Arsacal
button
button
button
button


Oecumene: verdeeldheid doet pijn

Oecumenisch symposium in Nieuwveen

artikel_overig - gepubliceerd: donderdag, 27 april 2017
Ds. Arjan Plaisier spreekt
Ds. Arjan Plaisier spreekt
Muzikaal intermezzo
Muzikaal intermezzo
Diaken André van Aarle leidt vragen en het gesprek met de deelnemers
Diaken André van Aarle leidt vragen en het gesprek met de deelnemers

In het protestantse kerkje van Nieuwveen werd op woensdag 26 april een oecumenisch symposium gehouden, georga­ni­seerd vanuit de Protestantse kerk (PKN) en de Rooms Katholieke Clara Franciscus Federatie, de samenwerkende parochies van de regio. Ds. Arjan Plaisier en ik hebben een inleiding gegeven over de de kracht en de pijn van de oecumene. Die pijn was inderdaad voelbaar.

Oproep tot snelle eenwording

Ds. Arjan Plaisier hield een mooie inleiding waarin hij zich liet kennen als een fervent pleitbezorger van oecumene en eenwording van alle christenen. Het bisschopsambt ziet hij niet als een probleem en ook over het paus­schap moet wel overeenstemming kunnen worden bereikt als we voldoende open willen staan naar elkaar. Dat bepleitte hij overigens zonder te gaan voor de gedachte dat iedereen maar water bij de wijn moet doen; het was duidelijk dat hij het christelijk geloof wel zuiver wil houden. Ik heb met veel waardering geluisterd naar zijn woorden en naar zijn antwoorden op de vragen die na afloop werden gesteld.

De heilige communie

Het echte pijnpunt blijkt voor veel protestantse christenen te zitten in het feit dat zij niet aan de communie kunnen deelnemen in de katholieke kerk. Dat kwam in de vragen na afloop duidelijk aan de orde. Naar voren kwam dat een heel aantal van de aanwezige protestanten vaker naar katholieke kerken gaat en dan ook ter communie gaat. Zoals uit mijn lezing (hieronder blijkt) ben ik daar geen voorstander van. Zeker, hierin komt een stukje van de pijn tot uiting van het gescheiden-zijn. We moeten er hard aan werken om die situatie te overwinnen. Maar de heilige communie is niet "los" verkrijgbaar: zij is uitdrukking van voltooiing van de initiatie in de concrete kerk­gemeen­schap, zij wordt ontvangen met geloof en een catechetische en sacramentele voor­bereiding en staat niet los van een sacramententheologie.

Nederland of de wereld?

Er is voorts nog een verschil in perspectief, merkte ik op deze avond. Zelf ben ik bij het thema ‘oecumene’ eigenlijk 'automatisch' met mijn gedachten bij de oecumenische situatie in heel de wereld, terwijl het perspectief van de protestantse gesprekspartners eerder de Nederlandse situatie was en dan vooral de oecumene tussen katholieken en protestanten in Nederland, waar katholieken misschien toch meer nog hun relaties met de in Nederland sterk groeiende Oosterse kerken op het oog hebben.

Ik sluit me in ieder geval aan bij de wens en de dringende bede van ds. Plaisier dat we het kairos-moment moeten weten te 'pakken' en concreet moeten werken aan de spoedige totstandkoming van de eenheid van alle christenen.

Verloop van de avond

De avond werd ge­presen­teerd door ds. Gonja van 't Kruis (PKN) en diaken André van Aarle (RK) en werd opge­luisterd met muziek op orgel, spinet en fluit. Er werd samen gebeden en er werd samen gezongen. Dat was al een mooi stukje oecumene.

Hieronder volgt de lezing, die ik echter niet geheel heb gehouden. Het gedeelte waarin ik kort een aantal mooie concrete verworvenheden van de oecumene bespreek, heb ik op de avond achterwege gelaten, in verband met de tijd.

