Arsacal
button
button
button
button


Een katholieke kerk onttrekken aan de eredienst

Artikel Canoniekrecht - gepubliceerd: zaterdag, 23 april 2016 - 4836 woorden
Soms wordt een kerk opnieuw geopend zoals hier de Mozes en Aäron in Amsterdam, toevertrouwd aan Sant' Egidio
Soms wordt een kerk opnieuw geopend zoals hier de Mozes en Aäron in Amsterdam, toevertrouwd aan Sant' Egidio

Eerder dan in sommige andere lan­den waar het on­der­houd van de kerken met publiek geld wordt gefi­nan­cierd, komen kerken in Neder­land voor de nood­zaak te staan hun gebouwen te ont­trek­ken aan de ere­dienst en ze te vervreem­den. Het zal in de meeste gevallen voor de eige­naar niet moge­lijk zijn het gebouw af te breken, omdat de bur­ger­lijke over­heid de vergun­ning daartoe niet verleent. Dit stelt pa­ro­chies en gemeenten nogal eens voor bij­zon­dere moei­lijk­he­den: het is niet ge­mak­ke­lijk een goede herbestem­ming voor kerk­ge­bouwen te vin­den.

 

Daar­naast kent ieder kerk­ge­noot­schap na­tuur­lijk zijn eigen wegen om tot besluit­vor­ming te komen. De katho­lie­ke kerk kent haar eigen recht − het canoniek recht −, neer­ge­legd in de Codex Iuris Canonici (Wetboek van canoniek recht) en andere juri­dische do­cu­menten.[1] Dit rechts­sys­teem kent welom­schre­ven redenen waarom een kerk gesloten kan of moet wor­den en een welbe­paalde pro­ce­dure met beroeps­moge­lijk­heden voor betrok­ke­nen. Deze moge­lijk­he­den en de pro­ce­dure komen steeds vaker in het nieuws omdat alle Neder­landse bis­dom­men bezig zijn met het ont­trek­ken van kerken aan de ere­dienst. Dit artikel houdt zich bezig met de vraag hoe deze pro­ce­dure naar canoniek recht verloopt en welke moge­lijk­he­den tot ker­ke­lijk beroep er zijn.

Het ont­trek­ken van een kerk aan de ere­dienst vraagt om een zorg­vul­dige pro­ce­dure. Een kerk is voor de gelo­vi­gen meer dan een gebouw van stenen. Mensen zijn daar gedoopt, getrouwd, hebben er de uit­vaart van een dier­ba­re mee­ge­maakt en hun ge­loofs­le­ven is mede gekleurd door de spe­ci­fie­ke devotionele aspecten van dit gebouw. Het sluiten van een derge­lijk gebouw voor de ere­dienst vraagt daarom om een goede afwe­ging.

Daar komt bij dat de gelo­vi­gen geneigd zullen zijn om in beroep te gaan tegen de slui­ting van een voor hen dier­baar kerk­ge­bouw. De ker­ke­lijke over­heid de dio­ce­sane bis­schop die tot slui­ting wil over­gaan, moet derhalve nauw­ge­zet de correcte pro­ce­dure volgen en over een canonieke onder­bou­wing van het besluit be­schik­ken, wil haar besluit niet vat­baar zijn voor een gegrond­ver­kla­ring van een beroep tegen haar decreet. In het decreet waarin de ker­ke­lijke over­heid tot onttrek­king aan de ere­dienst besluit, zal zij verantwoor­ding afleggen over de wijze waarop zij tot het besluit is geko­men en de beroeps­moge­lijk­heid aan­ge­ven.

Redenen om een kerk aan de ere­dienst te ont­trek­ken

Het ont­trek­ken van een kerk aan de ere­dienst is de in Neder­land gang­ba­re uitdruk­king voor het ‘terug­bren­gen’ van een kerk­ge­bouw ‘tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik’, waarover in canon 1222 van het Wetboek van canoniek recht. Het kerk­ge­bouw is in veel gevallen eigendom van de pa­ro­chie, die een ker­ke­lijke rechts­persoon is die onder de dio­ce­sane bis­schop staat. De canoniek­rechte­lijke han­de­ling van onttrek­king aan de ere­dienst heeft geen directe gevolgen voor het eigendom van het gebouw en is in feite een beslis­sing van de dio­ce­sane bis­schop dat het kerk­ge­bouw niet langer voor de katho­lie­ke ere­dienst zal wor­den gebruikt, maar een andere bestem­ming kan en zal krijgen of afgebroken kan wor­den. De beslis­sing houdt dus in veel gevallen in dat de pa­ro­chie het kerk­ge­bouw kan vervreem­den; de bis­schop zal het decreet ge­woon­lijk pas uitvaar­digen wanneer vast­staat wat er met het kerk­ge­bouw zal gebeuren.

