Arsacal
button
button
button
button


Disciplinaire maatregelen bij beschuldiging van seksueel misbruik

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: zaterdag, 23 april 2016
Disciplinaire maatregelen bij beschuldiging van seksueel misbruik

Wanneer een priester, diaken of kerkelijk medewerker wordt beschuldigd van seksueel misbruik of van een ander misdrijf (delict) en die beschuldiging tenminste schijn van waarheid, enige waar­schijn­lijkheid (“saltem veri similem”) bezit, moeten soms in een vroeg stadium bepaalde maatregelen worden genomen om herhaling of voortzetting van de ernstige, strafbare feiten te voorkomen. Deze maatregelen kunnen worden genomen als voorzorgsmaatregelen in het kader van een kerkelijk strafproces (c. 1722). Ook buiten dit kader werd in sommige gevallen met name door een Ordinaris[1] of de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer een disciplinaire maatregel opgelegd, waarbij in een aantal gevallen een beroep werd gedaan op canon 223 §2 of canon 1044 §2 van het kerkelijk wetboek.[2] In dit artikel staan we stil bij enkele kerkelijke uitspraken en documenten hierover en de jurisprudentie die hieromtrent in de laatste jaren is ontstaan.

1. Het opleggen van voorzorgsmaatregelen volgens canon 1722

De Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer heeft binnen de Romeinse Curie de exclusieve competentie inzake de behandeling van zaken van seksueel misbruik van minderjarigen door clerici.[3] Op 12 april 2010 heeft deze Con­gre­ga­tie een Directorium gepubliceerd in de Italiaanse en Engelse taal waarin de kerkelijke procedures voor de behandeling van beschuldigingen van seksueel misbruik voor “leken en niet-canonisten” worden uitgelegd.[4] Het gaat hier dus niet om een document met rechts­kracht, maar om een gezagvolle uitleg van de procedure voor een breed publiek. Op 16 juli van hetzelfde jaar werd de gewijzigde versie van Sacramentorum sanctitatis tutela bekend gemaakt met nieuwe procedurele normen, gedateerd 21 mei 2010. Deze procedurele normen betreffen de behandeling van de zogenaamde delicta graviora, de meer ernstige misdrijven, waaronder seksueel misbruik van minderjarigen door geestelijken (“misdrijf tegen het zesde gebod van de Decaloog met een minderjarige onder de achttien jaar door een clericus bedreven”).[5] Zowel in de procedurele normen als in het Directorium wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de Ordinaris al vanaf het voorafgaand onderzoek in een strafprocedure de aangeklaagde de verboden op kan leggen die in canon 1722 (CCEO c. 1473) zijn voorzien: het verbod om zijn gewijde bediening, een kerkelijk ambt of kerkelijke taak uit te oefenen, het verbod om in een plaats of gebied te verblijven (of zelfs een gebod om op een bepaalde plaats te verblijven) of ook om publiek aan de aller­heiligste Eucha­ris­tie deel te nemen[6]. Dat dit al tijdens het vooronderzoek mogelijk is, is pas geïn­tro­du­ceerd in de genoemde procedurele normen, die dus het behandelen van de delicta graviora betreffen en die de bevoegdheid om deze verboden op te leggen ook uitstrekken tot de voorzitter van de turnus van rechters bij de behandeling van de zaak in een strafproces.[7] In een rondzendbrief van 3 mei 2011 schrijft de prefect van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer zelfs dat de bepaling van de procedurele normen voor de bisschop of hogere overste een verplichting inhoudt om reeds aan het begin van het voorafgaand onderzoek te bepalen welke voorzorgsmaatregelen van canon 1722 moeten worden toegepast.[8] De Con­gre­ga­tie ziet het nemen van maatregelen volgens canon 1722 in de context van de delicta graviora dus niet slechts als een mogelijkheid voor uitzonderlijke gevallen als de noodzaak zich opdringt.