 

De kracht en de pijn van de oecumene

De impuls van het tweede Vaticaans concilie

De Rooms Katholieke kerk heeft in het tweede Vaticaans concilie de oecumenische opdracht tot speerpunt gemaakt van haar beleid en daarvoor met beslistheid de weg van de dialoog gekozen. Onder die oecumenische opdracht verstaat de katholieke kerk het herstel van de eenheid tussen alle christenen. De verdeeldheid van christenen is in strijd met de bedoeling van Christus , want “één en enig is de Kerk die Christus onze Heer heeft gesticht” (Decr. Unitatis Redintegratio 1). Het concilie heeft daarom geconcludeerd en aanbevolen: “Deze heilige kerk­ver­ga­dering stelt met vreugde vast, dat het deelnemen van de katholieken aan de oecumenische beweging met de dag toeneemt en zij beveelt de beweging aan bij de bisschoppen over de gehele wereld, die haar met voortvarendheid moeten bevorderen en met vooruitziende blik moeten leiden” (Unitatis Redintegratio [UR] 4 in fine).

Hoe kunnen we naar de eenheid toe te werken?

Over de vraag hoe die oecumenische beweging gestalte moet krijgen, heeft dit document het ook (in nn. 6-12). Eerst raadt het concilie aan dat we de hand in eigen Rooms-Katholieke boezem steken: vernieuwing en hervorming van de kerk en innerlijke omkeer (bekering) staan op plaats één. De eenheid van de Kerk is vervolgens vooral een gave van God en dus moet erom gebeden worden, ook samen met christenen van andere kerken en kerkelijke gemeen­schappen (UR 8). Maar het streven naar eenheid heeft ook een menselijk aspect: er is wederzijds contact en begrip nodig (UR 9); wanneer mensen oordelen op afstand zonder elkaar te kennen, gaat het gewoonlijk fout. Dan gaat het over de Marokkanen, de Turken, de vluchtelingen, de protestanten, de katholieken enz. en die bestaan niet... Er is dus een oecumenische houding nodig en dat vraagt vorming om te kunnen spreken en denken in een verzoenende geest (UR 10). En dan komt vervolgens - in die geest - het gesprek over de inhoud en de formulering van het geloof. “Niets staat zo ver af van de oecumenische beweging als een vals irenisme”, stelt de concilietekst. Dus: niet alleen maar zoete broodjes bakken. Die inhoudelijke dialoog is heel belangrijk (UR 11). Tenslotte beveelt het concilie samen­werking van christenen aan, vooral op sociaal gebied.

Deze lijn is later met kracht bevestigd door paus Johannes Paulus II in de Encycliek Ut unum sint (25 mei 1995) .

Banden die ons verbinden

De concrete en feitelijke verdeeldheid van de christenen, hoe goed die het misschien op menselijk vlak ook met elkaar kunnen vinden, wordt dus door de katholieke kerk als pijnlijk ervaren. Dat is de eerste en meest fundamentele pijn van de oecumene. Tegelijk erkent het concilie dat er banden zijn met andere christenen: de fundamentele band is die van het doopsel, andere banden die het concilie noemt zijn die van het geloof, de sacramenten en het kerkelijk bestuur: christenen kunnen daarin meer of minder één zijn met elkaar en die banden maken dat een kerk of kerkelijke gemeen­schap dichterbij de katholieke kerk staat of juist wat verder ervan af. Maar er is nog een ander aspect en dát is uiteindelijk het meest belangrijk en voor de Heer doorslaggevend: dat is de vraag of je de Geest bezit en in de liefde volhardt en dat is dan weer een aspect dat dwars door alle gemeen­schappen heen gaat (vgl. LG 8 en 14). We zouden dat de oecumene van het hart kunnen noemen.

Pijn­punten

Misschien zal ik nu eerst maar enkele pijn­punten noemen - die zijn voor ons het moeilijkste - , zodat ik met de positieve punten, de kracht van de oecumene, kan eindigen.

Wat is het doel van oecumene?