Een kerk die niet behou­den kan blijven

Canon 1222 §1 heeft de omstan­dig­heid op het oog dat een kerk als kerk­ge­bouw niet behou­den kan wor­den: ‘Als een kerk op geen enkele wijze nog voor de god­de­lijke ere­dienst gebruikt kan wor­den en de moge­lijk­heid niet bestaat om ze te her­stel­len, kan zij door de dio­ce­sane Bis­schop terug­ge­bracht wor­den tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik.’ In deze para­graaf wor­den de volgende redenen gegeven waarom de dio­ce­sane bis­schop kan besluiten de kerk aan de ere­dienst te ont­trek­ken: zij kan niet meer voor de ere­dienst wor­den gebruikt en het is niet moge­lijk haar te her­stel­len. Deze redenen moeten beide vervuld zijn. Gezien de wet­tekst wordt als de reden waarom de kerk niet meer voor de ere­dienst gebruikt kan wor­den, de slechte staat van het gebouw gezien en niet bij­voor­beeld het ont­bre­ken van gelo­vi­gen. De situatie moet bovendien zo erns­tig zijn dat de kerk ‘op geen enkele manier’ meer voor de ere­dienst gebruikt kan wor­den. Dit geval doet zich voor wanneer de bouw­kun­dige staat van de kerk zo slecht is dat het betre­den van het gebouw gevaar oplevert voor de vei­lig­heid van de gelo­vi­gen. Een derge­lijke situatie kan wor­den vast­ge­steld door gemeente­lijke instanties of door de bis­schop­pe­lijke bouw­in­spec­tie. In beide gevallen is het van belang dat deze situatie wordt vast­ge­legd in een do­cu­ment, opge­steld door ter zake des­kun­dige personen of door bur­ger­lijke instanties die een gebruiks­ver­gun­ning kunnen intrekken. Dit do­cu­ment of een afschrift ervan behoort zich te bevin­den in het dossier van de bis­schop die het decreet voor­be­reidt waar­mee de kerk aan de ere­dienst wordt ont­trok­ken. De dio­ce­sane bis­schop dient een derge­lijke beslis­sing in het decreet te beargumen­te­ren ‘met tenminste summiere vermel­ding van de beweegre­denen’ (canon [c.] 51). Deze beweegre­denen moeten in ieder geval dui­de­lijk maken dat de redenen voor onttrek­king (terug­bren­ging tot profaan gebruik) zoals in canon 1221 §1 vermeld, vervuld zijn. In dit geval is het niet nood­za­ke­lijk dat de dio­ce­sane bis­schop de pries­ter­raad hoort.

Andere gevallen waarin kerk­slui­ting raad­zaam is

Daar­naast zijn er andere gevallen waarin het raad­zaam wordt geacht een kerk aan de ere­dienst te ont­trek­ken. Canon 1222 §2 bepaalt daarover: ‘Waar andere erns­tige redenen het raad­zaam maken dat een kerk niet langer voor de god­de­lijke ere­dienst gebruikt wordt, kan de dio­ce­sane bis­schop, na de pries­ter­raad gehoord te hebben, deze terug­bren­gen tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik, met toestem­ming van hen die wet­tige rechten op de kerk laten gel­den, en mits het zielenheil er geen schade door lijdt.’

Wijzi­ging van de pa­ro­chie-indeling en kerk­slui­ting

Om een iusta causa (goede reden) kan de dio­ce­sane bis­schop de pa­ro­chie-indeling wij­zigen door grenzen te wij­zigen of pa­ro­chies op te heffen of samen te voegen, na de pries­ter­raad gehoord te hebben.[2] Zo’n goede reden hoeft geen zeer uitzon­der­lijke reden te zijn, maar kan beargu­men­teerd wor­den vanuit een veranderd aantal (prak­ti­se­rende) gelo­vi­gen of pries­ters of teruggelopen in­kom­sten of nog andere redenen.[3] De pa­ro­chie-indeling moet zo goed moge­lijk de ziel­zorg behar­tigen.

Daarbij dient wel te wor­den opgemerkt dat het ge­woon­lijk niet moge­lijk zal zijn een ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chie op te heffen, omdat er een ge­meen­schap van gelo­vi­gen in het gebied aanwe­zig blijft en het gehele diocees in pa­ro­chies moet wor­den ver­deeld (c. 374 §1), zodat het in feite zal moeten gaan om een fusie met een andere pa­ro­chie als de bis­schop oor­deelt dat de pa­ro­chie niet als zelf­stan­dige ziel­zorgeen­heid zal blijven bestaan (vgl. c. 120-123). Dit on­der­scheid is be­lang­rijk, niet in de laatste plaats omdat de tij­de­lijke goe­de­ren en alle (gees­te­lij­ke en mate­rië­le) ver­plich­tingen van de pa­ro­chie over­gaan naar de pa­ro­chie die uit de fusie ont­staat. Zolang de pa­ro­chie zelf­stan­dig bestaat, kan zij binnen de gewone kaders van het canoniek recht (met inachtne­ming van onder meer de vereisten van machti­gingen en de eigen doel­stel­ling van het ker­ke­lijk goed) be­schik­ken over haar eigen vermogen. Bij een personele pa­ro­chie ligt dit iets anders: een personele pa­ro­chie wordt opgericht voor gelo­vi­gen die een gemeen­schap­pe­lijk kenmerk hebben, bij­voor­beeld stu­den­ten, mi­gran­ten­ge­meen­schappen, gelo­vi­gen die de bui­ten­ge­wone vorm van de Romeinse ritus zijn toe­ge­daan, enzo­voort. Ophef­fing van een derge­lijke pa­ro­chie kan wor­den overwogen wanneer de doel­groep niet meer aanwe­zig is of voldoende geïntegreerd is in de ter­ri­to­ri­ale pa­ro­chies, of als op een andere wijze in de pas­to­rale zorg voor de be­tref­fen­de groep kan wor­den voor­zien.[4] De bis­schop kan dus ge­mak­ke­lijker komen tot het besluit een personele pa­ro­chie op te heffen dan een ter­ri­to­ri­ale ziel­zorgeen­heid.

