Arsacal
button
button
button
button


Maria, onze Moeder, het achtste hoofdstuk van Lumen Gentium

Overwegingen over de Kerk 8

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 8 november 2015 - 1965 woorden
Maria, beeld van de voltooide Kerk
Maria, beeld van de voltooide Kerk

Op 8 de­cem­ber 2015 is het vijfitg jaar gele­den dat het tweede Vati­caans concilie werd afgesloten; bij die gelegen­heid zal het heilig Jaar van de barm­har­tig­heid wor­den geopend. Hier­on­der volgt het laatste deel van een serie over­we­gingen over het meeste be­lang­rijke do­cu­ment van dit concilie. Het laatste gedeelte van de dog­ma­tische con­sti­tu­tie over de Kerk, Lumen Gentium, gaat over Maria en haar rol in de heilsge­schie­de­nis als Moeder van Barm­har­tig­heid.

Maria, onze Moeder


Het zevende hoofd­stuk van de Con­sti­tu­tie over de Kerk staat stil bij het doel van onze aardse pelgrims­tocht en bij degenen die dit doel hebben bereikt: de heiligen, met wie wij verbon­den zijn in de communio sanctorum en die wij eren en aan wie wij een voor­beeld nemen (LG 48-51). Dit alles culmineert om zo te zeggen in het achtste en laatste hoofd­stuk over Maria, die beeld van de Kerk is en lid van de Kerk, een boven allen uit­mun­tend en heel uitzon­der­lijk lid, dat op een meer verheven en ‘voltooide’ wijze verlost is. Maria is met lichaam en ziel in de hemel opgeno­men. Als wij naar haar opzien, kijken we als van­zelf met verlangen uit naar de ver­rij­ze­nis van het lichaam.

Invals­hoek van het hoofd­stuk over Maria

Aanvanke­lijk was tij­dens het concilie in een eigen con­sti­tu­tie over Maria voor­zien. De invoe­ging van het be­lang­rijk­ste gedeelte daar­van in de Con­sti­tu­tie over de Kerk was op 24 ok­to­ber 1963 in de concilie-aula met een minieme meerder­heid (van veer­tig stemmen) besloten. Daardoor werd de ver­hou­ding van Maria tot de Kerk de spe­ci­fie­ke invals­hoek van wat het concilie over haar zou zeggen. Die doel­stel­ling wordt in Lumen Gentium 54 ver­woordt: het concilie neemt zich voor de taak van Maria in het mysterie van het mens gewor­den Woord en het mys­tieke lichaam te verklaren en in te gaan op de plichten van de mensen tegen­over Maria, de Maria-vere­ring dus. Het gedeelte over de Maria-vere­ring is niet om­vang­rijk: het beslaat de nummers 66 en 67 van de Con­sti­tu­tie. Het grootste gedeelte van het hoofd­stuk over Maria is gewijd aan de zen­ding van de Moeder van God en die is twee­vou­dig: het concilie bespreekt in een eerste gedeelte de bij­zon­dere, ja unieke taak van Maria in het verlos­sings­werk van haar Zoon en in een tweede deel de blijvende rol van Maria als beeld van de Kerk en in de genadebe­mid­deling binnen de Kerk. Het gaat dus om Maria’s unieke mede­wer­king aan de verlos­sing en over haar moe­der­lijke zorg voor haar kin­de­ren. Het accent ligt daarbij niet op titels die aan Maria zou­den kunnen wor­den toegekend, maar om de feite­lijke wer­ke­lijk­heid. De titel “Mede­ver­los­seres” wordt in het geheel niet gebruikt, al wordt er dus wel een thema be­spro­ken waarop je zo’n etiket - vergeef me het woord - zou kunnen plakken; de uitdruk­kingen Mid­de­la­res en Voor­spreek­ster wor­den in het gedeelte over de genade-bemid­de­ling wel even genoemd, maar ook slechts als het ware in het voor­bij­gaan. Niet de titels maar de (heils)wer­ke­lijk­heid staat centraal.

