Arsacal
button
button
button
button


Laat je verzoenen!

Over vergeving, verzoening met elkaar, met God, in het jaar van Barmhartigheid

Overweging Bezinning - gepubliceerd: dinsdag, 5 januari 2016 - 7720 woorden
Laat je verzoenen!

In het kader van het heilig Jaar van de Barm­har­tig­heid plaatsen we hier de tekst van Laat je verzoenen! met over­we­gingen over ver­zoe­ning en ver­ge­ving en het sacra­ment van de biecht. Het boek is te ver­krij­gen bij uit­ge­ve­rij Colomba (www.colomba.nl) in Oegst­geest (€ 14,25).

Laat je verzoenen!

Met je lot
met je naaste
met God...

Laat je verzoenen!

Maar niet te snel
ver­ge­ving vragen
of ver­ge­ving schenken,
alsof het goedkoop
en ge­mak­ke­lijk is.

Dan wordt het
iets op­per­vlak­kigs.
Dan zie je de ernst
van het kwaad niet meer:
van wat mensen
je hebben aan­ge­daan
of van wat je mensen
of God hebt aan­ge­daan.

Ver­zoe­ning is méér
dan goedkope excuses,
het is een nieuw begin.

Vergeven

Moet je het maar weg­stop­pen?

Haat verwoest ons leven.
Het haalt al het mooie en men­se­lijke eruit.
Haat is een ziekte van de ziel.
Alleen ver­ge­ving
kan die ziekte genezen.

Dat wil niet zeggen
dat we moeten doen
alsof er niets gebeurd is,
dat je weg moet stoppen
wat je is aan­ge­daan.

Zou Jezus ook maar
hebben kúnnen weg­stop­pen
wat Hem werd aan­ge­daan
toen Hij op het kruis zei:
“Vader vergeef het hun”?

Probeer te zien
hoe Jezus aanwe­zig was
in het leed dat je is aan­ge­daan.

Je kunt alleen maar echt ver­ge­ven
als je niet hebt vergeten
wat een ander je heeft aan­ge­daan.
Vergeven wil niet zeggen:
je afsluiten voor wat er gebeurd is,
niet in jezelf toelaten
wat er geweest of voor­ge­vallen is.
Vergeven wil zeggen:
terwijl je de pijn
wellicht in alle hevig­heid voelt,
je hart om laten buigen
naar die woor­den van Jezus:
“Vader, vergeef het hun...”.

Soms lijkt het
alsof we iets prijs­ge­ven, iets verliezen
als we ergens overheen stappen
en iets echt van harte ver­ge­ven.
Maar wer­ke­lijk, we winnen er alleen maar door.

Geen enkele mens is zo beminne­lijk en aan­trek­ke­lijk,
dat hij onze liefde steeds "verdient".
Daarom kan liefde nooit zonder ver­ge­ving.
Je moet verder... in liefde!

Open staan

Open­heid: jezelf te blijven
zonder de goede waar­den van je persoon
te verloochenen,
en tege­lijk tegemoet­ko­mend zijn,
mensen open bena­de­ren,
met een hart voor de mens
die je ontmoet,
ook als die open­heid
niet zó wordt beant­woord
als je zou mogen hopen.

Open.
Als je zo probeert te zijn
in het normale contact,
zit je al op de goede weg
om iemand te kunnen beminnen
die het je moei­lijk maakt,
die je als een soort vijand ervaart.

Ik kan niet ver­ge­ven

“Je moet open staan voor anderen en ver­ge­ven”.
Dat is na­tuur­lijk ge­mak­ke­lijker gezegd dan gedaan.
Als je iets dwars zit:
soms denk je dan een lange tijd
dat je het kwijt bent,
dat het geen pijn meer doet,
en dan ineens steekt het de kop weer op.

Daaraan zien we eens te meer:
ver­ge­ven is een oefe­ning
die eigen­lijk nooit af is;
open staan voor anderen
is een oefe­ning,
het is nooit “af”.

Soms zeggen mensen:
"ik kan het niet ver­ge­ven";
en dan bedoelen ze ook wer­ke­lijk:
"ik kan het niet; het lukt me niet".
Maar ver­ge­ven is niet iets
wat we in één keer kunnen.
Het is een oefe­ning.

Daar is gebed voor nodig
en goede wil
om steeds weer opnieuw
je hart te buigen naar ver­ge­ving.

Wraak is geen weg

Vergeven is moei­lijk.
Maar het is be­lang­rijk:
als mensen dat niet doen
maar elkaar blijven haten
en het kwade vergel­den,
wordt alles steeds erger.
Denk aan de situatie in het Midden Oosten
Als de ene partij iets doet,
ver­geldt de andere dat
met een eens zo harde actie.

De teke­naar Behrendt
maakte eens een kleine strip
waarin een jongetje ruzie kreeg
maar niet kon winnen.
Dat joch haalde zijn grote broer erbij.
Ook zijn tegen­stan­der
had nog wat sterke vrien­den.
Zo escaleerde de ruzie
en het laatste plaatje toonde een wereld
die uiteen spatte door atoom­ge­weld.

Je kunt je hart verhar­den
en opgesloten blijven
in jezelf en in je eigen gelijk.
Mis­schien héb je gelijk,
maar je gelijk is ook niet alles
en al klinkt het afgesleten,
het blijft waar:
een open hart en een uitgestoken hand
is de weg van de ene mens tot de ander,
zoals Jezus´ open Hart
en Zijn uitgestrekte han­den
de enige weg is naar ver­zoe­ning
voor de mensen.

Het is soms al heel wat
als we ons gevoel
open weten te hou­den voor de ander.
Reageren vanuit de
ik-zal-het-ze-eens-betaald-zetten-gedachte
maakt alleen maar veel kapot.

Neem geen wraak.
Wie wraak neemt
bouwt aan een spiraal van geweld.
Je schiet er niets mee op.

Je gevoelens afgeven

Vaak kun je een ander niet bereiken.
Je zou wel willen ver­ge­ven,
maar het wordt je niet gevraagd!
Veel kan niet wor­den uitge­praat,
omdat daar nu eenmaal twee partijen
voor nodig zijn.
Die ander vindt mis­schien
dat hem of haar
niets te verwijten valt.

Je moet afstand nemen van je gevoelens.
Je kunt alleen maar doen
wat God zelf doet:
gedul­dig wachten,
soms alleen
voorzich­tig kleine stappen zetten
naar de ander toe
je hart naar die persoon
opnieuw proberen te openen
in liefde,
want zo alleen
kun je een “Onze Vader” zeggen:
we zijn kin­de­ren van één Vader,
Hij is zijn/haar Vader
zo goed als de mijne.

Je bent niet de minste
als je probeert je gevoelens
te rela­ti­ve­ren en af te geven.
Het lijkt mis­schien
alsof je iets prijs geeft,
verliest.
Maar wer­ke­lijk: je bent een over­win­naar!
Je hebt jezelf overwonnen!