Het ont­trek­ken van een kerk aan de ere­dienst (‘het terug­bren­gen van een kerk tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik’) vraagt echter meer dan een iusta causa: canon 1222 §2 stelt als voor­waarde dat er ‘erns­tige redenen’ (graves causae) moeten zijn die dit raad­zaam maken.

Het sluiten van een kerk onttrek­king aan de ere­dienst is dus niet gelijk te stellen aan het opheffen of samen­voe­gen van pa­ro­chies.

Nood­zaak van een paro­chie­kerk

Uit het ker­ke­lijk wet­boek blijkt indirect dat een pa­ro­chie over een paro­chie­kerk dient te be­schik­ken. Zo bepaalt het wet­boek dat de pastoor woo­nach­tig dient te zijn in een pastorie nabij de kerk, tenzij de plaat­se­lijke ordina­ris om een goede reden toe­staat dat hij elders verblijft, vooral in een gemeen­schap­pe­lijk huis voor meerdere pries­ters (c. 533 §1). Ook legt de Codex vast dat de aller­hei­ligste eucha­ris­tie het centrum moet zijn van het parochiële leven, dat de pastoor moet zorgen dat de gelo­vi­gen veel­vul­dig tot de eucha­ris­tie en het boete­sa­cra­ment kunnen naderen (c. 528 §2) en dat bepaalde li­tur­gische functies in het bij­zon­der aan de pastoor zijn toe­ver­trouwd, waar­on­der het lei­den van pro­ces­sie buiten de kerk en ze­ge­ningen buiten de kerk (c. 530). Daar­mee wordt dui­de­lijk dat de pa­ro­chie­ge­meen­schap over een kerk moet kunnen be­schik­ken, temeer omdat het wet­boek ook bepaalt dat de eucha­ris­tie­vie­ring (c. 932 §1), het doopsel (c. 857 §1) en het huwe­lijk van katho­lie­ken (c. 1118 §1) in een kerk moeten plaats­vin­den, en de kerk tevens de eigen plaats is voor het vormsel (c. 881) en de biecht (c. 964 §1). In canon 1217 §2 wordt voorts bepaald dat kerken, vooral ka­the­dralen en paro­chie­kerken, dienen te wor­den gewijd met een plech­tige ritus, dat het doopsel als regel dient plaats te vin­den in de eigen paro­chie­kerk (c. 857 §2), dat het huwe­lijk van een katho­liek met een gedoopte even­eens in de paro­chie­kerk moet wor­den gevierd (c. 1118 § 1) en dat de uit­vaart in de kerk van de eigen pa­ro­chie moet plaats­vin­den (c. 1177 §1). Het ker­ke­lijk wet­boek vermeldt de paro­chie­kerk dus met een zekere regelmaat. Uit al deze gegevens kan wor­den gecon­clu­deerd dat een pa­ro­chie over een (pa­ro­chie)kerk moet be­schik­ken. Wanneer pa­ro­chies wor­den samen­ge­voegd, zal de dio­ce­sane bis­schop dus een paro­chie­kerk aan­wij­zen voor de nieuwe pa­ro­chie. Kan de pa­ro­chie over meer dan één paro­chie­kerk be­schik­ken? Dit wordt nergens uit­ge­slo­ten, maar het lijkt op zich gepast dat de pa­ro­chie­ge­meen­schap op zon­da­gen en feest­da­gen voor de meer plech­tige heilige eucha­ris­tie die door de pastoor voor de aan hem toe­ver­trouwde pa­ro­chie­ge­meen­schap (pro populo) wordt opgedragen, samen­komt in één paro­chie­kerk. Wanneer bis­dom­men wor­den samen­ge­voegd, is het gebruik dat slechts een van de ka­the­dralen tot ka­the­draal van het nieuwe bisdom wordt, terwijl de andere bis­schops­kerken co-ka­the­draal wor­den.

Het besluit tot onttrek­king aan de ere­dienst

De dio­ce­sane instantie die een besluit van de bis­schop tot onttrek­king van een kerk aan de ere­dienst (in de offi­cië­le be­woor­din­gen dus: ‘terug­bren­gen tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik’, c. 1222 §2) voor­be­reidt, zal erop toe moeten zien dat de in de canon genoemde voor­waar­den vervuld zijn, en in het decreet van onttrek­king zal uit­druk­ke­lijk aan de vervulling van die voor­waar­den gerefereerd moeten wor­den. De wet­tekst roept daar­mee een aantal vragen op waarop nader moet wor­den inge­gaan. Wanneer is er sprake van ‘erns­tige redenen’ die het raad­zaam maken de kerk niet langer voor de ere­dienst te gebruiken? Aan welke voor­waar­den moet het horen van de pries­ter­raad voldoen? Wat is te verstaan onder een ‘profaan en niet onwaar­dig gebruik’ en welke invloed heeft deze voor­waarde op de onttrek­kings­pro­ce­du­re? Op wie zou de canon kunnen doelen als die het heeft over wie ‘wet­tige rechten op de kerk laten gel­den’? En in welke omstan­dig­he­den moet geacht wor­den dat het zielenheil schade lijdt?