Nieuwe Eva

Maria is de nieuwe Eva. De Con­sti­tu­tie citeert de heilige Ireneüs van Lyon op dit punt: “De knoop van Eva’s onge­hoor­zaam­heid werd door de ge­hoor­zaam­heid van Maria ontward: hetgeen de maagd Eva door haar ongeloof gebon­den had, dat heeft de maagd Maria door haar geloof ontbon­den. Dit helpt ons tege­lijker­tijd om de devotie van paus Fran­cis­cus voor Maria als “Knoten-löserin” (knopen-ontwarster) - een vere­ring die Bergoglio vanuit het Duitse Augs­burg naar Buenos Aires heeft gebracht - beter te plaatsen. Het concilie citeert de kerk­va­ders die Maria de ‘moeder van alle leven­den’ noemen, wanneer zij haar met Eva ver­ge­lij­ken. “De dood kwam door Eva, het leven door Maria”, zegt Hiëronymus (LG 56).
Deze benade­ring van Maria als nieuwe Eva, die door Ireneüs van Lyon (+ 202/212) is uit­ge­werkt (die zelf weer uit de school van de apostel en evangelist Johannes stamde), wordt reeds door Johannes in zijn evan­ge­lie gesug­ge­reerd. In de beide teksten die een bij­zon­dere betrek­king hebben op de mede­wer­king van Maria aan het verlos­sings­werk en haar genadebe­mid­deling, wordt Maria door Jezus aan­ge­spro­ken als “Vrouw”. Het gaat om het evan­ge­lie van Maria en Johannes onder het kruis van Jezus (Jo. 19, 25-27) en om de bruiloft van Kana (Jo. 2, 1-11). Ook Paulus noemt in de brief aan de Galaten niet de naam van Maria, maar spreekt over haar als “Vrouw” en heeft het in dat­zelfde kader over de “vol­heid van de tijd”(Gal. 4,4). Daar­mee wordt een verbin­ding gelegd met het begin van de tijd en met de eerste vrouw, Eva, die in het boek Genesis bijna altijd “de vrouw” wordt genoemd, met uit­zon­de­ring van Gen. 3, 20 en 4, 1 waar de naam “Eva” wordt genoemd en de bete­ke­nis daar­van wordt uit­ge­legd als “moeder van alle leven­den” (Gen. 3,20). In het boek Genesis wordt na de zondeval ook al de eerste heilsprofetie gegeven als een teken dat God zijn schep­ping toch niet in de steek zal laten; in die profetie, die ge­woon­lijk het proto-evan­ge­lie wordt genoemd, en die gericht is tot de slang, de ver­lei­der, speelt “de Vrouw” een be­lang­rijke rol: “Vijand­schap sticht ik tussen U en de vrouw, tussen uw kroost en het hare. Het zal uw kop bedreigen en gij zijn hiel” (Gen. 3,15 ). Deze aanzeg­ging van heil en het verlangen van de mens naar God wordt vervuld “in de vol­heid van de tijd”, het de­fi­ni­tief hoogte­punt in Gods zelfopen­ba­ring. Daar vraagt God door de aartsengel Gabriël een nieuw vrij ant­woord van de Vrouw na het ant­woord van onge­hoor­zaam­heid dat Eva had gegeven. Dat Johannes met het gebeuren in Kana deze verbin­ding legt en dat dit bruilofts­feest een diepere theo­lo­gische laag kent, geeft de evangelist zelf subtiel aan. Het verhaal speelt zich af “op de derde dag”, zonder dat dui­de­lijk is welke dan de eerste en de tweede dag zou­den zijn. Die “derde dag” is een ver­wij­zing naar het Paas­mys­te­rie van de Heer, zoals ook Zijn ant­woord aan Maria dat Zijn uur nog niet geko­men is. Dat uur van Jezus is het uur van Zijn overgang naar de Vader, het uur van Zijn lij­den, sterven en verrijzen, zoals het evan­ge­lie later zelf verk­laart: het uur om uit deze wereld over te gaan naar de Vader (Jo. 13,1; vgl. Jo. 16, 32). Ook het gebruik van woor­den als “open­ba­ring”en “heer­lijk­heid” doet vermoe­den dat het niet gaat om een ‘gewone’ bruiloft, maar dat het om dat over­vloe­dig bruiloftsmaal gaat waar de Heer zelf de bruidegom is: het nieuwe verbond van God met Zijn volk. Aldus verstaan, wordt de impliciete vraag die de moeder van Jezus aan haar Zoon voorlegt - “Ze hebben geen wijn meer” - en de woor­den die zij tot de dienaren spreekt - “Doe maar wat Hij u zeggen zal” - tege­lijker­tijd uitdruk­king van haar unieke mede­wer­king aan het verlos­sings­mys­te­rie en van haar voor­spre­kende rol en moe­der­lijke bemid­de­ling.
Onder het kruis spreekt Jezus Zijn moeder opnieuw aan met de bena­ming “Vrouw”. Hier wordt het moeder­schap van Maria uitgestrekt over heel de Kerk. De bete­ke­nis van de naam van Eva zou volgens Gen. 3, 20 “Moeder van alle leven­den” zijn; maar de ware Moeder van alle leven­den, van allen die her­schapen zijn in Christus, is Maria, zo geeft de Heer hier aan.
Lumen Gentium gaat nau­we­lijks in op deze bete­ke­nis van de beide Jo­han­neï­sche teksten; ze wor­den even genoemd in nummer 58 van de Con­sti­tu­tie. Paus Johannes Paulus II heeft dat later wel gedaan in de Apos­to­lische Brief Mulie­ris Dignitatem, in ver­schil­lende toe­spra­ken en in de En­cy­cliek Re­demp­to­ris Mater.
Het is echter wél deze invals­hoek, die het Concilie heeft gekozen: het thema van het achtste hoofd­stuk van de Con­sti­tu­tie is Maria’s mede­wer­king aan de verlos­sing (deel II) - waaraan nummer 56 het meest expliciet is gewijd - en Maria’s bemid­de­ling van de genade (deel III), die vooral in nummer 62 tot uiting komt, dat als titel heeft mee­ge­kre­gen: “Maria, moeder van de genade”.