Een eerste pijnpunt voor mijzelf en voor de katholieke kerk is dat lang niet iedereen hetzelfde onder oecumene verstaat. Voor vele christenen en gemeen­schappen is het eigenlijk wel voldoende als we goed met elkaar omgaan - dat willen we natuurlijk allemaal - en dingen samen doen, maar de interesse om inhoudelijk in gesprek te gaan is er veel minder.[1]

De katholieke kerk is geen lid van de Wereldraad van Kerken maar wordt sinds 1968 (Uppsala) als waarnemer uitgenodigd (vgl. Oecumenisch Directorium nn. 169-171). Zij is wel in veel landen lid van de nationale en plaatselijke Raad van Kerken en binnen de Wereldraad is zij onder meer lid van de commissie Faith and order waar het theologisch gesprek binnen de Wereldraad wordt gevoerd. De katholieke kerk heeft het altijd betreurd dat die dialoog - naar haar aanvoelen - te weinig een rol speelt buiten deze commissie, want een akkoord over de inhoud van het gemeen­schappelijk geloof is naar katholieke overtuiging noodzakelijk om werkelijk één te worden.

Relativisme: Wat is waarheid?

Kardinaal Jozef Ratzinger heeft als prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer en later ook als paus Benedictus XVI bij verschillende gelegenheden het relativisme aangeklaagd, dat hij de ware godsdienst van de moderne mens noemde. Het bekendste document waarin dat gebeurde was de Verklaring Dominus Iesus (6 aug. 2000). Relativisme houdt in dit verband in dat je niet zozeer op zoekt gaat naar de waarheid, een objectieve geopenbaarde waarheid, maar dat je meer kijkt naar waar je jezelf goed bij voelt. De gedachte is dan: ieder heeft zijn of haar eigen weg, eigen geloof en we moeten ieder in zijn waarde laten. Daar zit veel in, maar ook iets niet. In die modus kun je bijvoorbeeld ook de heilige Schrift lezen: ik geef er mijn interpretatie aan, ik lees het zoals ik er mij goed bij voel, zoals ik het versta, zonder te gaan staan binnen de manier waarop die passage binnen de Kerk altijd gelezen en verstaan is. Daar komt bij dat iemand dan eigenlijk verdacht gevonden wordt als hij of zij "claimt" de waarheid te bezitten of te kennen. Maar het gaat om iets dat ons in Gods openbaring gegeven is, is toevertrouwd. De schouderophalende vraag van Pilatus in het lijdensverhaal: “Wat is waarheid?”, is ook in de gedachten van de mensen van onze dagen aanwezig: Wat maakt het uit? Wie zal kunnen zeggen of beoordelen wat waar is? Laat iedereen maar gelukkig worden in zijn eigen geloof (of niet). Natuurlijk, als we concreter dóórvragen, bijvoorbeeld over vrouwenrechten of sharia-rechtbanken, zal heus wel weer tot uiting komen dat ook mensen van onze tijd niet alles even goed en waardevol vinden.

Geloofs-inhoud of alleen goede verhoudingen?

Als uitgangspunt binnen de oecumene is een zeker relativisme tamelijk gangbaar geworden, een belangrijke reden waarom Dominus Iesus op veel kritiek stuitte. Het eerste pijnpunt voor de Rooms-Katholieke kerk is dus dat met name in de relatie met de westerse christenen de oecumene te weinig geloofs-inhoudelijk is en blijft steken op het niveau van de goede verhoudingen (die natuurlijk ook belangrijk zijn).