Erns­tige redenen

Wanneer is er sprake van ‘erns­tige redenen’ die het raad­zaam maken een kerk niet langer voor de ere­dienst te gebruiken? Meer dan voor andere ker­ke­lijke gebouwen geldt dat een in­span­ning moet wor­den verricht om ze te onder­hou­den en voor de oor­spron­ke­lijke doel­stel­ling te blijven gebruiken.[5] De erns­tige redenen waarover de canon spreekt, wor­den echter niet nader om­schre­ven. De Apos­to­lische Signatuur heeft getracht dit vereiste iets nader te om­schrij­ven en con­clu­deert dat de redenen die vereist wor­den erns­tig (graves) moeten zijn, maar niet zeer erns­tig (gravissimae). Onbedui­dende redenen kunnen derhalve niet voldoen, evenmin als redenen die als zodanig niet als erns­tig beschouwd kunnen wor­den. Ander­zijds kan een reden op zich onbe­te­ke­nend lijken, maar toch als erns­tig beschouwd wor­den in het licht van de omstan­dig­he­den, plaatsen, fi­nan­ciën of personen.[6] Zo is als erns­tige reden aanvaard dat het on­der­houd van ver­schil­lende kerken voor de na een fusie ontstane nieuwe pa­ro­chie een ondraaglijke last zou zijn, waarbij in aanmer­king werd geno­men dat de kerken niet langer nodig waren voor de pas­to­rale zorg voor de gelo­vi­gen, terwijl ze de pa­ro­chie zou­den opza­de­len met een grote schuld en de mid­de­len voor andere noden van de pa­ro­chie zou­den ont­bre­ken, mede doordat het aantal gelo­vi­gen verminderde. Daarbij werd voorts overwogen dat het niet gepast zou zijn de caritas, de zorg voor de armen en derge­lijke achterwege te laten om het kerk­ge­bouw te onder­hou­den. De ernst van de reden waarom de kerken moesten wor­den verkocht, was daar­mee dui­de­lijk aange­toond.[7]

Het horen van de pries­ter­raad

Een voor­waarde voor de gel­dig­heid van zijn beslis­sing is dat de bis­schop de pries­ter­raad hoort wanneer hij om erns­tige redenen een kerk wenst terug te brengen tot een profaan en niet onwaar­dig gebruik. Wanneer de bis­schop de pries­ter­raad niet hoort, is het decreet van onttrek­king dus ongel­dig, maar de bis­schop is niet verplicht te han­de­len over­een­koms­tig het advies dat hem door de pries­ter­raad is gegeven (vgl. c. 127 §2). Alle leden van de pries­ter­raad moeten daarvoor door de bis­schop bijeen wor­den ge­roe­pen, tenzij het par­ti­cu­lier recht bepaalt dat een bij­een­komst niet nodig is.[8] Ten minste de meerder­heid, dus meer dan de helft, van de leden dient aanwe­zig te zijn (vgl. c. 119 n. 2) en aan alle aanwe­zigen dient het advies te wor­den gevraagd (c. 127 §1) of, als zij niet bijeen wor­den ge­roe­pen omdat dit niet verplicht was −, moet het advies van alle leden wor­den gevraagd.[9] De leden van de pries­ter­raad moeten de nodige in­for­ma­tie krijgen op grond waar­van zij hun advies gefun­deerd kunnen geven, zij moeten eer­lijk hun per­soon­lijke mening geven en indien de situatie dat vraagt geheim­hou­ding bewaren (c. 127 §3).

Moge­lijk­he­den tot herbestem­ming

Canon 1222 §2 gebruikt twee uitdruk­kingen: ‘niet langer gebruiken voor de god­de­lijke ere­dienst’ en terug­bren­gen van een kerk tot ‘profaan en niet onwaar­dig gebruik’. Onder ver­wij­zing naar de be­tref­fen­de canon kan het bis­schop­pe­lijk decreet de eerste uitdruk­king gebruiken, of spreken van het ont­trek­ken van de kerk aan de (rooms-katho­lie­ke) ere­dienst wanneer de omschrij­ving ‘terug­bren­gen tot profaan gebruik’ ver­war­ring kan veroor­zaken.[10]

Als moge­lijk­heid tot herbestem­ming wordt een gebruik gezien dat niet onwaar­dig is. Onder onwaar­dig gebruik moet in ieder geval wor­den gezien wat tegen geloof of zeden ingaat. Het is in ieder geval niet verbo­den een kerk­ge­bouw aan andere chris­te­lijke kerken of ker­ke­lijke ge­meen­schappen ter beschik­king te stellen.[11] De pau­se­lijke Raad voor de Mi­gran­ten acht het echter niet opportuun kerken, kapellen, plaatsen van ere­dienst of catechese ter beschik­king te stellen aan aanhangers van niet-chris­te­lijke gods­diensten.[12] Het wordt dus niet passend geacht een kerk als moskee te gaan gebruiken.