Vergeven wor­den

Wij hebben zelf ver­ge­ving nodig

Om anderen te kunnen ver­ge­ven,
is be­lang­rijk dat we zelf ervaren
dat we ver­ge­ving nodig hebben:
“Ik was toen zelf een beetje zus of zo,
niet zo een­vou­dig om mee om te gaan,
ik had dit zó niet moeten zeggen,
of zó niet moeten doen.
Ik heb mijn fouten en beper­kingen.
Heb ik ver­keerd gehandeld,
te snel ge­oor­deeld
of nagelaten goed te doen?”

Sommige mensen krijgen het benauwd
als ze eraan denken
dat ze iets fouts
zou­den kunnen hebben gedaan!
Maar we mogen allemaal fouten maken.
Daar is het leven voor.
Wij leven van ver­ge­ving.

Om anderen te kunnen ver­ge­ven
is het nodig om te zien
dat wij­zelf ver­ge­ving nodig hebben
van God
en van elkaar.

Ergens zitten we allemaal in het­zelfde schuitje:
we hebben zwak­he­den en fouten;
er zijn nu eenmaal in het leven van ieder van ons
woor­den gevallen
die je niet had moeten zeggen;
dingen gedaan
die je niet had moeten doen;
en er zijn dingen niet gedaan,
die we wél had­den moeten doen;
er zijn fouten gemaakt.

De enigen die zonder zon­den zijn,
zij Jezus en Maria.
En wij zijn geen van bei­den.
Wij zijn niet wit
en die ander niet zwart,
maar wij zijn
iets er tussen in.

Leven is leren.

Als dit je laatste fout was,
zul je niet lang meer leven.

Wat je kunt is je gegeven...

Als wij mis­schien niet gevallen zijn
waar een ander wel de fout is inge­gaan,
moeten we niet vergeten
dat wij mede door onze opvoe­ding,
door de liefde die we ondervon­den hebben,
door de gaven die God ons heeft gegeven,
door de kansen die wij gekregen hebben,
door onze levens­er­va­ringen en door wat al niet meer,
daarvoor bewaard zijn gebleven.
Dat is niet alleen onze eigen ver­dienste.
Dat is ook genade.

Geen sorry-cultuur

In de poli­tiek
moet iemand het boetekleed aantrekken
en poli­tieke con­se­quenties trekken
als hij of zij formeel verant­woor­de­lijk was
en de poli­tieke tegen­stan­der mach­tiger,
zelfs al is er geen sprake
van per­soon­lijke schuld.
Schuld erkennen
en ver­ge­ving vragen
wordt een uiter­lijke geste
die het hart niet raakt.
De sorry-cultuur.

Maar het is niet een uiter­lijk excuus
dat tot nieuwe ver­hou­dingen leidt
en alles anders maakt,
maar een diep gevoelde behoefte
aan ver­ge­ving en ver­zoe­ning.

Niemand is groot

Napoleon's groot­heid ein­digde
op het kleine eilandje Elba;
zijn rijk was voorbij;
Hitler’s waan van een superieur Germaans ras
ein­digde in diens zelfmoord in een bunker te Berlijn,
een daad van wanhoop en on­ver­mo­gen;
De stand­beel­den van Stalin en Saddam Hoessein
zijn allang van hun sokkels getrokken.
Dat waren nu de mensen voor wie men sidderde,
de groten.
En de godinnen van het filmdoek
door miljoenen aan­beden en bewonderd,
wor­den oude invalide vrouwtjes
die soms zelfs de deur niet meer uit durven.

Imponeren

Als wij mensen ontmoeten
die hoog opgeven van hun eigen kwali­teiten
en anderen in hun schaduw stellen;
als wij met mensen te maken hebben
die ons trachten te imponeren
met hun geld of hun bezit of met hun capaci­teiten;
of als wij mensen tegen­ko­men
die anderen zwart maken
om zich­zelf wit te wassen,
maakt dat ons eerder voorzich­tig;
Zeker, we kennen die nei­ging
bijna allemaal wel een beetje.
Wij willen zelf ergens goed in zijn
en goed gevon­den wor­den.
Maar we waar­de­ren en ver­trouwen allemaal veel meer
een be­schei­den en een­vou­dig mens
die niet hoog van zich­zelf opgeeft
zich niet beter voordoet dan hij is,
die voorzich­tig en terug­hou­dend in zijn oor­deel is.

Welk net­werk?

Mensen kennen de geneigd­heid om iemand af te schrijven.
Als iemand iets niet zo goed of zo vlug kan
als sommige anderen,
zijn velen geneigd die persoon erop aan te kijken.
Als een bejaarde persoon voor een loket iets langer doet
over het intoetsen van zijn pin­co­de
of het invullen van een formulier,
als hij niet zo vlug is als anderen dat kunnen,
krijgt hij of zij vaak al allerlei blikken toege­wor­pen.
Voor ziekten en handicaps
die aan de buiten­kant niet zo zicht­baar zijn,
is er vaak niet zoveel begrip.
Je moet het kunnen.
En als iemand het eens slechter maakt,
tobt met problemen of ziekte of hoe dan ook,
laten mensen het afweten.
Het contact is blijk­baar niet meer “inte­res­sant”.

Een bepaald iemand werd genoemd
als kanshebber op een be­lang­rijke benoe­ming,
en ineens kreeg hij wel tien keer zoveel
ver­jaar­dags­kaarten en attenties als anders.
Allerlei kennissen kwamen op visite.
Ze wil­den blijk­baar allemaal graag zijn vriendje zijn.

Als iemand op een bepaald moment niet zo in de markt ligt,
of er wordt iets on­gun­stigs over een persoon ver­teld,
dan trekken vele mensen hun sympathie en steun voor die mens terug.
Ze laten hem links liggen.
Eigen­lijk is dat onbarm­har­tig.

Klein is groot genoeg

Er zijn geen grote mensen;
iedere mens is eigen­lijk klein.
Ieder mens heeft zijn kleine kanten,
zijn zwak­he­den, zijn fouten
of gewoon: dingen die hij niet zo goed kan.
De grootste mensen zijn degenen
die in dank­baar­heid leven
om wat ze hebben ont­van­gen.
Echt grote mensen weten
dat ze hun talenten en vermogens maar gekregen hebben,
dat ze niets uit zich­zelf hebben
en daar leven ze ook naar.

Mensen doen zich nogal eens graag groot voor,
liefst een beetje groter dan we eigen­lijk zijn,
een beetje rijker,
een beetje beter,
een beetje sterker of sportiever
of een beetje hoger gestegen op de carrière-ladder
dan eigen­lijk met de wer­ke­lijk­heid overeen­komt.
We hebben de nei­ging om ons mooier voor te doen dan we zijn.

Tege­lijk maakt dat ons kwets­baar.
Wie iets op te hou­den heeft, is kwets­baar.
En die kwets­baar­heid maakt ons bang:
stel je voor dat men een fout
of een zwak­heid ontdekt,
een gebrek aan kun­dig­heid en capaci­teiten
in ons aantreft,
of onze kleine kanten ziet.
En daar zit ook wel iets in:
hoe vaak springen mensen daar niet op
om ons daarop vast te pinnen.