Het is duidelijk dat deze bepaling, die geen strafwet is maar binnen het kader van het procesrecht valt, en de mogelijkheid die nu tijdens het voorafgaand onderzoek toe te passen, betrekking hebben op de gevallen van seksueel misbruik van minderjarigen en zwakzinnigen door clerici (substantiële normen art. 6 §1, 1), van bezit of verspreiding van kinderporno door clerici (art. 6 §1, 2) en andere delicta graviora. Is de mogelijkheid om canon 1722 in het voorafgaand onderzoek toe te passen ook van kracht in andere gevallen, bij­voor­beeld in geval van beschuldigingen van seksueel misbruik van meerderjarigen of van diefstal van grote geldbedragen uit de kas van parochie, om maar iets te noemen? Wie de Synthesis mutationum... leest - een overzicht van de wijzigingen en aanvullingen die in de nieuwe uitgave van de procedurele normen zijn ingevoerd, welk document overigens geen juridische status bezit -, zou geneigd zijn te denken van niet, omdat die spreekt van het introduceren van een (nieuwe) mogelijkheid, een invoering die alleen plaats vindt binnen het kader van de behandeling van de delicta graviora. De Apos­to­lische Signatuur leek er in het verleden vanuit te gaan dat toepassing van c. 1722 pas mogelijk was na afsluiting van het voorafgaand onderzoek en dan zou toepassing tijdens het voorafgaand onderzoek naar delicta graviora een uitzondering zijn op de algemene regel.[9] Wie daarentegen de normen zelf bestudeert, die slechts een in de Codex vermeld recht van de Ordinaris bekrachtigen (“Firmo iure...”, art. 19), zal eerder tot de conclusie komen dat slechts geëxpliciteerd wordt wat in het kerkelijk wetboek in canon 1722 al wordt vermeld en van kracht is, namelijk dat deze maatregelen “in elke fase van het proces” kunnen worden toegepast en dat daar ook de fase van het voorafgaand onderzoek toe behoort die in het kerkelijk wetboek onder het strafproces (titel deel IV, boek VII “De processu poenali”) wordt behandeld.[10] De wijziging in de normen lijkt alleen een uitbreiding te betreffen van de bevoegdheid om canon 1722 toe te passen, die nu ook bij de voorzitter van het college van rechters wordt gelegd.

Dit betekent dat zware disciplinaire maatregelen kunnen worden toegepast wanneer een misdrijf nog slechts een waar­schijn­lijkheid bezit, maar niet bewezen is. De clericus die deze maatregelen opgelegd heeft gekregen in het kader van een procedure wegens misbruik van minderjarigen of een van de andere delicta graviora, heeft wel een recht in beroep te gaan bij de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer.[11]

Het Directorium bevestigt in feite deze uitleg. Onder verwijzing naar de voorzorgsmaatregelen (“precautionary measures”) die tijdens het voorafgaand onderzoek en tot aan de afsluiting van de zaak genomen kunnen worden, stelt dit document dat het tot de gewone bevoegdheid (“ordinary authority”) van de bisschop behoort, “which he is encouraged tot exercise to whatever extent is necessary to assure that children do not come to harm...”. Het Directorium voegt hier nog aan toe: “.. this power can be exercised at the bishop’s discretion before, during and after the canonical proceeding”.[12] Daarmee ziet het Directorium - dat geen juridische tekst is - deze bevoegdheden ook buiten het kader van het strafproces functioneren. De geciteerde rondzendbrief van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer verwijst in dit verband naar het “bonum commune”. Het komt er dus op neer dat genoemde documenten stellen dat de voorzorgsmaatregelen van canon 1722 (die volgens de canon kunnen worden opgelegd “om ergernis te voorkomen, om de vrijheid van de getuigen te beschermen en om de loop van de gerechtigheid veilig te stellen”) gezien moeten worden in het breder kader van de opdracht van de bisschop om het “bonum portionis populi Dei sibi commissae” (“welzijn van het hem toevertrouwde deel van het volk Gods”, c. 473 §1) te behartigen. Het “bonum commune” speelt dus ook hier een rol en dat lijkt te verwijzen naar canon 223 §2.[13]

