Arsacal
button
button
button
button


Kostersdag in Heiloo weer volgeboekt

De verloren zoon en de barmhartige vader (zaterdag week 2 veertigdagen)

Overweging Preek - gepubliceerd: zaterdag, 27 februari 2016 - 1448 woorden
kosters schrijven zich in aan het begin van de dag
kosters schrijven zich in aan het begin van de dag
door de heilige deur naar binnen, daar staat pastor Ignas Tilma
door de heilige deur naar binnen, daar staat pastor Ignas Tilma
bij het verlaten van de kapel (klik op de foto’s voor vergroting)
bij het verlaten van de kapel (klik op de foto’s voor vergroting)

De kosters­dag die op zater­dag 27 februari voor de derde keer werd gehou­den in het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam was weer helemaal volge­boekt! Bijna twee­hon­derd kosters kon­den deelnemen in ver­band met de beschik­ba­re ruimtes en het aantal workshops en die waren er ook. 

Van Zeewolde en Almere, van De Kwakel en Nieuw Vennep tot Texel, Den Helder en Wie­rin­ger­meer - om maar enkele 'uitersten' te noemen - waren kosters geko­men om onder een mooi winters zonnetje in het fraaie park van het hei­lig­dom van Onze Lieve Vrouw geïnspireerd te wor­den om met geloof en en­thou­sias­me weer verder te gaan.

De dag begon met de Eucha­ris­tie­vie­ring in de grote bede­vaart­ka­pel, waarbij ik on­der­staan­de homilie heb gehou­den. De parabel van de Verloren zoon was aan de beurt in het evan­ge­lie van de dag en dat had­den we na­tuur­lijk niet mooier kunnen uitkiezen in dit jaar van barm­har­tig­heid bij de Heiloose heilige deur!

Pries­ter Wim Veth hield na een koffiepauze een een luch­tige lezing over de biecht­stoel in de kerk die vaak tot bezem­kast is afge­waar­deerd. Alles na­tuur­lijk in het teken van het Jaar van de Barm­har­tig­heid. De lunchpauze is altijd een gelegen­heid voor allerlei ont­moe­tingen. Daarna be­gon­nen de workshops: over de goede week, de rol van de koster als spin in het web, de kerst­stal (goed op tijd), uit­vaar­ten, geld en goed, vei­lig­heid, kaarsen, wierook en wij­wa­ter, klokken enzo­voorts, kortom: een dag die eigen­lijk geen koster wil missen!

Pastoor Floris Bun­scho­ten, pastor Ignas Tilma, drs. Diederik Wienen (studie­lei­der Sint Boni­fa­tius­in­sti­tuut) en Petra Vermeer (se­cre­ta­riaat bisdom) ston­den garant voor een soepel lopende organi­sa­tie.

Homilie


Beste kosters, zusters en broeders,

Het komt wel heel bij­zon­der mooi uit
dat we vandaag op deze kosters­dag
in het heilig jaar van barm­har­tig­heid
de evan­ge­lie­le­zing horen van de verloren zoon
en de barm­har­tige vader
met een eerste lezing die daar prach­tig bij past.
Voor de goede orde:
we hebben de lezingen niet speciaal uitgekozen,
het zijn gewoon de lezingen van deze li­tur­gische dag.

Een hemels bedrijf

Twee zoons zijn aan het werk in het bedrijf van de vader.
Nu is het een gelijkenis, een parabel, die Jezus ver­telt,
en die vader is eigen­lijk God
die voor ons allen een barm­har­tige Vader is.
Die twee zoons
die in de zaak van hun vader werken,
zijn dus mensen die leven en bezig zijn
in het bedrijf, het huis van God,
met de hemelse Vader als hun Heer en meester.

Een soort kosters?

Maar dan zou­den het bijna wel kosters kunnen zijn!
Want een koster bij uitstek is werk­zaam
in het bedrijf, in het huis van de hemelse Vader;
zij zorgen dat dit huis op orde is
en een mooie uit­stra­ling heeft
waardoor mensen er hopen­lijk graag komen
en zich er thuis voelen bij God:
in het huis van de Vader is ruimte voor velen!

De koster heeft dus een be­lang­rijke taak en mooi werk.
Hij is behalve iemand die de kerk en liturgie ver­zorgt,
ook een aanspreek­punt voor mensen
en een visite­kaar­tje van de pa­ro­chie.
Heel veel dank dus voor jullie inzet
om de kerk te maken tot een thuis voor velen,
een plaats van ont­moe­ting met God,
dank ook voor de eerbied
waar­mee jullie omgaan met het Heilige.

Onte­vre­den

Toch komt het zelfs bij kosters weleens voor
dat ze niet helemaal tevre­den zijn
en een beetje gaan mopperen.
Na­tuur­lijk bent U beslist niet zo,
maar als het om U heen weleens gebeurt,
kunt u zich inleven in die beide zoons
uit de parabel die we hebben gehoord,
want het zijn typisch alge­meen men­se­lijke gevoelens
die door hen wor­den beleefd.

Geen zin meer!

De jongste zoon denkt
dat het gras ergens anders groener is,
dat het leven zoveel leuker zou kunnen zijn
als hij het bijltje erbij neer zou gooien,
weg zou gaan
en van het leven zou gaan genieten.
Mis­schien is U dat ook weleens over­ko­men
bij het koster­schap of ook op andere terreinen.
Die beko­ring - want dat is het dan -
komt altijd wel ergens op ons af:
Iedere zon­dag vroeg opstaan
om alles op tijd klaar te hebben,
ik word het zat;
Altijd maar weer klaar staan voor die of die,
laat een ander het maar doen;
iedere dag dit­zelfde saaie werk,
ik houd er mee op;
of we ergeren ons aan
een bepaalde karaktertrek van iemand,
van man of vrouw, een vriend of kennis
en we kappen met die relatie.