Maar zo krijgen we onwaarach­tige ver­hou­dingen
en in het werk krijgen we dan
een ongezonde pres­ta­tiedwang en stress.

En hoeveel mensen lei­den niet
een soort van dubbelleven?
Er is een mooie buiten­kant die wordt getoond
en wat daar eigen­lijk niet zo aan beant­woordt,
of daar niet zo bij past,
wordt liever weg­ge­stopt of ontkend,
dat moet maar niet naar buiten komen
maar er wordt niets aan veranderd.

JEZUS' HOUDING

Je mag opnieuw beginnen

Wat mensen fout of zwak vin­den
is ook wel aan mode onderhevig.
Wat nu niet kan, is soms precies het om­ge­keerde
van wat een gene­ra­tie gele­den
nega­tief be­oor­deeld werd.

Bij tekorten, fouten en zon­den
zijn er in de maat­schap­pij vaak twee reacties:
ofwel men ontkent dat het fout was,
integen­deel het was goed, zeggen ze,
ofwel iemand wordt op zijn fouten vastgena­geld.

De reactie van Jezus is precies andersom:
Hij praat niets goed, maar
Hij toont barm­har­tig­heid.
Hij vergeeft,
Hij geeft een nieuwe kans
aan ieder die zich in eenvoud
tot Hem keert.
Je hoeft je niet mooier voor te doen dan je bent.
Hij ziet je gewoon heel graag.
Je hoeft niets te doen om Zijn liefde te verdienen;
die verdienen we eigen­lijk nooit,
die krijgen we gewoon maar.
Heb je een fout gemaakt?
O.K., dat was dan fout,
maar het leven is een oefe­ning,
Je mag opnieuw beginnen.

We mogen het best tegen een ander zeggen
wanneer er iets fout is,
niet goed is,
maar niet vanuit een hou­ding van:
"Wat ben ik toch recht­vaar­dig".

We mogen het best zeggen
als iemand iets fout doet,
maar laten we het dan doen om die "iemand" te winnen
en niet om hem vast te pinnen
of aan de schand­paal te nagelen.

Stelt U zich eens voor
- en dat is mis­schien toch niet zo moei­lijk -
dat U iets gedaan hebt
waarvoor U zich eigen­lijk schaamt.
Stel U voor dat ze U ergens op betrappen:
U hoopte al dat ze dat niet zou­den ontdekken.
U schaamt zich rot
en U zou wel ergens in de grond willen ver­dwij­nen.
En ie­der­een weet het
en van degenen die het niet weten
hebt U nog het gevoel dat ze het weten
of het te weten zou­den kunnen komen.
Overal voelt U de priemende blikken
en wijzende vingers op U gericht:
die, die is het, die heeft het gedaan,
die is fout.
En U voelt: "Ik ben ook fout geweest".

Als U zich dat voor kunt stellen,
dan kunt U de ge­schie­de­nis begrijpen
van die vrouw in het evan­ge­lie
die ze willen stenigen om haar zon­den.
De Fari­zeeën en de schrift­ge­leer­den waren zo:
priemende blikken en vingers
hiel­den ze op anderen gericht.
Maar Jezus is niet zo.
Hij bewijst haar barm­har­tig­heid.
Praat Hij haar zon­den goed?
Nee, dat doet Hij niet,
maar ze mag opnieuw beginnen,
ze krijgt een nieuwe kans,
een schone lei.
Hij draagt haar fout niet na,
Hij neemt ze weg.
Je kunt opnieuw beginnen
of je hernemen en fouten her­stel­len.

In detectives zie je vaak
dat iemand nog een mis­daad pleegt
om zijn eerste mis­daad
te kunnen blijven ver­bergen.
Ook met fouten die we hebben gemaakt,
grote en kleine,
bestaat de nei­ging
om daarop voort te bor­du­ren
en de fout eerder toe te dekken.

Kijk liever uit, dat je geen fout maakt
om een fout te her­stel­len.
Dat brengt je verder van huis.

Jezus wijst geen mensen na
en Jezus wijst geen mensen af.
Hij wacht op ze
- zoals die vader in het verhaal van de verloren zoon -
om ze barm­har­tig­heid te bewijzen.
Niets is té erg of té gek.
Hij nodigt uit om een nieuw leven te beginnen.
Hij heeft begrip voor ons,
want Hij kent ons nog beter
dan wij ons­zelf kennen
en Hij heeft ons lief
tot het uiterste toe.
Hij ziet onze diepste beweegre­denen
en Zijn blik is liefde­vol.
Hij praat niet met anderen
over je wer­ke­lijke of ver­meende
zwakke kanten.

Jezus brandmerkt mensen niet;
meer dan hun zon­den en gebreken
ziet Hij in mensen nieuwe kansen.
En wie die ogen vol liefde op zich voelt rusten,
vindt de kracht voor een nieuw leven,
voor een nieuw begin.

Met een uitgestoken hand,
zo treedt Hij op de mensen toe.

Door Zijn liefde gered

God is onze Vader,
maar dan zijn wij een kind.
De heilige Geest
is "de Helper",
maar dan zijn wij mensen die hulp nodig hebben,
die het zelf niet kunnen.

Mis­schien dat het sommige mensen ergert,
dat we zo klein wor­den afge­schilderd.
Maar als we er goed over na denken
is het eigen­lijk de wer­ke­lijk­heid
en zelfs iets fijns en iets moois:
bij God hoef je even niets,
niet dat "moeten", die stress en pres­ta­tiedwang.
Je hoeft niet groot en gewel­dig te zijn,
je hoeft niemand te overbluffen,
je hebt alles gekregen
en zo is het goed.

Echt helemaal aanvaard wor­den zoals je bent,
liefgehad te wor­den zoals je bent,
dat is iets gewel­digs!
Die liefde hoef je niet te verdienen
door kunstjes te vertonen
die applaus op kunnen wekken;
die liefde hoef je niet te verdienen
door grote en mooie pres­ta­ties,
die is er, daar kun je altijd op rekenen,
dat is de basis die er altijd is.

Zo heeft God ons lief.

Hij geeft alles...

Hij toonde ons Zijn liefde
tot het uiterste toe
in het lij­den en de dood van Zijn Zoon.

Zijn wijd geopende armen
omvatten ons allen in liefde.
De bron van ons christen-zijn
en van heel de bete­ke­nis, de waarde
van ons mens-zijn,
ligt op het kruis.
Door Zijn kruis zijn wij verlost,
door Zijn ongeluk wor­den wij gelukkig,
door Zijn pijn wor­den wij genezen,
door Zijn dood krijgen wij het leven
en ver­ge­ving van onze zon­den.

Als iemand in het water springt
om je te red­den,
is dat al heel wat.
De meeste mensen blijven aan de kant staan.
Zo´n mensenredder wordt nat
en mis­schien verkou­den,
maar déze mensenredder Jezus
wordt vre­se­lijk mis­handeld en gedood.
Hij geeft alles
uit liefde.