Deelnemen aan de heilige communie

Een heel concreet voorbeeld daarvan is het pushen om te kunnen deelnemen aan de heilige communie of dat gewoon maar doen, waarbij iemand die dat niet ziet zitten ook nog eens een heel negatief stempel krijgt opgedrukt. In de aandrang die vaak op de Rooms-Katholieke kerk wordt uitgeoefend om bijvoorbeeld dominees en andere protestantse christenen ter communie te laten gaan, komen de theologische, geloofsinhoudelijke vragen eigenlijk niet of nauwelijks aan de orde, de pressie ligt meestal meer in de relationele sfeer en in de overtuiging dat iedereen, katholiek of niet, dat zelf mag weten. Een mogelijk positief persoonlijk ervaren van de communie zou dan voldoende moeten zijn, niet de vraag naar het verstaan van de Eucharistie en de betekenis van het wijdingspriester­schap; wat de dominee na afloop van het avondmaal met het avondmaalsbrood doet, wordt evenmin als relevant ervaren. Dat is mijns inziens niet de sfeer en het klimaat van de dialoog. Uitgangspunt voor de oecumene moet zijn een respect voor elkaars kerk. Ik ervaar zo’n situatie als pijnlijk, terwijl ik een dominee die terughoudend is juist als respectvol - ook naar die geloofsinhoudelijke kant toe - ervaar. Zo’n respectvolle houding naar elkaar toe, geeft ook meer openheid om elkaar als christen, als gelovige mens op de weg van de navolging van Jezus Christus te herkennen.

De sprakeloosheid van katholieken

Wat ik evenzeer als een pijnpunt ervaar is dat in mijn eigen katholieke kerk zo weinig kennis en bewustzijn van het katholieke geloof bestaat en dat ik veel te weinig katholieken tegen kom die oprecht en serieus zoeken naar God en naar verdieping van hun geloof. Nu kan ik daarover natuurlijk niet echt oordelen - ik kan niet in de harten van mensen kijken - maar ik doel op wat mgr. Gerard de Korte vaker de ‘sprakeloosheid’ van katholieken heeft genoemd, gepaard met gebrek aan interesse in een “spraakles” om die sprakeloosheid te overwinnen . Een bijbel- of catechese­groep trekt in een katholieke parochie vaak maar een handjevol mensen (daar zijn gelukkig uitzonderingen op). Ik heb de indruk dat katholieken hierin oppervlakkiger zijn dan protestanten. Het is niet alleen mijn indruk, want uit onderzoeken komt dat de teruggang bij de protestanten numeriek wel sterker is, maar dat katholieken meer geseculariseerd zijn, ze zich weinig onderscheiden van andere, niet-godsdienstige mensen. Dan ben ik weleens een beetje jaloers op de protestanten. Het is niet voor niets dat de meest stevige katholieken vaak bekeerde protestanten zijn en dat er ook onder de priesters tegenwoordig heel wat zijn die een protestantse achtergrond hebben en katholiek geworden zijn.

Wordt het nog wat?

Als ik deze zaken overweeg, komt het vaker in me op dat we geen stap vooruit komen in de oecumene, maar ik denk toch dat dat niet waar is, want er is meer dan relativisme, drammerigheid en onwetendheid. Er zijn ook vele prachtige ontwik­ke­lingen; en oecumene is nu eenmaal een soort springprocessie: twee stappen vooruit, één achteruit. Maar we gaan wel vooruit. Daarover straks meer.

We komen dichter bij elkaar!