Door­gaan of kappen?

Zo is heel het leven één grote vraag,
en die vraag luidt:
Gaan we het verdragen
of gooien we het overboord;
gaan we door
of haken we af?
Die jonge man uit de parabel,
die jongste zoon,
gaat weg
en heeft het eerst een tijdje leuk
maar dan komen ook daar problemen.


Zo is eigen­lijk heel het leven:
wie probeert alle kruisen te ontlopen,
krijgt ze juist als een boemerang terug,
wie probeert de kruisen en kruisjes
die op zijn weg komen
te dragen met God,
dus niet wegloopt
maar bij Hem blijft,
die zal gaan ervaren
dat die kruisen lichter wor­den,
te dragen zijn.

Onvolwassen maat­schap­pij

Wij leven in een maat­schap­pij
die sterk lijkt op de jongste zoon
en alle vervelende dingen uit de weg wil gaan:
als we oud zijn en lij­den,
huppakee, we maken er een eind aan,
zoals die mevrouw zei op de TV,
als de relatie tegenzit gaan we uit elkaar:
als ik het zat ben, houd ik ermee op,
ik ga wel mijn eigen gang,
het moet wel leuk blijven.
Dat is eigen­lijk onvolwassen,
het is jongste-zoon-gedrag.
Een relatie is een werk­woord,
een mooi huwe­lijk gaat niet van­zelf
en ons leven is geven;
dat geven is
wat een mens mooi maakt,
wat hem schoon­heid geeft.
Wie geeft wat hij heeft,
is waard dat hij leeft, zeggen we.
En dat is wat ons grote voor­beeld doet:
Jezus Christus
die heel Zijn leven voor ons heeft gegeven.

De oudste

Maar dan hebben we nog die oudste zoon:
altijd bezig in het bedrijf,
een harde, trouwe werker.
Maar ten diepste is hij niet gelukkig,
dat komt er ineens uit
als de verloren zoon naar huis terug­keert.
Hij voelt zich tekort gedaan, niet ge­waar­deerd,
die oudste zoon:
Hij wordt kwaad over de harte­lijke ont­vangst
die de verloren zoon ten deel valt.
Die oudste heeft nooit een bokje gekregen
om met zijn vrien­den feest te vieren.
Ineens komt het er nu even uit:
Ik wil ook aan­dacht,
ook ik verlang naar harte­lijke liefde,
ik verdien het, hij niet.

Tekort geko­men?

Waarom reageert hij zo?
Ergens heeft hij zich toch niet helemaal
met zijn leven en zijn bestaan verzoend.
Als hij echt gelukkig, dank­baar en tevre­den was geweest,
had hij zo niet gerea­geerd.
Wie verzoend is, tevre­den en blij
straalt alleen maar vreugde uit,
dan komt zo’n reactie niet in je op.
Hij had dat werk op de boerderij van zijn vader
eigen­lijk altijd gedaan met het gevoel
dat zijn vader hem dank­baar moest wezen
en dat hij toch wel veel tekort kwam.
Ook dat is iets wat ons ge­mak­ke­lijk kan over­ko­men:
het gevoel dat we tekort zijn geko­men,
dat we zo weinig terug krijgen
voor het goede dat we doen,
dat mede­mensen ons niet geven
wat we eigen­lijk verdienen
of dat God dat niet doet,
dat Hij ons weleens beter had mogen bedienen.

Het is toch goed!

Soms is dan gewoon het ant­woord
dat we meer moeten kijken
naar wat we allemaal gekregen hebben:
de mooie dingen zien.
Eigen­lijk is dat precies het ant­woord van de vader
in de parabel van vandaag:
“Jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou”.
Kijk nu eens: we zijn samen
en je hebt alles.
Het is toch goed!
Tel je ze­ge­ningen!

De minste

Wat opvalt in de hou­ding van de vader
is dat hij er steeds voor kiest
de minste te zijn en tegemoet te komen:
Als de jongste zoon in de verte aan­komt,
rent die vader hem tegemoet
en valt hem om de hals.
Dus heel dat men­se­lijke denken van:
“Dan moet hij maar naar mij toe komen”
“Dan moet hij eerst maar eens zeggen
dat het hem spijt”
laat die vader volstrekt achter zich.
En bij de oudste zoon doet hij dat weer:
die zoon wil niet naar binnen,
dus gaat de vader naar buiten.
Die vader wil de minste zijn
en zo kan hij relaties her­stel­len
en zijn oudste zoon helpen
om oog te hebben voor zijn naaste:
“Die zoon van U”, zegt de oudste zoon,
“Die broer van jou”,
ant­woordt de vader.

Geen gek voor­beeld...

Kortom, deze hele parabel nodigt ons uit
om niet te veel met ons­zelf bezig te zijn:
waar we tekort zijn gedaan,
wat we eigen­lijk liever willen enzo­voorts,
maar om in liefde dienst­baar te zijn,
ons­zelf een beetje los te laten
en alle ze­ge­ningen te tellen,
dan wor­den we steeds meer
een beeld van Gods barm­har­tig­heid:
Hij staat altijd met zijn armen wijd open voor ons klaar,
Hij wil ver­ge­ven, de minste zijn
en harte­lijk met ons verbon­den zijn.
Lijkt me geen gek voor­beeld!
AMEN

Terug