Na­tuur­lijk weten wij dit al,
het is niets nieuws.
Maar we moeten dit kruis­punt
van heel onze mensenge­schie­de­nis,
dit heils­mys­te­rie,
steeds dieper in ons laten door­drin­gen
om eruit te kunnen leven,
ook als het kruis
van haat en kwaad
ons eigen leven raakt.

“Vader, vergeef het hun...”

Wij waren zon­daars,
mensen had­den af­schu­we­lijke misda­den gepleegd,
God gelasterd en vervloekt.
Het lij­den en kruis van de Heer
is daarop Gods ant­woord.

Heel onze wereld
is vol van vergel­ding,
van het oog om oog en tand om tand,
de spiraal van geweld en terrorisme.

God had het ultieme geweld­da­dige ant­woord
kunnen geven,
de laatste onovertref­ba­re wraak,
waarop geen overtreffend ant­woord
meer moge­lijk is.
Hij doet dat niet
maar geeft Zijn leven;
Hij geeft uit liefde en vrije wil
wat Zijn ergste vijan­den
voor Hem had­den bedacht.
Hij geeft de macht over Zijn eigen leven
uit han­den, voor ons.

Stel je de persoon voor
met wie je de moei­lijkste omgang hebt
of iemand die je heeft gekwetst
en pijn gedaan:
wat is jouw ant­woord?
Het ant­woord dat de wereld ons vóórleeft,
betaalt het de ander
dubbel en dwars terug.

Maar Jezus ziet in die mens
- die moei­lijke, die nare -
het beeld en de gelijkenis van Zijn Vader.
Hij roept niet, Hij schreeuwt niet,
op straat verheft Hij Zijn stem niet (vgl. Jes. 42, 2).
De pijn, het verdriet dat Hem kwetst,
tast de liefde niet aan:
“Vader, vergeef het hun,
want zij weten niet wat ze doen” (Lc. 23,34).
Hij verontschul­digt de pijn
die zij Hem aandoen!
En Hij heeft niets kwaads gedaan,
Hij had zich­zelf niets te verwijten,
terwijl onze wer­ke­lijk­heid
altijd een grijs-tint heeft.
Wij zijn niet wit
en zij niet zwart,
maar iets er tussen in.

BIECHTEN?

Wij hebben ver­ge­ving nodig

Waarom gaan biechten?

In het sacra­ment van de biecht
reikt God aan mensen een hand
en schenkt ver­ge­ving en ver­zoe­ning
aan allen die een­vou­dig zijn
en nederig van hart.
Maar mensen denken zo anders dan God
en er zijn zo weinig uitgestoken han­den,
die je vast kunt hou­den.
En het is tege­lijk een grote stap
om klein te erkennen:
“Vader, ik heb gezon­digd”.
Zouden daarom zoveel mensen moeite hebben
om dit sacra­ment te verstaan?

Vergeven is nood­za­ke­lijk.
Wij mensen moeten elkaar niet vast­pin­nen
op onze fouten,
maar ons hart ombuigen
tot ver­zoe­ning,
zoals Jezus dat heeft voor­ge­daan.
Wij moeten elkaar ver­ge­ven
en wij hebben Gods ver­ge­ving nodig,
want als onze gedachten en be­doe­lin­gen
niet wor­den gezuiverd en gelouterd,
kunnen we niet voor God bestaan
bij wie geen spoor van kwaad of zonde is.
Gaan biechten wil zeggen:
je door Gods genade
laten bevrij­den
van je zon­den,
gereinigd wor­den
en gesterkt om Jezus te volgen.
In het eeuwig leven kunnen we
geen zonde binnen­bren­gen,
anders zou­den we de hemel nog “ver­vuilen”.
We hebben dus ver­ge­ving nodig.

Maar waarom moeten we dan
de ver­ge­ving van God ont­van­gen via de Kerk?

Wij zijn tot ge­meen­schap ge­roe­pen

(Waarom via de Kerk en de pries­ter? Kan het niet recht­streeks?)

Toen Jezus door het land van Palestina trok
was een van de eerste dingen die Hij deed
apos­te­len roepen
om Hem te ver­ge­zel­len,
Zijn woor­den te horen
om samen met Hem een ge­meen­schap te vormen
en om door Hem uitgezon­den te wor­den.
En Hij wilde dat zijn leer­lin­gen
ook na Zijn hemel­vaart
een ge­meen­schap zou­den vormen,
gebouwd op Petrus, de rots.
die ge­meen­schap noemde Hij "Kerk" (Mt. 16,18).

Dus blijk­baar vond Jezus zelf het nodig
dat er een ge­meen­schap zou bestaan,
de ge­meen­schap van de Kerk.

Ge­meen­schap is be­lang­rijk,
dat ervaren vele mensen
die een­zaam zijn
in een op het individu gerichte maat­schap­pij
(er zijn steeds meer “singles”).

Alleen-zijn is soms moei­lijk.
Veel mensen moeten dat dage­lijks aan den lijve onder­vin­den.
Echt alleen-zijn
- van God en mens verlaten -
is ook niet goed.
Want iedere mens is een beetje on-af;
de een is een beetje te veel zus,
de ander een beetje te veel zo.
Andere mensen kunnen ons ergens uittrekken,
bij­voor­beeld uit een put van negatieve gedachten;
anderen ontnuch­te­ren onze naïeve overmoed
of wijzen ons eens ergens op;
we kunnen ons optrekken
aan mensen die we als voor­beeld kunnen nemen.
Andere mensen zijn voor ons een klankbord.
Ons eigen straatje is niet perse beter.
Wij zitten op een bepaalde manier
ook wel gevangen in ons­zelf.
Dat is het nut van bij­voor­beeld vakantie:
we breken er even uit,
we nemen afstand.
Dus is het goed om op een bepaalde manier
niet-alleen te zijn, gevoed te wor­den van buiten-af,
niet alleen ónze gedachten, ónze vragen, ónze zorgen.
Als je er mid­den in zit
lijken problemen onbed­wing­baar, onoverkome­lijk.
Op afstand zijn de moei­lijk­he­den rela­tief.
Trouwens: geen mens kan het allemaal in zijn eentje,
we hebben elkaar nodig.

Daar komt nog iets bij:
als een mens altijd om zich­zelf heen cirkelt
met zich­zelf bezig is
en voor zich­zelf leeft,
is hij een egoïst.
We vergeten verdriet en pijn
als we voor een ander in de weer zijn.
Geven maakt gelukkig.

Trouwens de liefde is het be­lang­rijk­ste in het leven:
en dat is altijd: liefde tot God en de liefde tot de naaste;
dus ook weer: je openen naar de ander;
Liefde is niet: op je eentje verder je eigen weg gaan,
maar de ander verdragen, reke­ning hou­den met elkaar,
open staan voor elkaar,
enzo­voorts.

En God zelf is ge­meen­schap:
een Drie-een­heid
van Vader, Zoon en heilige Geest,

Als we dit alles over­we­gen,
kunnen we aanvoelen waarom Jezus
de kerk­ge­meen­schap heeft gewild:
wij mensen zijn vanuit ons diepste wezen
ge­roe­pen om niet alleen te zijn,
maar ge­meen­schap te vormen met anderen;
wij hebben anderen nodig
en anderen hebben ons nodig;
wij hebben een bijdrage te geven aan de ge­meen­schap
en wij hebben de ge­meen­schap nodig.