Ik zit er persoonlijk niet op te wachten dat protestanten allerlei gebruiken uit de katholieke kerk overnemen, zoals stola’s, albes, olie, kaarsen, wierook en andere zaken; als het gaat om een nabootsing van sacramenten, zoals bij een ziekenzalving, ben ik daar zelfs bepaald niet gelukkig mee. Volgens mij zit groeien naar eenheid niet in het overnemen van gebruiken en riten, los van de sacramententheologie, de ecclesiologie en het geloof die daarmee verbonden zijn. Maar ik vond het wel weer verrassend en zelfs sympathiek dat een reformatorische jongen als Tijs van den Brink een Heilig Hartbeeld in zijn programma gebruikt en eens zelfs inlevend aan een vrouwelijke gesprekspartner in ‘Adieu God?’ vroeg of zij het al eens met Maria had geprobeerd toen deze vrouw bekende het moeilijk te vinden om tot God de Vader te bidden. En diaken André van Aarle attendeerde me op een theologenblog van Wim de Bruin in het Reformatorisch Dagblad, een mooie tekst waarin De Bruin zich keert tegen een zogenoemde ‘lage sacramententheologie’, die tamelijk ‘doenerig’ is en onder verwijzing naar de geschriften van Ignatius van Antiochië, bisschop in de eerste eeuw, pleit voor een ‘hogere sacramententheologie’, zoals hij dat noemt, die voor de bediening van het avondmaal vasthoudt aan een ambtsdrager die Christus vertegen­woor­digt. In zijn blog komt duidelijk naar voren dat minder het leren in een dienst als wel het vieren in Gods tegenwoordigheid voor hem voorop is komen te staan. Dit is iets dat ik herken. Er is meer gevoeligheid gekomen voor de aanwezigheid van God, voor de betekenis van de sacramenten in deze zin, voor het feit dat niet alles in woorden kan worden uitgezegd en afgemeten, maar dat de ervaring van Gods tegenwoordigheid ons vaak meer te zeggen heeft dan duizend woorden. Het lijkt me dat bijvoorbeeld ook de Gemeen­schap van Taizé een plaats heeft in deze tendens. Door Taizé komen jonge mensen anders een kerk binnen. Die kerk is niet “zomaar een dak boven wat hoofden”, hoe simpel en eenvoudig de kerkruimte van Taizé ook is, het gaat daar om de Heer die door Zijn Geest bij ons is, om het verkeren in Zijn tegenwoordigheid, die door de bijna mantra-achtige gezangen in Taizé haast voelbaar wordt gemaakt.

Verdwijnen van sacraal besef bij katholieken

Aan de andere kant moet ik met een zekere treurnis constateren dat dit besef bij vele in de kerk koffie drinkende katholieken tamelijk is verdwenen. Niet zelden tref ik in onze eigen kerk­gemeen­schap weinig sacramenteel geloofsleven aan. Inderdaad lijkt het koffie drinken na afloop van de viering - het ‘achtste sacrament’ wordt het ook wel genoemd - soms het belangrijkste. Met name in sommige vergrijsde gemeen­schappen is het accent komen te liggen op het gezellig samenzijn, waardoor nieuwe mensen eigenlijk ook niet welkom meer zijn. Dat is kerk-wij-samen in de minst gelukkige betekenis van die uitdrukking. Ik heb overigens niets tegen koffie drinken.

Was er vroeger oecumene?

De katholieke kerk is eigenlijk altijd wel oecumenisch geweest, maar die oecumene beperkte zich lange tijd tot de oosterse kerken. Met hen zijn herenigingsconcilies gehouden in Lyon (1274) en Florence (1439) die misschien niet erg succesvol zijn geweest, maar wel een uiting zijn van oecumenisch gesprek. Tevens zijn er bepaalde groepen oosterse christenen die de eenheid met de paus hebben hersteld, de zogenoemde “geünieerden” waarover in de relaties met de Orthodoxe kerken vaak moeilijkheden zijn.

De protestantse christenen zijn door de katholieke kerk lang benaderd zoals paus Pius IX deed aan de voor­avond van het eerste Vaticaans concilie: Laten degenen die de eenheid en de waarheid van de katholieke kerk niet bezitten de gelegenheid van dit concilie aangrijpen... om zich te ontrukken aan een toestand waarin zij van hun heil niet zeker kunnen zijn (“...ab eo statu se eripere studeant, in quo de sua propria salute securi esse non possent” Apostolische brief Iam vos omnes, 13 sept. 1868, in: DzH 2999). De bood­schap was dus: Protestanten, keer terug van jullie wegen!