De reeds geci­teerde rondzend­brief van de in 2012 in de Con­gre­ga­tie voor de sacra­menten en de god­de­lijke ere­dienst geïntegreerde Pau­se­lijke Com­mis­sie voor de Culturele Goederen suggereert om ker­ke­lijke centra die niet meer gebruikt wor­den be­schik­baar te stellen voor sociale en culturele ac­ti­vi­teiten ten gunste van de bevol­king die in het verle­den aan de bouw van het onroerend goed heeft bij­ge­dragen.[13] In ieder geval wor­den centra voor derge­lijke ac­ti­vi­teiten dus door deze voor­ma­lige com­mis­sie als een waar­dige herbestem­ming beschouwd.

Nadere alge­meen-ker­ke­lijke bepa­lin­gen over wat als een waar­dige nieuwe bestem­ming kan wor­den beschouwd, zijn er eigen­lijk nau­we­lijks. De nieuwe bestem­ming zal om niet onwaar­dig te zijn niet in strijd mogen zijn met de katho­lie­ke moraal of het chris­te­lijk geloof. Gevoelig­he­den ter plaatse kunnen hierbij een rol spelen. De dio­ce­sane bis­schop zal moeten beoor­de­len of een bepaald gebruik niet onwaar­dig is.

Een kerk wordt aan de ere­dienst ont­trok­ken op het moment dat dui­de­lijk is tot welk ‘profaan en niet onwaar­dig gebruik’ die zal wor­den terug­ge­bracht. De nieuwe bestem­ming of het ont­bre­ken daar­van kan een rol spelen in een beroeps­pro­ce­du­re tegen het decreet van de bis­schop.

Wie hebben wet­tige rechten op de kerk?

Canon 1222 §2 geeft voorts aan dat het decreet van onttrek­king aan de ere­dienst slechts kan wor­den uit­ge­vaar­digd ‘met toestem­ming van hen die wet­tige rechten op de kerk laten gel­den’. Deze rechten kunnen niet wor­den ver­on­der­steld, maar er zal moeten wor­den aange­toond dat de bevoegde ker­ke­lijke over­heid die rechten heeft verleend of aanvaard. Bewezen moet dus wor­den dat bepaalde personen (rechts­personen of fysieke personen) op wet­tige wijze voor zich­zelf echte rechten (vera iura) claimen op de te sluiten kerk.[14] De Apos­to­lische Signatuur stelt dat de canon vooral doelt op eigendoms­rechten en derge­lijke rechten, die groten­deels terug­gaan op de stich­ting of de bouw van de kerk.[15]

Voor een correct verloop van de pro­ce­dure dient de bis­schop zo moge­lijk de gelo­vi­gen te horen over de voor­ge­no­men kerk­slui­ting, volgens canon 50, omdat zij door dit besluit geschaad kunnen wor­den .[16]

Mits het zielenheil geen schade lijdt

Een volgende voor­waarde die canon 1222 §2 stelt, luidt: ‘mits het zielenheil er geen enkele schade door lijdt’. Op de bete­ke­nis van deze voor­waarde is de Apos­to­lische Signatuur des­tijds al inge­gaan bij de beoor­de­ling van het beroep tegen de slui­ting van de Sint Eusebius­kerk te Arnhem. De rechten van de gelo­vi­gen op gees­te­lij­ke bijstand en het vieren van de ere­dienst en andere rechten en ver­plich­tingen van de gelo­vi­gen, zijn niet verbon­den met een bepaald kerk­ge­bouw. Als dit zo zou zijn, zo stelt de Signatuur, zou­den gelo­vi­gen niet meer kunnen ver­hui­zen en zou de ker­ke­lijke over­heid nooit meer pa­ro­chies kunnen opheffen, samen­voe­gen of splitsen.[17] Dat de gelo­vi­gen door de slui­ting van een kerk­ge­bouw een grotere afstand moeten afleggen om naar de kerk te gaan of dat er een minder goede (organi­sa­tie van de) pas­to­rale zorg moge­lijk zal zijn, wordt door deze recht­bank niet gezien als een reden om in beroep te kunnen gaan. Ook de artis­tieke of his­to­rische waarde van het gebouw wordt niet als zo’n grond gezien.[18] In dit ver­band moet on­der­scheid wor­den gemaakt tussen een juri­disch beroep op grond van de wet­tekst en een klacht over een onte­rechte handel­wij­ze van een ker­ke­lijke over­heid.