Mens-zijn is altijd mede-mens zijn,
is samen mens-zijn.

Ook Jezus geeft zijn genade aan ons
door de kerk­ge­meen­schap.
Zijn sacra­menten heeft Hij toe­ver­trouwd
aan de kerk­ge­meen­schap.
Alle sacra­menten zijn ge­meen­schaps­vie­ringen,
vie­rin­gen van de Kerk,
ook de biecht
al speelt die zich af
in de besloten­heid
en volstrekte ver­trouwe­lijk­heid.
De pries­ter is daar als “andere Christus”
en man van de Kerk
en je her­vindt daar de ge­meen­schap met God
en met je broeders en zusters.

De ge­meen­schap, de kerk­ge­meen­schap
is dus wezen­lijk.
Wij hebben de Kerk nodig
en de Kerk heeft ons nodig.

Wij hebben Gods ver­ge­ving nodig
want wij zijn maar zwakke mensen;
wij ont­van­gen die ver­ge­ving
binnen een ge­meen­schap,
de ge­meen­schap van de Kerk;
zo wor­den we uit ons­zelf gehaald
en zijn we geen rechter in eigen zaak.
Wij ont­van­gen Gods genade in en door de Kerk,
want wij zijn ge­roe­pen tot ge­meen­schap met elkaar.

Je moet het Hem zeggen!

(Waarom moet je de zon­den aan een pries­ter zeggen?)

We weten allemaal wel,
hoe moei­lijk het vaak is om iets goed te maken.
Sommige kwesties slepen jaren
of zelfs een leven lang.
En vele mensen dragen in hun hart een wond,
die nooit echt is geheeld.
Veel dingen blijven liggen
en wor­den niet uitge­praat.
Om een breuk te her­stel­len
moet je trouwens met z'n tweeën zijn;
twee mensen moeten het samen willen
en in eenvoud elkaar de hand reiken
en wíllen ver­ge­ven.
Pas als twee mensen naar elkaar toe­gaan
en ver­ge­ving vragen,
of laten merken dat ze ver­ge­ving nodig hebben,
is het echt over.

Als dat niet kan,
bij­voor­beeld omdat de ander niet wil,
kunnen we nog lij­den en wachten
op andere tij­den.

God is goed.
En al begrijpen wij Hem niet,
toch heeft Hij niets ver­keerds gedaan.
Wij kunnen God niet ter verantwoor­ding roepen.
Hij staat boven ons.
Maar Hij wacht niet passief totdat wij komen
om het weer goed te maken, nee:
Onze Lieve Heer is altijd bezig
zijn gena­de­pij­len op ons af te schieten.
Hij wil ons hart raken met zijn liefde voor ons.
God zegt ook nooit: "het is genoeg,
jij bent mijn kind niet meer".

De hand die wij mensen elkaar kunnen reiken,
de ver­ge­ving die wij elkaar kunnen schenken,
geeft God aan ons
in het sacra­ment van boete en ver­zoe­ning,
de biecht.
Hij staat klaar om Zijn woord van ver­ge­ving te spreken.
Het is niet die pries­ter als mens
die je vergeeft,
het is Jezus die daar aanwe­zig is
en die handelt in en door de pries­ter
als gewijde be­die­naar.

Gaan biechten is een stap zetten,
je moet een drempel over.
Mensen maken elkaar soms bang om te biechten
of geven elkaar tegenzin.
Er zijn dan heel veel redenen
om toch maar niet te gaan.

Zou dat niet net zo zijn als tussen mensen?
Er zijn zo veel redenen om niets te zeggen,
het niet uit te praten,
het te laten liggen.
En die ander praat er ook niet over;
mis­schien is die het al vergeten.
Maar de wolken schuiven weg
en de zon breekt door
- hartverwarmend -
als twee mensen elkaar de hand reiken
en het ein­de­lijk durven zeggen:
"sorry, ik heb het toch niet goed gedaan".

Je moet het zeggen!

Liefdesdialoog

Onder mensen is het vaak:
Wie zet de eerste stap?
Want er is vaak een beetje gelijk
aan beide kanten.
Voor God bestaan die vragen niet,
want Hij heeft niets ver­keerds gedaan.
Het kan zijn dat je boos op Hem bent,
maar je bent niet in de positie
om Hem iets te verwijten
of ter verantwoor­ding te roepen.
Hij is God
en jij bent mens.

Maar Hij werd mens
en gaf voor ons Zijn leven
toen wij nog zon­daars waren,
terwijl Hij bad:
“Vader vergeef het hun...”.

Ware liefde kan niet zonder
ver­ge­ving ont­van­gen
en ver­ge­ving schenken.

God is onze Vader
omdat Zijn liefde
een beeld is van de liefde
van goede ouders voor hun kin­de­ren;
en Jezus wordt de bruidegom genoemd
van ons, die de Kerk vormen,
omdat de liefde waar­mee Hij Zijn leven geeft
ook de basis is
van de liefde tussen man en vrouw
die elkaar hun leven geven.
Liefde is geven
en dus ook ver­ge­ven.

Daarom is het te begrijpen
dat het goed is om te biechten
en daar een soort “liefdesdialoog” van te maken
als tussen een kind en zijn vader,
of als van een bruidegom met zijn bruid.
Dat komt de kwali­teit
van je relatie met God
ten goede.

We moeten reke­ning hou­den
met de gevoelens van een ander.
Mis­schien dat iets jezelf niet be­lang­rijk leek,
maar dat je toch een ander hebt gekwetst.
Het is be­lang­rijk om voeling te hou­den
met de bele­ving van de ander.

Zoiets is er ook in de ver­hou­ding tot God.
Het is niet altijd een zeer goed teken
als iemand niet weet
wat hij zou kunnen biechten.
Dat kan ook een teken zijn
van een zekere lomp­heid in de relatie.

Door onze dag te over­denken
en in het licht van Gods barm­har­tige liefde
te bezien hoe alles is gegaan,
kunnen we een grotere fijn­ge­voelig­heid verwerven
in ons contact met God:
aanvoelen wat Hem tekort doet.

Sacra­ment van boete en ver­ge­ving

Gods ver­ge­ving ont­van­gen
in het boete-sacra­ment,
kun je alleen als je spijt hebt
van wat je hebt misdaan (berouw);
en je moet het zeggen (belij­denis)
en bereid zijn
het naar vermogen goed te maken
(voldoe­ning, als teken waar­van
we een peni­tentie aan­vaar­den:
een gebed of kleine opdracht
die de pries­ter ons geeft)
Zo ont­vang je Gods ver­ge­ving in de absolutie
(het gebed waar­mee de pries­ter
je de vrij­spraak geeft)
en Zijn genade­kracht
om rijke vrucht te dragen.