Oecumene nu in oost en west

Die houding is er nu zeker niet meer, maar een verschil in benadering is gebleven tot op de huidige dag. Zo publiceerde paus Johannes Paulus II enkele weken voor de grote Encycliek over de oecumene Ut unum sint (25 mei 1995) een Apostolische Brief Orientale lumen (2 mei 1995) over de relatie met de oosterse kerken, met daarin enkele concrete voorstellen voor een proces van eenwording. Dit verschil in benadering heeft te maken met het feit dat de katholieke kerk de Oosterse kerk met een iets ander oog bekijkt dan het westers protestantisme, zoals ook blijkt uit het concilie­document Unitatis Redintegratio dat onderscheid maakt tussen beide groepen christenen door aan beiden een eigen hoofdstuk te wijden (vgl. LG 15). De Oosterse Kerken worden door het tweede Vaticaans concilie echte Kerken (“verae sunt Ecclesiae particulares... desit plena communio”) genoemd omdat zij de apostolische successie - het doorgeven van het bisschopsambt door handoplegging en gebed vanaf de tijd van de apostelen - hebben en alle zeven sacramenten kennen en die - naar katholieke opvatting - geldig vieren; protestantse gemeen­schappen worden daarentegen kerkelijke gemeen­schappen genoemd, omdat zij veel positieve trekken van kerk-zijn hebben (de term “kerkelijke gemeen­schappen” is allereerst uitdrukking van een positieve benadering van deze gemeen­schappen), maar het bisschopsambt en wat katholieken zien als de volledige gestalte van het Eucharistisch mysterie, niet kennen. De leden van deze gemeen­schappen zijn echter door het Doopsel in Christus in de kerk opgenomen, zij zijn christenen, broeders en zusters in Christus, en zo is er een echte communio, een echte gemeen­schap met Jezus Christus en in Hem met elkaar, zo beklemtoont het tweede Vaticaans concilie.

Dialoogprocessen

De katholieke Kerk heeft dus in het tweede Vaticaans concilie eenduidig de weg van de dialoog gekozen. Met allerlei kerken en gemeen­schappen is “Rome” (of nauwkeuriger gezegd: de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Eenheid van de Christenen) dialoogprocessen aangegaan. Het ene proces is beter geslaagd dan het andere, maar hier zijn toch mooie resultaten te noteren.

In het algemeen kunnen we zeggen: hoe ouder een kerk waarmee door die Pauselijke Raad zo’n dialoog is gevoerd, hoe groter het resultaat. Dit hangt samen met het feit dat de inhoudelijke verschillen tussen kerken en gemeen­schappen groter zijn naarmate de scheuring of het uiteen groeien later in de geschiedenis heeft plaats gevonden. De grootste eenheid ervaart de Rooms Katholieke kerk in feite momenteel met de oude oosterse kerken, die in de tijd van het concilie van Chalcedon (451) een eigen weg zijn gegaan.

De relaties van de katholieke kerk met deze oude oosterse kerken zijn over het algemeen goed.

Relaties met de oude oosterse kerken

Het gaat onder meer om de Koptisch-orthodoxe kerk, de Apostolisch Armeense Kerk, de Orthodox Malankaarse kerk, de Assyrische Kerk van het oosten, de Ethiopische en Eritrese patriarchaten. Deze kerken hebben in de vijfde, zesde eeuw moeilijkheden ondervonden, in de periode van het Nestorianisme en het Monofysitisme, maar die christologische problemen zijn nauwelijks meer aan de orde. Met verschillende kerkelijke leiders hebben de pausen gemeen­schappelijke geloofsbelijdenissen afgelegd, die getuigen van eenheid op de punten die vroeger hevig werden betwist.

Zo is er een Gemeen­schappelijke Verklaring van paus Johannes Paulus II en Katholikos Karekin I van de Apostolisch Armeense kerk van 13 december 1996 over de vereniging van de Goddelijke en menselijke natuur in Christus (de modo unionis verbi Incarnati). De verhouding met de katholikossaten van Etchmiadzine en Antélias zijn goed, zoals is uitgedrukt door het bezoek van paus Franciscus aan Armenië, na een eerder bezoek van paus Johannes Paulus II in september 2001. Ook overigens zijn de verhoudingen goed en de gewoonte is ontstaan dat een nieuw hoofd van de Armeense kerk spoedig op audiëntie gaat bij de paus. De enige reden die feitelijke eenwording in de weg staat lijkt momenteel het nationale karakter van de Armeense kerk te zijn.