Het decreet

In het decreet waarin de onttrek­king aan de ere­dienst plaats­vindt, wordt voorts vermeld op welke wijze de dio­ce­sane bis­schop de inlich­tingen en bewijzen heeft verkregen waardoor dui­de­lijk is gewor­den dat er erns­tige redenen zijn om de te kerk te sluiten, welke die redenen zijn en wanneer en hoe de pa­ro­chi­anen zijn gehoord, zodat die zich hebben kunnen uit­spre­ken wanneer zij zou­den menen dat hun rechten door de slui­ting van de kerk geschaad wor­den (vgl. c. 50). Tevens kan wor­den vermeld tot welk profaan en niet onwaar­dig gebruik de kerk wordt terug­ge­bracht en op welke wijze het decreet wordt uitge­voerd en meege­deeld aan degenen die het besluit aangaat (vgl. c. 54). Het besluit wordt ge­mo­ti­veerd, mon­de­ling en/of schrifte­lijk meege­deeld aan de pa­ro­chi­anen.[19] Het is na­tuur­lijk niet nodig dat de bis­schop het decreet zelf aan alle betrok­ke­nen komt mee­de­len; voldoende is als het bekend wordt gemaakt aan de pastoor of admini­strator die de pa­ro­chie wet­tig ver­te­gen­woor­digt en deze het decreet in de zon­dagsmissen voorleest.[20]

De beroeps­pro­ce­du­re

Het beroep (recursus) tegen het decreet van de dio­ce­sane bis­schop kan slechts wor­den inge­steld wanneer eerst binnen tien dagen vanaf de wet­tige beteke­ning van het decreet een aan­vraag is inge­diend bij de auteur tot herroe­ping of ver­be­te­ring van het decreet (c. 1734 §1-2). Deze termijn is peremptoir, dat wil zeggen dat het recht tot het instellen van beroep ophoudt met het verstrijken van die termijn. Dit betekent dat een beroep dat is inge­steld na het verstrijken van de termijn niet wordt aan­ge­no­men. Onwetend­heid of onbekend­heid met de pro­ce­dure kan niet als excuus wor­den aange­voerd voor het overschrij­den van die termijn, tenzij men kan aantonen dat er geheel geen sprake van nala­tig­heid is geweest in het verwerven van de nood­za­ke­lijke kennis van de pro­ce­dure; dat zal niet ge­mak­ke­lijk zijn, want er zijn allerlei manieren om zich daar­van op de hoogte te stellen.[21]

Bevoegde instantie

Tegen het besluit van de dio­ce­sane bis­schop kan beroep wor­den aange­te­kend bij de Con­gre­ga­tie voor de Clerus. Tegen het besluit van de Con­gre­ga­tie voor de Clerus is beroep moge­lijk naar de Apos­to­lische Signatuur (Supremum Tribunal Signaturae Apostolicae). Dit beroep naar de Signatuur kan alleen wor­den inge­steld wanneer het beroep door de Con­gre­ga­tie voor de Clerus is behandeld en met een beslis­sing (een admi­ni­stra­tieve beschik­king, uit­ge­vaar­digd of goedge­keurd door de Con­gre­ga­tie) is afgesloten.[22] De bevoegd­he­den van de Hoogste Recht­bank van de Apos­to­lische Signatuur zijn echter beperkter dan die van de Con­gre­ga­tie voor de Clerus, omdat de Signatuur alleen beoor­deelt of de aangevochten beslis­sing de wet heeft geschon­den door de inhoud van de beslis­sing zelf of door de pro­ce­dure die is gevolgd. Bovendien kan de Signatuur een schadevergoe­ding toekennen voor schade gele­den door onwet­tige han­de­lin­gen.[23] Toch lijkt de bevoegd­heid wellicht beperkter dan zij in wer­ke­lijk­heid is: de Signatuur beoor­deelt bij­voor­beeld of redenen die wor­den aange­voerd om het decreet van onttrek­king aan de ere­dienst te motiveren inder­daad ‘erns­tig’ zijn, zoals de canon vraagt.[24]

Taak van de bis­schop

Het beroep kan door de klager(s) wor­den inge­steld bij de auteur van het decreet. Dit houdt in dat wie schade heeft gele­den door het besluit van de dio­ce­sane bis­schop, recursus in kan stellen bij deze bis­schop, die dit beroep on­mid­del­lijk moet doorlei­den naar de Con­gre­ga­tie voor de clerus (vgl. c. 1737). De dio­ce­sane bis­schop is er daarom tevens verant­woor­de­lijk voor dat alle rele­vante akten naar de Con­gre­ga­tie wor­den door­ge­stuurd, zoals stukken die betrek­king hebben op de ver­schil­lende stappen in het proces naar het decreet van onttrek­king: de ge­waar­merkte notulen van de pries­ter­raad, een ver­slag van het overleg met de pa­ro­chi­anen, gegevens over de herbestem­ming, en na­tuur­lijk het verzoek of de verzoeken om herroe­ping of ver­be­te­ring van het decreet door degene(n) die beroep heeft (hebben) inge­steld. Het inge­diend hebben van zo’n verzoek is een voor­waarde om in beroep te kunnen gaan en moet derhalve kunnen wor­den vast­ge­steld door degene die het beroep behandelt. De stappen die moeten wor­den gezet om tot onttrek­king aan de ere­dienst te komen, dienen in de akten gedo­cu­men­teerd te zijn.