Bij een algemene absolutie
- gegeven aan een hele groep tege­lijk -
mis je wat wezen­lijk is
voor de liefdesdialoog
tussen Schepper en schepsel,
tussen Vader en kind:
dat je het uitspreekt, eer­lijk en oprecht
en er een zekere uit­wis­se­ling
van gedachten kan plaats­vin­den.
Je kunt zo´n algemene absolutie
dan ook alleen in nood ont­van­gen,
als je het voornemen hebt
erns­tige zon­den
later nog per­soon­lijk te belij­den.

Wat moet je zeggen?

Wat moet ik biechten?
Ik doe toch niets ver­keerd?
Ik leid een rus­tig leven
en geef ie­der­een het zijne,
wat zou ik moeten biechten?

Kijk maar naar Jezus
en spiegel je aan Zijn liefde,
Zijn gebed,
Zijn levens­wij­ze
en omgang met de mensen.

Dit is je roe­ping:
Hem na te volgen,
totdat Christus ten volle in je gevormd is (vgl. Gal. 4,19).

Niet alleen de grote zon­den
vormen stof voor de biecht.
Iedere onvolmaakt­heid
die je in jezelf ontdekt,
kun je biechten,
niet uit angst
dat God je er streng voor zou straffen,
maar uit liefde
en om te kunnen groeien
door de kracht van Zijn genade.

Door de dingen bij naam te noemen,
overwin je de nei­ging
om ze goed te praten;
door ze als kwaad te benoemen,
leg je bij jezelf
de maat van het leven van Jezus aan;
je stelt je open
en God kan je bereiken
en je helpen om te groeien.

Zoals de zonde concreet is,
zo is ook de ver­ge­ving concreet
Wij mensen zeggen tot elkaar:
Ik vergeef je dat je dit of dat gedaan hebt;
dat is geen alge­meen en vaag verhaal,
het gaat om concrete zaken.
Zo is het ook met Gods ver­ge­ving.

Je kunt je dag bekijken,
uur na uur:
hoe was ik toen en toen?
Was Christus in mij,
zoals ik sprak en dacht en handelde?

Je kunt ook de gebo­den nagaan,
één voor één:
niets boven God stellen;
Zijn Naam met eerbied gebruiken;
de zon­dag heiligen;
je ouders eren;
niet doden
(ook niet “als het ware”, door woor­den of gedachten);
geen onkuis­heid doen;
niet stelen
niet vals getuigen, niet rod­de­len of liegen;
geen onkuis­heid verlangen;
niet jaloers zijn.
Je kunt ook nagaan:
Hoe was ik in mijn ver­hou­ding tot God,
tot mijn naasten, de Kerk en mij­zelf?
Heb ik één van hen
in iets tekort gedaan?

Een gees­te­lij­ke vader

Eens ver­dwaalde iemand in een diep donker bos.
Korte tijd later ver­dwaalde er nog iemand en ontmoette de eerste.
Zonder te weten hoe het hem was ver­gaan, vroeg hij hem hoe hij eruit kon komen.
"Dat weet ik niet", ant­woordde de eerste, "Maar ik kan je wel zeggen welke wegen je nog verder het bos in lei­den, dus laten we samen de weg zoeken om er weer uit te komen"
(uit: W. Hoffsümmer, Kurzgeschichten III, nr. 189).

Zo is de taak van een pries­ter.

Mensen gaan soms naar een pries­ter
als ze er zelf helemaal niet meer uit­ko­men
of als ze een flinke zonde hebben gedaan.
Dan is die pries­ter een soort van nood­hulp,
voor het uiterste geval.

Toch is biechten veel meer.
Het kan ook een gelegen­heid wor­den
om eens te praten over de dingen van ons hart,
over de manier waarop we zijn en reageren
en bezig zijn met de dingen.
Onze manier van omgaan met de dingen
die we mis­schien zo van­zelf­spre­kend vin­den,
is toch niet altijd de beste.

Alles wat wij doen, heeft con­se­quenties.
Kleine daden hebben vaak grote gevolgen.
Stel, U maakt een wandel­tocht door bossen of bergen;
op de kaart staat aange­ge­ven hoe je moet lopen
om je bestem­ming te bereiken.
Maar als je aan het begin van uw tocht
een ver­keerde weg inslaat,
kom je vermoe­de­lijk heel ergens anders uit.
Zeker als je in een onbekende omge­ving bent,
in een onher­berg­zaam natuur­ge­bied bij­voor­beeld,
is het zaak goed op te letten
om niet te verdwalen
en aan het einde van de dag
ergens "in the middle of nowhere"
door de duisternis te wor­den overvallen.

Zo'n tocht is ook ons leven.
De weg die we kiezen, het pad dat we inslaan,
heeft grote gevolgen;
het brengt ons op onze bestem­ming
of het laat ons verdwalen.
Want niet alle wegen lei­den naar geluk en vrede.
Niet iedere beslis­sing is heil­zaam.
Veel kunnen we weer goed maken,
maar sommige dingen zijn onherstel­baar
en laten diepe won­den na.
Is het dan niet heel be­lang­rijk
om te reflec­te­ren over de keuzes die wij maken
en de manier waarop wij zijn en reageren?

Een pries­ter biedt zich aan
om een gees­te­lij­ke vader te zijn
met wie je dingen door kunt spreken
om te ontdekken
waarheen het licht van de heilige Geest
je wil lei­den.
Mensen hebben zelf vaak niet de kennis,
de erva­ring of de kracht
om de goede weg te vin­den
of om eruit te komen.
En in ieder geval is onze blik beperkt.
Het oor­deel over ons leven
komt alleen aan God toe,
zodat het goed is
om met de hulp van een gees­te­lij­ke gids
wat afstand te nemen
van je eigen oor­deel
en samen de wil van God
en de weg van de heilige Geest
na te gaan.

Wij hebben anderen nodig!

Vraagt en U zal gegeven wor­den,
klopt en U zal wor­den open gedaan

Wie vragen stelt,
krijgt ant­woor­den.
Je vraagt niet gauw te veel.

Open in gebed je ziel
voor je hemelse Vader
in alle open­heid en eer­lijk­heid,
stel jezelf vragen
bij wat je denkt en doet en laat;
wanneer je die vragen ook stelt
aan een gees­te­lij­ke vader
die een ver­stan­dig oor­deel heeft
en geloof en liefde,
komt er meer licht op je levensweg.
Blijf vragen stellen.

Soms is het al voldoende een klankbord te hebben.
Het hoeft niet iemand te zijn
die alle ant­woor­den weet te geven;
iemand kan ook te vlug of te veel ant­woor­den geven,
je eigen­lijk naar zijn hand willen zetten.
Als het maar iemand is
die je de hulp en de vrij­heid geeft
om de weg van God voor jou
te on­der­schei­den.
Zo'n contact met een gees­te­lij­ke vader
die je begrijpt,
je kent en aanvoelt,
heeft tijd nodig om te groeien.

Een gees­te­lij­ke vader is ge­roe­pen
- met de liefde en zorg van de hemelse Vader -
wegen te zoeken
die ons verder brengen
op onze weg door het leven.