Ook met de Assyrische kerk van het Oosten, die onder meer in Irak present is, werd een mooie oecumenische weg gegaan. In 1994 (11 november) werd al een gemeen­schappelijke verklaring uitgegeven over de Christologie door paus Johannes Paulus II en Patriarch Mar Dinkha IV. Op 17 januari 2001 heeft de Congregatie voor de Geloofsleer de geldigheid van de anafora (Eucharistisch gebed) van Addai en Mari aanvaard, die in deze Kerk wordt gebruikt. Deze stap opende de weg naar grotere deelname aan elkaars sacramenten, met name ook de heilige communie. Ook hier zijn concrete gesprekken geweest over volledige eenwording met de katholieke kerk.

De Chaldeeuwse Kerk is de katholieke tegenhanger van deze Asysrische kerk van het Oosten.

Relaties met de orthodoxe kerken

De oude oosterse kerken staan dus het dichtste bij de katholieke kerk, dan volgen de orthodoxe kerken, waarmee een breuk tot stand kwam in 1054 (algemeen bekend onder de naam van Oosters schisma). Gelukkig is de dialoog weer hernomen nadat verschillende moeilijke hobbels zijn overwonnen, zoals de kwestie van de zogenaamde “Uniaten”: oosterse gemeen­schappen die zich met Rome hebben verzoend met behoud van hun eigen oosterse ritus. Dat Rome hen heeft toegelaten roept veel weerstand op, net als de oprichting van katholieke bisdommen in traditioneel orthodoxe gebieden. De gemengde inter­nationale commissie voor de theologische dialoog tussen de R.K Kerk en de orthodoxe kerk komt weer regelmatig bijeen en heeft in het afgelopen jaar een plenaire sessie gehad over primaat­schap en synodaliteit.

Met de orthodoxe christenen is de geloofs-inhoudelijke eenheid groot, zoals ik onlangs weer mocht ervaren op een symposium over Maria met oosterse christenen dat in Heiloo werd gehouden. Hun deelname aan de sacramentsprocessie in Amsterdam en in het algemeen: de goede verhoudingen, zijn mooie tekenen, al zijn de relaties met de ene nationale orthodoxe kerk gemakkelijker dan met andere. Ik was eens uitgenodigd aan tafel bij de oecumenisch patriarch Bartholomeus. Ik stond ervan te kijken hoezeer hijzelf en zijn staf van bisschoppen meeleefde zelfs met de kleinere binnenkerkelijke aangelegenheden van de katholieke kerk. Ik heb aan dat bezoek een groot gevoel van hartelijke verbondenheid en eenheid overgehouden.

Relaties met Anglicanen en Lutheranen

Inhoudelijk iets minder dicht bij de rooms-katholieke traditie staan de Anglicanen en de Lutheranen. We komen nu bij de tijd van de Reformatie in de zestiende eeuw. Met Anglicanen en Lutheranen zijn belangrijke dialogen gevoerd die tot gedeeltelijke overeenstemmingen hebben geleid, zoals bijvoorbeeld over de rechtvaardigingsleer, die precies twintig jaar geleden werd afgesloten (Lutherse Wereldfederatie, Gemeen­schappelijke Verklaring over de rechtvaardiging, 1997, in: La DC 79 (1997) pp. 875-885). De Verklaring over die rechtvaardigingsleer is op 31 oktober 1999 plechtig getekend in Augsburg, na dertig jaar oecumenische en theologische dialoog. Het is geen totaal-consensus, er blijven nog aspecten over die nader besproken moeten worden en de ontvangst van de Verklaring binnen de Evangelisch Lutherse Kerk was niet onverdeeld enthousiast. Toch was het een belangrijke stap want juist rond dit thema is de Reformatie begonnen.

