteling. God heeft je die worsteling gegeven, ook die zaken waar je ergens mis­schien niet zo blij mee bent, horen erbij.

Al val je duizend keer...

Het maakt niet uit dat je worstelt, het maakt uit­ein­delijk ook niet uit of je valt in iets waar je niet trots op bent, sta op, sta honderd keer op - nee: tot zeven­tig maal zeven maal (Mt. 18, 22), want zo vaak moet je een ander ver­ge­ven, dus zo vaak moet je ook jezelf ver­ge­ven; zeven­tig maal zeven maal betekent: onein­dig vaak - sta op en ga verder! “Luctor et emergo” zeggen ze in Zeeland: “Ik worstel en kom boven”. Je moet dus wel worstelen. Strij­den. Het worstelen met iets, heeft een eigen bete­ke­nis voor je. Alleen dode vissen laten zich op de stroom mee­drij­ven. Wees geen dode vis, maar spar­tel en spring, ook tegen de stroom op. Je krachten wor­den alleen sterker als je spar­telt en springt. Wees niet ongedul­dig, ook niet met jezelf.

Een gewone, gewonde mens

Be­lang­rijk is daarbij dat je met heel je hart probeert te zeggen: “Heer, hier ben ik. Wat wilt U dat ik doe?” OK, Heer, U ziet dat ik het niet kan. Wat ben ik uit­ein­delijk nou helemaal? Zo heb U mij gemaakt en laten wor­den, mis­schien ook langs allerlei levens­er­va­ringen heen, maar geef mij de kracht van uw genade!

Dus je eigen erva­ring van niet perfect te zijn, je onmacht, je klein­heid, jouw weer-opnieuw-in-het­zelfde vallen, je rot­ge­voe­lens: ze zijn je gegeven in ieder geval om je te helpen om naar jezelf te blijven kijken als een gewone, gewonde mens en vooral om meer de hulp van Gods genade te gaan zoeken en daarop te ver­trouwen.

God kennen?

Er zijn veel mensen die niet in God geloven, die Hem niet kennen. Hoe kunnen ze ook in Hem geloven als ze hem niet kennen? En met “kennen” bedoel ik niet dat ze nooit van God gehoord hebben, dat heeft eigen­lijk ie­der­een na­tuur­lijk weleens, maar we hebben ook weleens van Jupiter en Zeus gehoord of van andere goden, zonder dat bij ons zelfs maar de gedachte is op­ge­ko­men om daar in te gaan geloven. God “kennen” wil zeggen dat je ook weleens iets van God hebt ervaren, dat er iets in je hart resoneert, al stond de deur naar de kennis van God mis­schien ook maar op een klein kiertje.

Een band

Er zijn allerlei pro­gram­ma’s over mensen die zoeken naar hun bio­lo­gische vader, die ze niet kennen. Hoe kunnen ze hou­den van een Vader die ze niet kennen? Soms hebben ze hem geïdealiseerd en valt het vies tegen. Dan komt een eerste kennis­ma­king, maar ook dan kennen ze hun vader maar een klein beetje, er is geen band, mis­schien komt dat nog of valt die vader toch nog tegen en blijft het bij een kort contact. Bij God hoef je voor dat laatste niet zo bang te zijn. Hoe beter je Hem leert kennen, hoe meer Hij voor je kan betekenen en je een band krijgt. Mocht het eens tegen vallen, raad ik aan om het toch opnieuw te proberen.

Ontmoe­diging en leegte

Want het is de moeite waard om met Hem een band aan te gaan. Zeker, er komen vragen en op een gegeven moment voel je je weleens als in een woes­tijn: dor en leeg. Ook door die woes­tijn moet je heen. Waar wij denken dat het niks zal wor­den, dat het zinloos is om verder te gaan en te blijven ver­trouwen, daar zal Hij een God van verras­singen blijken te zijn. Denk dan bij­voor­beeld maar aan het Oude Testa­ment. Mozes trok weg uit Egypte met het volk van de Joden. Steeds opnieuw wer­den ze verleid om moedeloos te wor­den en het maar op te geven. Na alle plagen in Egypte, toen ze allang dachten: het wordt toch niks, trokken ze dan tenslotte toch weg. Eerst kwamen ze voor een zee te staan, onneem­ba­re blok­kade. Niemand zag het meer zitten. Maar God leidde hen door die zee. En daarna in de woes­tijn, met al zijn kwellingen en problemen, ging Hij voor hen uit, over­dag in een wolkkolom, ’s nachts in een vuur­zuil (Ex. 13, 21-22), tekens van Zijn aanwe­zig­heid, tekens dat we met ver­trouwen onze reis door dit leven kunnen gaan. Dat Hij voor jou een wolkkolom over­dag en een vuur­zuil ’s nachts mag zijn!

Hier ben ik!

Door­gaan, laat je het ver­trouwen niet ontnemen, zeg: “Heer, hier ben ik”. Vecht, neem toe in kracht.

Maria is daarin ons grote voor­beeld. Zij deed dat toen de engel haar leven om kwam gooien: Hier ben ik, Fiat mihi secundum verbum tuum: het mag aan mij gebeuren zoals U mij dat gezegd hebt. Wat een moeder en wat een gelo­vi­ge is zij. En wat een voor­spreek­ster. Dus vraag het gerust aan haar dat je die weg van overgave en ver­trouwen mag gaan om te kunnen zeggen: “Ja, hier ben ik”.

Terug