Arsacal
button
button
button


Er is een positieve relatie R.K. Kerk met Jodendom gegroeid

Nostra Aetate vijftig jaar

nieuws - gepubliceerd: zaterdag, 26 september 2015
Er is een positieve relatie R.K. Kerk met Jodendom gegroeid

In ok­to­ber van dit jaar zal het vijf­tig jaar gele­den zijn dat het tweede Vati­caans concilie de Ver­kla­ring Nostra Aetate aanvaardde, die een nieuwe en po­si­tie­ve relatie van de katho­lie­ke kerk met het Jo­den­dom inluidde. Donder­dag 24 sep­tem­ber werd in Purmerend deze bij­zon­dere ver­jaar­dag her­dacht met een lezing die ik over deze Ver­kla­ring heb gehou­den.

De ver­hou­ding van de katho­lie­ke kerk met het Jo­den­dom heeft zich sinds het tweede Vati­caans concilie gelukkig posi­tief ontwikkeld. Een bestaan vele goede contacten, er is in 1993 een akkoord gesloten met de staat Israël, paus Johannes Paulus II bezocht in 1986 de synagoge in Rome en in 2000 het heilig Land, waarbij hij ver­ge­ving vroeg voor de misda­den jegens het Joodse volk bedreven.Ook paus Bene­dic­tus XVI en paus Fran­cis­cus bezochten het Heilig Land en die bezoeken waren gelegen­he­den tot harte­lijke ont­moe­tingen.

Het kortste do­cu­ment van het tweede Vati­caans concilie (1962-1965) is Nostra aetate. Het vindt zijn oorsprong in een opdracht van paus Johannes XXIII aan het se­cre­ta­riaat voor de een­heid van de chris­te­nen, om een ver­kla­ring voor te berei­den over het Joodse volk. In 1962-1963 werd ver­vol­gens besloten dat het do­cu­ment de ver­hou­ding van de Kerk tot de niet-chris­te­lijke gods­diensten in het alge­meen zou behan­de­len, wellicht om de protesten van Arabische zijde enigszins te dempen. Het eerste ontwerp van de tekst van 1963, handelde op drie inlei­dende zinnen na, nog geheel over het Joodse volk. Na de concilie-sessie van dat najaar werd eerst een uit­ge­breider ontwerp-tekst gemaakt. Deze tekst kon na amende­ring rekenen op vrij algemene waar­de­ring. Omdat de tekst onder de bevol­king van het Nabije Oosten tot zeer hef­tige reacties aan­lei­ding gaf en om tegemoet te komen aan de onder de concilie­va­ders nog bestaande bezwaren, werd de tekst nogmaals herzien. De eind­tekst, die voor het grootste deel over het Joodse volk gaat, kon daarom op een nog grotere instem­ming rekenen.

Min of meer in aan­slui­ting bij Lumen gentium 16 - het concilie-do­cu­ment over de Kerk - wordt ge­spro­ken over de wereldgods­diensten. De opstelling van de Kerk is hierin dat zij al het goede dat in deze gods­diensten aanwe­zig is, prijst en met eerbied beschouwt. De Kerk verkon­digt echter aan allen Christus die alleen de vol­heid van het gods­diens­tig leven kan geven (vgl. NA 2,2; 4, einde).
Een speciaal maar kort nummer (3) wordt gewijd aan de Islam en een lange en uit­voerige para­graaf (4) betreft de Joodse gods­dienst.

Het be­lang­rijk­ste gedeelte van Nostra Aetate is dus gewijd aan het Jo­den­dom. Er spreekt uit dit do­cu­ment een po­si­tie­ve in­stel­ling jegens het Joodse volk en ver­bon­den­heid met de Joodse traditie alsmede een veror­de­ling van anti­se­mi­tisme en iedere vorm van dis­cri­mi­na­tie. De Shoah, de verschrikke­lijke syste­ma­tische uitroeiing van het Joodse volk in de tweede wereld­oor­log heeft voor een schok-effect en een reflectie gezorgd: dit mocht nooit meer gebeuren, maar in hoeverre was de westerse maat­schap­pij en was de Kerk eraan schul­dig geweest dat dit kon gebeuren?
In de ver­kla­ring Nostra aetate over de ver­hou­ding van de Kerk ten opzichte van de niet-chris­te­lijke gods­diensten, vin­den we dan ook een dui­de­lijke veroor­de­ling van iedere vorm van Joden­ver­vol­ging (NA 4,6). De Kerk keurt in Nostra aetate iedere vorm van ver­vol­ging af en betreurt iedere uiting van anti­se­mi­tisme.