Klager moet belang­heb­bende zijn

Ie­der­een kan in beroep gaan bij (de Con­gre­ga­tie en) een ker­ke­lijke recht­bank; het is niet nodig dat iemand gedoopt is, en daardoor binnen het canoniek recht subject van rechten en plichten is, om een pro­ce­dure te kunnen beginnen (vgl. c. 1476). Om in beroep te kunnen gaan moet iemand echter gele­gi­ti­meerd zijn doordat hij een subjec­tief recht heeft, of een wet­tig belang dat concreet geschaad zou kunnen zijn.[25] Er moet dus een belang in het spel zijn en dat moet per­soon­lijk zijn, direct en actueel en ten minste op indirecte wijze door de wet wor­den beschermd. Tevens moet er een pro­por­tio­nele ver­hou­ding zijn tussen de beslis­sing die door de over­heid is geno­men en het belang dat is geschaad.[26] De moge­lijk­heid om in beroep te gaan is er dus alleen als iemand per­soon­lijk een schade lijdt door de beleidsbeslis­sing die in ver­hou­ding staat tot de redenen waarom die beslis­sing is geno­men. Een groep of comité kan als zodanig alleen in beroep gaan wanneer sprake is van een rechts­persoon; wel kunnen de in­di­vi­duele leden in beroep gaan, mits hun belangen inder­daad schade hebben gele­den. De rechter heeft de bevoegd­heid af te wegen of dit het geval is.[27] Een beroep dat wordt inge­diend door een groep zonder rechts­per­soon­lijk­heid, wordt niet zonder meer ge­ïnter­pre­teerd als beroep van in­di­vi­duele gelo­vi­gen.[28] Als manifest is dat een beroep iedere grond ontbeert, wordt het niet tot be­han­de­ling door het college van rechters toe­ge­la­ten, maar door de prefect beslist in de regel­ma­tige ver­ga­de­ring van stafle­den (Congresso).[29] Degenen die in beroep gaan, moeten de redenen waarom zij in beroep gaan kunnen staven (vgl. c. 1526 §1). Indien de klagers bij­voor­beeld aan­voeren dat het zielenheil schade lijdt of dat zij bepaalde wet­tige rechten kunnen laten gel­den, moeten zij tevens het bewijs leveren dat hun bewe­ring kan onder­bou­wen.

Opschortende wer­king

Als een beroep tegen een kerk­slui­ting door de Signatuur wordt aanvaard voor be­han­de­ling, wordt de uit­voe­ring van de beslis­sing van de bis­schop (ge­woon­lijk) opgeschort en moeten het kerk­ge­bouw en het interieur intact blijven tot de de­fi­ni­tieve uit­spraak door het rechts­col­lege is gedaan.[30] Dit is ge­woon­lijk ook van toepas­sing tij­dens de beroeps­pro­ce­du­re voor de Con­gre­ga­tie voor de clerus; het lijkt er echter op dat de Con­gre­ga­tie vooral veilig wil stellen dat er geen onom­keer­ba­re beslis­singen wor­den geno­men. De beslis­singen die de Con­gre­ga­tie in afzon­der­lijke gevallen heeft geno­men, zijn niet syste­ma­tisch ge­pu­bli­ceerd; zeker is echter dat niet (altijd) vereist wordt dat een kerk hangende de pro­ce­dure heropend wordt.

Besluit

De gevoelig­heid van de materie vraagt in geval van onttrek­king aan de ere­dienst van een kerk om een zorg­vul­dige pro­ce­dure. Dit is voor de dio­ce­sane bis­schop van belang, aangezien ten aanzien van kerk­slui­tingen in nogal wat gevallen door gelo­vi­gen beroeps­pro­ce­du­res wor­den be­gon­nen en het na­tuur­lijk beschamend en tijdrovend is als door een fout in de be­han­de­ling of een ver­keerde argumen­ta­tie heel de pro­ce­dure hernomen moet wor­den.

+Jan Hendriks


[1] Codex Iuris Canonici, auctoritate Ioannis Pauli II promulgatus 1983; Latijns-Neder­landse uitgave in opdracht van de Belgische en Neder­landse Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie, Brussel, Baarn 19962.

[2] Vgl. Supreme Tribunal of the Apostolic Signatura, Decree of the Congresso, 3 mei 1995, W.L. Daniel (Ed.), Ministerium Iustitiae. Jurispru­dence of the Supreme Tribunal of the Apostolic Signatura, met een voor­woord van R.L. Card. Burke (Collection Gratianus, section research tools), Montréal 2011, nr. 267-272, hier nr. 270.

[3] Vgl. idem.

[4] Idem, nr. 270, waar de Signatura de Instructio de pas­to­rali migratorum cura (1969) van de Con­gre­ga­tie voor de Bis­schop­pen citeert: ‘Paroecia personalis est una tantum ex pluribus comprobatis rationibus et viis (...) in pas­to­rali cura agenda pro coetibus specialibus fidelium.’

[5] Pontificia Commissione per i Beni Culturali, Lettera Circolare ‘Fra le sollecitudini’, 10 apr. 1994, Enchirdion Vaticanum (deel 14), Bologna 1997, nr. 918-947, hier m.n. nr. 925-929.

[6] Signatura, Definitive Sentence of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 279, p. 524.

[7] Signatura, Definitive Sentence of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 281, p. 526-527: ‘gravitas causae omnino patet’.

[8] In de Toepas­singsbesluiten van de Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie en de Statuten van de pries­ter­raad van het bisdom Haar­lem-Am­ster­dam is niet voor­zien dat een bij­een­komst niet nodig is.