Uiting van een per­soon­lijke erva­ring

Hier spelen onze per­soon­lijke erva­ringen een rol, met name de momenten dat we hebben mogen beleven dat Maria wer­ke­lijk een Moeder voor ons was. Maar dat moment dat Jezus Zijn geliefde leer­ling - die wij uit­ein­delijk allen zijn - aan haar toever­trouwt, is ook het moment dat Hij Maria aan ons toever­trouwt: “Zie daar Uw Moeder”. Dit is een uit­no­di­ging aan ons om inder­daad naar Maria toe te gaan, onze vreug­den en ons verdriet met haar te bespreken, haar bescher­ming en hulp te vragen. Zo werd de devotie voor Maria van paus Johannes Paulus II zeer versterkt door de bij­zon­dere gebeur­te­nissen die hij in zijn leven meemaakte. Een erva­ring die de devotie van deze paus voor de Moeder van God na­tuur­lijk zeer heeft versterkt en bui­ten­ge­woon exis­tentieel gemaakt, was de aan­slag die op 13 mei 1981 - gedenk­dag van de eerste ver­schij­ning van Maria in Fatima - door Ali Agça werd gepleegd. Toen Johannes Paulus zijn moor­de­naar op 27 de­cem­ber 1983 in de ge­van­ge­nis kwam opzoeken om te zeggen dat hij hem ver­ge­ven had, vroeg die hem: “Ik weet dat ik goed gericht heb.... Waarom bent U dan niet dood?” Het was een nogal shockerende vraag die de paus zelf ook bezig hield en de reden waarom hij zich de tekst van het derde geheim van Fatima had laten brengen, dat bleek te spreken over een in het wit geklede Bis­schop die werd gedood. De be­lang­rijk­ste momenten van de op de aan­slag volgende herstel­pe­rio­de bleken zich steeds op Maria­feesten en be­lang­rijke Mariale dagen voor te doen. Op 15 au­gus­tus, hoog­feest van Maria’s ten­hemel­op­ne­ming, waren de be­han­de­lingen met goed gevolg afgesloten. Op de voor­avond van dit feest keerde de paus in het Vati­caan terug. Tijdens de algemene au­diën­tie van 7 ok­to­ber van dat jaar - ge­dach­te­nis van heilige maagd Maria van de rozen­krans - getuigde hij over de dag van de aan­slag:
“In alles wat mij juist op die dag is over­ko­men, heb ik [Maria’s] bui­ten­ge­wone moe­der­lijke bescher­ming en zorg bemerkt, die sterker bleek dan het dode­lijk pro­jec­tiel”.
Een hand loste het schot, een andere hand leidde het pro­jec­tiel. De per­soon­lijke erva­ring van Maria’s bescher­ming voegde zich op dat moment bij de eigen bele­ving van de Mariale devotie die hem in zijn jeugd en als jonge man was ten deel gevallen. Het is dan ook niet ver­ba­zing­wek­kend dat de heilige maagd Maria een bij­zon­dere plaats inneemt in de do­cu­menten die tij­dens het pon­ti­fi­caat van deze paus zijn ver­sche­nen.

Unieke rol van Maria

De bij­zon­dere be­trok­ken­heid van Maria in het heils­werk, in “de mysteries van Christus” wordt door de Con­sti­tu­tie genoemd als de reden waarom aan Maria een bij­zon­dere vere­ring wordt gebracht, die uitgaat boven de vere­ring die aan andere heiligen wordt gebracht en die niet vrij­blij­vend is. Er zullen zeker heiligen zijn waarvoor we geen enkele bij­zon­dere devotie hebben; geen katho­lie­ke gelo­vi­ge kan echter met recht zeggen dat hij geen devotie heeft voor de maagd Maria: “Alle geslachten zullen mij zalig prijzen, omdat Hij die mach­tig is aan mij zijn wonder­werken deed” (Lc. 1, 48).
Dat is tevens voor ons een mooie opdracht: laten we de Heer met Maria zalig prijzen omdat Hij aan ons en door ons zo vele wonder­werken heeft verricht. En als we zien met hoeveel liefde, bereid­heid en toe­wij­ding zij haar mede­wer­king heeft gegeven aan het grote heils­werk van onze verlos­sing, dat haar Zoon voor ons heeft volbracht, dan mogen wij wel op haar voor­spraak bid­den dat wij­zelf - die de bedie­ning van de heilsgeheimen toe­ver­trouwd hebben gekregen - ons met deze Mariale hou­ding van liefde, toe­wij­ding en trouwe dienst­baar­heid mogen geven aan ons pries­ter­lijk, diaco­naal of bis­schop­pe­lijk dienst­werk.

Terug