OP WEG

Een beter mens wor­den

Nu kunnen we niet altijd
zomaar een andere weg inslaan.
Ie­der­een is bij­voor­beeld zoals hij is;
als iemand heel ongedul­dig is
of gauw scherp over­komt, of erg emo­tio­neel is,
of teveel kletst of juist te weinig zegt,
kan die persoon niet even een knop omzetten
om zich­zelf te ver­an­de­ren.
Hij moet dus ook tenminste een beetje lij­den
onder zijn eigen onvolmaakt­heid
en de anderen lij­den mee.
Die persoon kan alleen zijn best doen
om minder ongedul­dig, minder scherp of emo­tio­neel,
minder kletserig of juist spraakzamer te wor­den.
We kunnen niet meer doen dan ons best.

Maar we moeten wel ons best doen.
Iemand kan mensen van zich vervreem­den
en zich in allerlei moei­lijk­he­den brengen
door ver­keerde keuzes
en door onvolmaakt­he­den in zich­zelf;
Als hij zich­zelf dan niet probeert te verbe­te­ren,
heeft hij het eigen­lijk aan zich­zelf te wijten
dat de gevolgen zo onge­luk­kig zijn.
Als iemand echter probeert zich te her­stel­len,
al gaat het met vallen en opstaan,
verdient hij de steun van goede mensen.
Daarom is het te waar­de­ren
als iemand ons ergens op wijst.

Als iemand ons ergens op wijst
en er geen direct belang bij heeft,
maar gewoon de moed heeft opgevat
om die stap te nemen,
moeten we zo iemand niet de mond snoeren
met een nare opmer­king.
Want we hebben er alle baat bij
dat die persoon er een volgende keer
niet het zwijgen toe doet.

Als we ons best hebben gedaan
en het is niet zo goed gelukt,
mogen we ons­zelf toch zeggen:
ik heb mijn best gedaan, ik heb het ge­pro­beerd;
het ging mis­schien niet gewel­dig,
maar ik heb het wer­ke­lijk ge­pro­beerd;
voor de rest moet ik het over­ge­ven en erin berusten
dat het ook door mijn eigen onvolmaakt­heid is
dat de dingen niet zo goed zijn gegaan
als ik had gewenst.

Alles wat wij doen heeft con­se­quenties.
We kunnen een plank maar één keer verzagen.
Veel dingen zijn niet meer terug te draaien.
De gevolgen van bepaalde trau­ma­tische gebeur­te­nissen
of van bepaalde erva­ringen ten goede of ten kwade,
kunnen mensen tekenen
zelfs tot in het tweede of derde geslacht;
iemand die nu het milieu ver­vuilt
of een bepaalde scha­de­lijke stof gebruikt,
brengt gevolgen teweeg
die gene­ra­ties lang door­werken.
En we kunnen nu nog lang niet alle con­se­quenties
van het men­se­lijk han­de­len overzien.
Pas op het einde van de tijd
wor­den de vertak­kingen van het kwaad
en alle lijnen van de barm­har­tig­heid
geopen­baard.
Maar nu is het tijd om stil te staan
bij de weg die wij inslaan,
bij de keuzes die wij maken,
als verant­woor­de­lijke gespreks­part­ners van God
die ons de schep­ping heeft toe­ver­trouwd.

Dat komt tot uiting in dit sacra­ment
van boete en ver­zoe­ning.
Wij ont­van­gen kracht
om onze verant­woor­de­lijk­heid
als mens en als christen waar te maken.

Moed en ver­trouwen!

Zeker, we leren de mentali­teit van de mens kennen,
als we ervaren dat een mens soms een beest kan zijn;
maar we leren ook de mens kennen
als we ervaren
dat die mens een engel van goed­heid kan zijn.
Trouwens, een mens is op zijn slechtste momenten
meestal niet zich­zelf,
dan wordt hij meegesleept door woede, door passie, door angst.
Daarom is zelfbeheer­sing nodig.
Een mens is eigen­lijk ten diepste
degene die hij zou willen zijn,
dat waar hij naar streeft.
Zo ziet God naar ons:
Hij kijkt naar wat wij willen,
waar we naar streven,
en niet zozeer naar wat we hálen
en naar onze misluk­kingen.

Op weg naar heel­heid

“De mens is in zich­zelf ver­deeld”.
Deze uit­spraak van het tweede Vati­caans concilie (Gaudium et spes 13)
weer­spie­gelt de erva­ring van de mens,
zoals de apostel Paulus die ver­woordt
in de brief aan de Romeinen:
“Het goede dat ik wil,
doe ik niet
en het kwade dat ik niet wil,
doe ik wel” (vgl. Rom. 7, 19).
Paulus con­clu­deert
dat de goede wil wel binnen zijn bereik ligt,
maar niet de goede daad.
Hij ervaart in zich een onmacht tot het goede.
Die ver­deeld­heid die iemand in zich­zelf ervaart,
kan hem of haar ertoe brengen
zich maar uit te leveren aan de zonde.
Het goede ook maar niet meer te willen,
omdat de erva­ring van eigen onmacht
zo sterk is.
Een bekende, nu overle­den,
homo­sek­su­ele acteur
zei eens over zijn eigen leven
dat hij vurig katho­liek was geweest,
zelfs Fran­cis­caan had willen wor­den,
maar eenmaal in Am­ster­dam geko­men,
kwam hij terecht in een levens­wij­ze,
waardoor hij tot de con­clu­sie kwam
dat het geen zin had om steeds te gaan biechten.
Hij had het goede gewild,
hij had een onmacht gevoeld
en had toen het goede maar opge­ge­ven,
want je kunt nu eenmaal niet
op twee gedachten blijven hinken.

Een rijk dat inner­lijk ver­deeld is,
een huis dat inner­lijk ver­deeld is,
kan geen stand hou­den,
het gaat te gronde (vgl. Mc. 3, 24-25).

Je kunt niet ver­deeld blijven,
je kunt niet op twee gedachten blijven hinken,
je kunt geen dubbelleven blijven lei­den.

De apostel Paulus
komt op basis van deze erva­ring
dat hij doet wat hij niet wil
en dat hij wil wat hij niet doet,
tot een lofzang op God:
“God zij gedankt door Jezus Christus”
en:
“Voor hen die in Christus Jezus zijn,
bestaat er thans geen vonnis meer.
De wet van de Geest heeft U vrijgemaakt”.
En dat is ook wat het Jezus zegt:
“Alle zon­den zullen aan de mensen ver­ge­ven wor­den,
ook alle godslaste­ringen” (Mc. 3, 28).
Het vonnis luidt dus: vrij­spraak,
kwijtschel­ding en ver­ge­ving!
Er is maar één uit­zon­de­ring:
als iemand lastert tegen de heilige Geest... (Mc. 3, 29),
Gods uitgestoken hand afwijst
en geen ver­ge­ving wil.

Voor Paulus is de combinatie
van zijn goede wil en zijn zwak­heid,
zijn on­ver­mo­gen het goede te doen,
de diepste reden voor zijn dank­baar­heid:
ik ben verlost, gered van mijn bestaan ten dode!