[9] Vgl. Codice di Diritto Canonico Commentato, Milaan 2001, ad can. 127, p. 175.

[10] Vgl. W. Woestman, ‘Canon 1222, Relega­ting a church to profane use’, in: A. Espelage (Ed.), CLSA advisory opinions 2001-2005 (Canon Law Society of America), Alexandria 2006, p. 329-330.

[11] Vgl. Pau­se­lijke Raad voor de Pas­to­raal voor Mi­gran­ten en Mensen op Reis, In­struc­tie ‘Erga migrantes caritas Christi’, 3 mei 2004, AAS 2004, 96, p. 762-822, hier nr. 56; vgl. hierover ook Sekretariat Der deutschen Bischofskonferenz, ‘Umnutzung von Kirchen’, Beurteilungskriterien und Entscheidungshilfen, Artbeitshilfen 2003, nr. 175, m.n. p. 19 (5.1.1.).

[12] Idem, nr. 61.

[13] ‘Fra le sollecitudini’ (cit.),  Enchirdion Vaticanum 14, nr. 925.

[14] Signatura, Decree of the Congresso, 3 mei 1995, Ministerium Iustitiae, nr. 271.

[15] Signatura, Definitive Decree of the College, 21 nov. 1987, Ministerium Iustitiae, nr. 228-237, hier nr. 236.

[16] Vgl. Signatura, Definitive Sentence of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 274, p. 516.

[17] Idem, nr. 235.

[18] Idem, nr. 236-237.

[19] Vgl. Signatura, Decree of the Congresso, 6 dec. 1993, Ministerium Iustitiae nr. 245.

[20] Vgl. Signatura, Decree of the Congresso, 12 okt. 1995, Ministerium Iustitiae, nr. 252-253 en Decree of the College, 4 mei 1996, nr. 257.

[21] Vgl. Signatura, Decree of the Congresso, 12 okt. 1995, Ministerium Iustitiae, nr. 252-253; idem, Definitive Decree of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 262 en 264.

[22] Vgl. bijv. Signatura, Decree of the Congresso, 3 mei 1995, Ministerium Iustitiae, nr. 269.

[23] Paus Johannes Paulus II, Apos­to­lische Con­sti­tu­tie Pastor Bonus de Romana Curia, 28 juni 1988, art. 123 §1: ’Praeterea congnoscit de recursibus (...) quoties contendatur num actus impugnatus legem aliquam in decernendo vel in proce­dendo violaverit. §2: In his casibus, praeter iudicium de illegitimitate, conoscere etiam potest, si recurrens id postulet, de reparatione damnorum actu illegitimo illatorum’, in: Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium, Vatican­stad 1990, p. 299-370; paus Bene­dic­tus XVI, Litterae Apostolicae M.P. datae Antiqua Ordinatione, quibus Supremi Tribunalis Signaturae Apostolicae lex propria promulgatur, 21 juni 2008, art. 34 in: 2008, 100, p. 513-538; vgl. S. Berlingò, ‘La competenza di leggitimità e di merito della Segnatura Apostolica secondo la Lex Propria’, in: P.A. Bonnet & C. Gullo, La Lex Propria del S.T. della Segnatura Apostolica (Studi giuridici LXXXIX),Vati­caan­stad 2010, p. 121-138.

[24] Vgl. bijv. Signatura, Decree of the Congresso, 3 mei 1995, Ministerium Iustitiae, nr. 271 en 272c: ‘(...) violationem legis in decernendo ob defectum causae gravis de qua in can. 1222, §2 (...)’.

[25] ‘(...) requiritur insuper ut titula­ris sit alicuius iuris subiectivi vel in­te­res­se legitimi, quod asseritur laesum esse’, in: Apos­to­lische Signatuur, Definitive Decree of the College, 21 nov. 1987, Daniel 2011, nr. 228-237, hier nr. 231.

[26] Idem, nr. 232.

[27] Pau­se­lijke Com­mis­sie voor de Authen­tieke In­ter­pre­ta­tie van het Wetboek van Canoniek Recht, ‘Responsum 20 juli 1987’, AAS 1988, 80, p. 1818. Vgl. Signatura, Definitive Decree of the College, 21 nov. 1987, Ministerium Iustitiae, nr. 230; Signatura, Decree of the Congresso, 3 mei 1995,  Ministerium Iustitiae, nr. 268 en 269.

[28] Signatura, Definitive Decree of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 261: ‘Ad c) Sufficit animadvertere quod subscriptio recursus propositi nomine coetus assumi nequit pro recursu a singulis fidelibus exhibito.’

[29] Paus Bene­dic­tus XVI, Litt. Ap. M.P. Antiqua ordinatione, 26 juni 2008, in: P.A. Bonnet & C. Gullo, La Lex Propria del S.T. della Segnatura Apostolica (Studi giuridici LXXXIX), Vati­caan­stad 2010, p. 473-490, hier art. 22.

[30] Signatura, Definitive Sentence of the College, 4 mei 1996, Ministerium Iustitiae, nr. 273: ‘(...) ut tum aedes sacra, tum sacra suppellectilis ad eamdem pertinens tuto servarentur usquedum H.S.T. suam dederit sen­tentiam definitivam in causa’; vgl. nr. 275, p. 518.

Terug