Wanneer het concilie hier over het Joodse volk spreekt, wordt dit begrip in de bijbelse bete­ke­nis van het woord gebruikt: het volk dat door God is uitgekozen en waar­mee Hij een verbond heeft gesloten.
In het gedeelte over de Joden wor­den de vele ban­den die de Kerk met de Joodse gods­dienst heeft, genoemd en beves­tigd. De Joodse wor­tels van de chris­te­lijke gods­dienst wor­den gememoreerd. Uit deze waar­de­ring en ver­bon­den­heid wor­den door het do­cu­ment drie con­clu­sie getrokken:
1) bijbelse en theo­lo­gische studies en gesprekken waardoor Joden en Chris­te­nen elkaar beter leren kennen, wor­den aan­be­vo­len;
2) de Joden mogen niet als door God ver­wor­pen en vervloekt wor­den voor­ge­steld; een derge­lijke voor­stel­ling van zaken moet uit katechese en ver­kon­di­ging wor­den geweerd;
3) de Kerk betreurt alle ver­vol­gingen tegen wie dan ook, evenals haat, Joden­ver­vol­gingen en anti­se­mi­tisme. Een derge­lijke ziens­wij­ze is ook uitgedrukt in de ver­kla­ring over de gods­dienst­vrij­heid, Dignitatis humanae nummer veer­tien.

Ten aanzien van het tweede punt kunnen we nog de volgende con­clu­sie trekken uit de tekst van de Ver­kla­ring. Men kan niet zeggen dat het Joodse volk als zodanig schul­dig is aan de mis­daad van godsmoord. In het alge­meen moet men zeggen dat velen van hen in onwetend­heid hebben gehandeld (Hand. 3,15.17). Er is ook in het Nieuwe Testa­ment geen sprake van col­lec­tieve schuld. De verant­woor­de­lijk­heid voor de dood van Jezus wordt niet gelegd bij hen die tot het Joodse volk behoren als zodanig, maar bij de Joden die daarvoor direct of indirect verant­woor­de­lijk voor waren. Immers, de apos­te­len, zelf Joden, sluiten zich­zelf niet in bij degenen die zij schul­dig noemen aan de dood van Christus. Hun verwijten richtten zich tot de inwoners van Jeruzalem. Er is dus geen sprake van col­lec­tieve schuld. Zo ook is alleen te verklaren waarom men zich door berouw en beke­ring uit "dit ontaarde geslacht" kan red­den.

Nostra aetate be­klem­toont de ban­den die de Kerk met het Joodse volk heeft. De Kerk heeft veel aan het Joodse volk te danken aangezien haar wor­tels liggen in hetgeen door het Joodse volk tot ons is geko­men. Dat de Joden aan God zeer dier­baar zijn en blijven, drukt het concilie uit door een tekst uit de Romeinen­brief te citeren: "Al staan zij vijan­dig tegen­over het evan­ge­lie - maar dat is uw winst -, toch blijven zij Gods vrien­den krachtens zijn uit­ver­kie­zing, omwille van de aarts­va­ders. Want God kent geen berouw over zijn genadegaven noch over zijn roe­ping" (Rom. 11, 28-29)
Na­tuur­lijk moeten we de tekst van NA 4 zien tegen het licht van de voorbije wereld­oor­log. Tege­lijk is dit echter een be­lang­rijke stand­punt­be­pa­ling om iedere twijfel aan de hou­ding van de Kerk tegen­over de Joodse gods­dienst weg te nemen. De ver­kla­ring besluit in nummer vijf met een afwij­zing van iedere vorm van dis­cri­mi­na­tie. Er is geen enkel fun­dament voor de bewe­ring dat niet aan iedere mens een gelijke waar­dig­heid zou toe­ko­men en gelijke, daaruit voort­vloei­ende, rechten. Iedere dis­cri­mi­na­tie op grond van ras, huidskleur, stand of gods­dienst wordt ver­oor­deeld. Een derge­lijke veroor­de­ling wordt in de concilie­tek­sten ver­schil­lende keren herhaald.

Na het Concilie werd de Com­mis­sie voor de gods­diens­tige betrek­kingen met het Jo­den­dom opgericht door paus Paulus VI, op 22 ok­to­ber 1974. Twee do­cu­menten van deze com­mis­sie hebben een be­lang­rijke invloed gehad op het denken en spreken over het Joodse volk (ik citeer de oor­spron­ke­lijke Ita­li­aanse titel): Orienta­menti e suggeri­menti per l’applicazione della declarazione conciliare ‘Nostra Aetate’, 1 de­cem­ber 1974 (over: dialoog – liturgie – onder­wijs en opvoe­ding – gemeen­schap­pe­lijke sociale actie; beeld van de Joden) en Sussidi per una corretta presentazione degli ebrei e dell’ ebraismo nella predicazione e nella catechesi della chiesa cattolica, 24 juni 1985.

De vijf­tigste ver­jaar­dag van Nostra Aetate is dan ook zeker een gelegen­heid om met dank­baar­heid te gedenken.

Terug