Met de Anglicanen is een belangrijke dialoog gehouden, binnen ARCIC, die tot mooie resultaten leek te leiden. Vervolgens zijn binnen de Anglicaanse gemeen­schap nieuwe stappen gezet - met name de toelating van vrouwen tot het gewijde ambt - die juist tot grotere verwijdering hebben geleid en blijk geven van een andere meer functionele ambtsopvatting, meer uitgaand van de positie dat de vrouw, die immers gelijk­waardig is aan de man, dit ambt zeker zo goed kan uitoefenen. Dat is in zeker opzicht waar, maar voor de katholieke traditie gaat het bij het priester­schap om een sacramentele representatie van Christus als bruidegom van zijn bruid, de Kerk; grote groepen Anglicanen zijn daarop overgegaan naar de katholieke kerk.

Dialoog met Protestantse gemeen­schappen

Met andere protestantse groepen zoals Methodisten, Calvinisten en anderen zijn door “Rome” weliswaar dialogen gevoerd, maar door de meer decentrale structuur van deze gemeen­schappen, de onderlinge verschillen en grote versplintering is het moeilijker om tot breed gedragen resultaten te komen.

Elkaar herkennen als christenen

Kortom, er is sinds het tweede Vaticaans concilie heel veel gebeurd en alleen al uit deze niet-complete opsomming wordt duidelijk dat de katholieke kerk serieus werk heeft gemaakt van haar oecumenische opdracht. Er is veel gebeurd en veel bereikt, maar wonden die in eeuwen geslagen zijn, laten zich niet in vijftig jaar helen. Bovendien gaat het om opvattingen van mensen die hun diepste innerlijke overtuiging raken.

Oecumene gaat in de praktijk eigenlijk het best waar wij elkaar als gelovigen herkennen, door dat we van elkaar merken dat we gelovige mensen proberen te zijn, biddend, Christus navolgend, bewust met het geloof omgaand, recht­schapen handelend, met de liefde als wapen.

Wie heeft schuld aan de verdeeldheid?

Wie heeft er meer schuld aan de verdeeldheid? Ik weet het niet en het helpt misschien ook niet erg om al te veel om te kijken. Voor wat de katholieken betreft: ik denk dat we er geen moeite mee hebben te erkennen dat we zelf de waarheid hebben verduisterd, met name door de waarheid niet te doen. De zonde, verkeerd - onchristelijk - handelen maakt niet herkenbaar dat het gaat om de kerk van Christus.

Paus Johannes Paulus II heeft dat publiek uitgesproken in de zogenaamde “Mea culpa”-tekst, ter voor­bereiding op het jaar 2000. Het tweede Vaticaans concilie heeft de schuld in feite beleden door in het belangrijkste document van die kerk­ver­ga­dering, de dogmatische constitutie Lumen Gentium (LG 8) te stellen dat de kerk van Christus “zich bevindt in” (subsistit in) de katholieke kerk, daarbij expliciet aangevend dat door de zonde niet alles kerk van Christus is wat binnen de katholieke kerk te vinden is en dat er zich veel elementen van kerk-zijn buiten die rooms katholieke kerk bevinden.

Gemeen­schapsgevoel of persoonlijke beleving

Bij dit alles speelt mijns inziens ook wel een rol dat een katholiek zich meer onderdeel van een gemeen­schap voelt - en dan is het geloof minder een direct lijntje en meer een groepsgebeuren - en dat het bij een protestant meer gaat om zijn of haar persoonlijke beleving en relatie. Dat is uitdrukking van de antropologische wending die sinds de late middeleeuwen heeft plaats gevonden en die in onze tijd helaas doorschiet naar een overdreven individualisme en egocentrisme. En dat is iets wat katholieken zeker van protestanten moeten leren: dat het opbouwen van die persoonlijke relatie met God, het verdiepen van kennis van het geloof en van de bijbel als woord van God, het fundament geeft aan ons bestaan.



[1] Vgl. kard. I. Cassidy in het tijd­schrift van de Pauselijke Raad voor de Eenheid van de Christenen: Service d´information n. 109 (2002/I-II), pp. 47-89.

 

tags: OecumeneArjan PlaisierIntercommunie
Terug