Daarmee wordt het kader van canon 1722 dus zeer verbreed en wel op een wijze die vanuit de tekst van de canon zelf moeilijk te rechtvaardigen is. Bovendien is deze redenering niet alleen op de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik van toepassing. Een gevaar is dat bij de urgentie om adequaat te handelen en op te treden tegen seksueel misbruik, de voorzichtigheid, het in acht nemen van een correcte procedure en het respect voor de rechten van de aangeklaagde te zeer uit het oog wordt verloren. Het Directorium formuleert de bevoegdheden van de Bisschop erg breed, waardoor het haast lijkt of die naar willekeur kan handelen.

Tegelijk is duidelijk dat een Bisschop bepaalde bevoegdheden moet hebben om in dringende situaties tijdig te kunnen handelen. Men heeft in de laatste jaren daarom voor dit probleem ook wel een oplossing gezocht in canon 223 §2 en canon 1044 §2, n. 2, die geen strafprocedure veronderstellen.

2. Disciplinaire maatregelen en de toepassing van de canones 223 §2 en 1044 §2, n. 2

Het Directorium van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer verwijst dus naar het “bonum commune” als reden voor het opleggen van beperkende disciplinaire maatregelen die als voorzorgsmaatregelen worden verstaan. Ook canon 223 §2 wijst op het “bonum commune” als reden dat de kerkelijke overheid het recht heeft de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn “te regelen” (“moderari”).[14] Intussen is deze nogal algemene bepaling nader ingekleurd door de jurisprudentie van met name de Apos­to­lische Signatuur. Uit een decreet van de prefect van de Signatura blijkt dat deze instantie een totaal verbod van priesterlijk dienstwerk buiten het kader van een strafprocedure (“extra ambitum poenalem”) afwijst, tenzij er een speciaal pauselijk mandaat wordt gegeven of er een irregulariteit of beletsel in de zin van c. 1044 aanwezig is. Een administratieve beschikking die iedere uitoefening coram populo (voor het volk, publiek) van het priesterlijk dienstwerk verbiedt, met inbegrip van de bevoegdheden die het universeel recht aan priesters verleent, is buiten dit kader niet toegestaan.[15] In een commentaar op dit decreet schrijft P. Buselli Mondin dat zo’n verbod slechts mogelijk is als uitkomst van een strafprocedure, wanneer er sprake is van een delict dat met morele zekerheid is vastgesteld, maar het decreet van de Signatuur sluit een dergelijk verbod als voorzorgsmaatregel in de zin van canon 1722 niet uit.[16] Buiten het kader van een strafproces kan de bevoegde kerkelijk overheid wél besluiten een bepaald ambt of een bepaalde faculteit - zoals de bevoegdheid om te preken of biecht te horen (vgl. cc. 764 en 974 §1) - niet aan iemand toe te vertrouwen op grond van een positieve en waar­schijn­lijke twijfel omtrent de geschiktheid van de kandidaat of die bevoegdheid in te trekken.[17] Aanvaard werd eveneens de disciplinaire beslissing van een bisschop die vanwege gegronde twijfel over de geschiktheid voor het priesterlijk dienstwerk, buiten een strafprocedure, besloot dat een priester niet publiek de liturgie mocht vieren totdat hij een behandeling zou hebben ondergaan in een bepaalde instelling.[18] Afgewezen daarentegen werd de beslissing van een bisschop die een priester alle faculteiten ontnam, ieder priesterlijk dienstwerk verbood en een boetedoening oplegde vanwege een kleiner vergrijp en zonder canonieke procedure. De bisschop heeft niet de bevoegdheid de uitoefening van het priesterlijk dienstwerk te verbieden, tenzij “ad normam iuris” (volgens de bepaling van het recht, vgl. c. 221 §3), terwijl ook het opleggen van een boetedoening een delict veronderstelt.[19]

De Signatuur stelt dus dat het een bisschop is toegestaan bepaalde bevoegdheden in te trekken of voorwaarden te stellen alvorens uitoefening van priesterlijke bevoegdheden toe te staan, op grond van geschiktheid.