Als je ver­deeld bent,
kan je rijk geen stand hou­den.

Verdeeld ben je wanneer je die goede wil
die binnen je bereik ligt
niet vasthoudt,
wanneer je niet in al je zwak­heid
wilt ver­trouwen op de kracht van de heilige Geest,
wanneer je niet je goede wil
behou­den wilt,
ook al merk je dat je die niet
hebt ge­rea­li­seerd in je daden
en het verne­de­rend is
die zwak­heid toe te moeten geven.
De erva­ring van je zwak­heid, zo redeneert Paulus,
is de diepste reden om op God te ver­trouwen
en op Zijn genade.

Je bent niet ver­deeld
wanneer je welis­waar je zwak­heid merkt,
maar je helemaal toever­trouwt
aan Gods heer­schap­pij
en je steeds weer aanbiedt om Hem
de duivel uit jezelf te laten drijven.
Je raakt alleen ver­deeld
als je bij de duivel te biecht gaat
omdat het kwade zo sterk in je heerst.
Maar we wor­den steeds meer
mensen uit één stuk
als we het beeld van God
dat wij in ons dragen,
laten stralen,
doordat we een beroep doen
op Gods barm­har­tige liefde
en op zijn genade,
als we blijven verlangen en streven
naar heel­heid
wanneer wij als bezeten zijn
en onze zwak­heid ervaren.

Bij de eerste stap op weg naar de zonde
ben je het meest vrij,
als je die gezet hebt
wordt het alleen moei­lijker
om je los te rukken
uit de omar­ming van het kwaad.

Aanvaar­den

We zeggen weleens: "Een kat in het nauw
kan rare sprongen maken".
Als iemand in het nauw zit,
kan hij soms tot vreemde dingen komen,
die we eigen­lijk niet van hem ver­wach­ten
en waar hij ook alleen maar spijt van kan krijgen.
Ook kiest een mens soms dingen
uit angst om alleen te komen staan.

En onze mentali­teit?
We moeten ons voornemen eer­lijk te blijven.
Er zijn bepaalde levenswetten
die we altijd in acht moeten nemen,
ook die keer dat het ons niet uit­komt;
het is voor ons eigen bestwil.
Dat geldt met name voor de tien gebo­den.
We moeten aan­vaar­den
dat we het leven niet naar onze hand kunnen zetten;
dingen nemen zoals ze komen,
zoals ze ons gegeven wor­den.
Voor ons verwende wel­vaarts­mensen
is dat best wel heel moei­lijk,
maar het is de enige weg!
We moeten ons daarop instellen.
Het is een voor­waarde om gelukkig te kunnen zijn,
hier en nu en later.

Zelfmedelij­den lost niets op.
Dat is een weg die ein­digt in een zwart gat.
Het is het beste om radicaal af te rekenen
met zelfmedelij­dende gedachten.
Het beste wat we met lij­den kunnen doen,
is het beleven met de lij­dende Heer
en het met Hem opdragen aan de Vader.

Op bepaalde momenten in het leven
staan we voor moei­lijke keuzes.
Er dringen zich dan twee moge­lijk­he­den aan ons op:
een zeer nobele
en een andere mis­schien zeer logische, normale, te begrijpen keuze...
Zonder iemand te willen veroor­de­len, zou ik zeggen:
De meest nobele moge­lijk­heid is de beste.

Vaak is wat moei­lijker is in het begin
op den duur trouwens in feite ge­mak­ke­lijker
en beter te verdragen.

Het gaat er niet om iemand te veroor­de­len;
je kunt iemand niet veroor­de­len
omdat hij op een bepaald moment
geen hel­den­daad heeft laten zien.
Daarom is Gods barm­har­tig­heid ook altijd groter
dan het kwaad dat mensen kunnen aanrichten.
Bij God is altijd ver­ge­ving.
Er is een nieuw begin moge­lijk.
Ook dat zegt ons dit sacra­ment van Gods ver­ge­ving;
het is een sacra­ment van bemoe­diging:
zit maar niet in de put over jezelf
en je eigen on­ver­mo­gen;
begin opnieuw: moed en ver­trouwen!

Besluit

De pries­ter oefent in de biecht de vol­macht uit
die Jezus op Pasen aan zijn apos­te­len heeft meege­deeld:
"aan wie gij de zon­den vergeeft,
die zijn ze ver­ge­ven;
en aan wie ge ze niet vergeeft,
zijn ze niet ver­ge­ven" (Jo. 20,23).
In dit sacra­ment
kun je Gods ver­ge­ving ont­van­gen
als wat het wer­ke­lijk is:
een grote genade,
nieuw leven.

De pries­ter strekt zijn hand over je uit en zegt:

"God de barm­har­tige Vader,
heeft de wereld met zich verzoend
door de dood en de ver­rij­ze­nis van Zijn Zoon
en de heilige Geest uitgestort
tot ver­ge­ving van de zon­den;
Hij schenke U
door het dienst­werk van de Kerk
vrij­spraak en vrede
en ik ontsla U van uw zon­den
in de naam van de Vader en de Zoon
en de heilige Geest.
Amen".

(De tekst van de absolutie,
waar­mee de pries­ter van zon­den ontslaat).

Dank­ge­bed

Heilige Vader,
Gij hebt ons her­schapen
naar het beeld van Uw Zoon.
Wij bid­den U:
dat wij die Uw barm­har­tig­heid hebben ont­van­gen
een teken wor­den van Uw liefde in de wereld.
Door Christus onze Heer.
Amen.

God, onze Vader,
Gij hebt onze zon­den ver­ge­ven
en ons Uw vrede ge­schon­ken.
Lat ons ook elkaar onze schuld ver­ge­ven.
Dan zullen wij in de wereld
bewerkers zijn van de vrede.
Door Christus onze Heer.
Amen.

(uit de Orde van Dienst voor Boete en Ver­zoe­ning)

Inhoudsopgave

VERGEVEN

  • Moet je het maar weg­stop­pen?
  • Open staan
  • Ik kan niet ver­ge­ven
  • Wraak is geen weg
  • Je gevoelens afgeven

VERGEVEN WORDEN

  • Wij hebben zelf ver­ge­ving nodig
  • Wat je kunt is je gegeven
  • Geen sorry-cultuur
  • Niemand is groot
  • Imponeren
  • Welk net­werk?
  • Klein is groot genoeg

JEZUS' HOUDING

  • Je mag opnieuw beginnen
  • Door Zijn liefde gered
  • Hij geeft alles
  • Vader,vergeefhethun

BIECHTEN?

  • Wij hebben ver­ge­ving nodig
  • Wij zijn tot ge­meen­schap ge­roe­pen
  • Je moet het Hem zeggen!
  • Liefdesdialoog
  • Sacra­ment van boete en ver­ge­ving
  • Wat moet je zeggen?
  • Een gees­te­lij­ke vader

OP WEG

  • Een beter mens wor­den
  • Moed en ver­trouwen!
  • Op weg naar heel­heid
  • Aanvaar­den

BESLUIT

  • Dank­ge­bed
Terug