Kan canon 223 §2 worden ingeroepen als grond voor een dergelijk besluit? Inderdaad zijn er bis­schop­pen geweest die een verbod op priesterlijk dienstwerk hebben gemotiveerd onder verwijzing naar canon 223 §2.[20]

De Pauselijk Raad voor de Wetsteksten heeft echter in een Verklarende Nota van 8 december 2010 aangegeven dat vanuit de wordingsgeschiedenis van canon 223 §2 blijkt dat de kerkelijke overheid de bevoegdheid heeft de uitoefening van rechten ook door bepalingen van algemeen karakter (“provvedimenti di carattere generale”) te regelen, door de concrete uitoefening van deze rechten met het oog op het algemeen welzijn nader te bepalen. Dat wordt door canon 223 §2 geviseerd. De Pauselijke Raad verzet zich in de Nota echter tegen een beperking van de uitoefening van rechten van in­di­vi­duen op grond van deze canon: “De norm kan dus niet worden ingeroepen om de uitoefening van de rechten te beperken in in­di­vi­duele gevallen, aangezien het canoniek rechtssysteem daartoe de noodzaak voorziet om andere procedures te volgen, met specifieke vereisten en samengaand met welbepaalde garanties”.[21] De canon mag niet zo worden geïnterpreteerd dat grenzen en procedures die door het canoniek recht worden aangegeven, niet meer van kracht zouden zijn, omdat er op grond van canon 223 §2 maatregelen zijn genomen.

In andere gevallen is wel getracht canon 1044 §2 n. 2 toe te passen om een geestelijke die misbruik heeft gepleegd te verhinderen priesterlijke dienst te vervullen. De canon luidt:

 “Tot het uitoefenen van wijdingen zijn verhinderd: 2º Wie lijdt aan krankzinnigheid of een andere psychische ziekte waarover in c. 1041 n. 1, totdat de Ordinaris, na raadpleging van een deskundige, de uitoefening van deze wijding toegestaan heeft”.

Canon 1041 n. 1 stelt:

“Tot het ontvangen van wijdingen zijn irregulier: 1º wie lijdt aan een of andere vorm van krankzinnigheid of een andere psychische ziekte waardoor hij, na raadpleging van deskundigen, ongeschikt geoordeeld wordt om het dienstwerk op de voorgeschreven wijze te vervullen.”

Deze canones zouden volgens sommige auteurs een weg openen om zonder vorm van proces een clericus te verhinderen zijn ambt uit te oefenen en in feite een (blijvend) verbod op te leggen dat in de praktijk nauwelijks verschilt van een (blijvende) straf, maar daarin schuilt tevens een groot gevaar. Toepassing van deze canon kan gemakkelijk tot onrecht leiden, omdat een procedure met hoor en wederhoor nauwelijks is voorgeschreven. Voldoende voor het verklaren van het bestaan van het beletsel zou een rapport van een deskundige zijn, waarop de bisschop na de clericus gehoord te hebben een gemotiveerd decreet kan uitvaardigen en aan de geestelijke in kwestie kan doen betekenen. Tegen deze beslissing is administratief beroep mogelijk. Het is een weg die alleen in zeer bepaalde gevallen rechtmatig begaanbaar is voor de kerkelijke overheid, zoals wanneer er een voortdurende ziekelijke neiging tot pedoseksuele contacten is vastgesteld. Deze weg kan echter gemakkelijk tot misbruik leiden wanneer die zonder vorm van proces wordt toegepast op iemand die van ernstige feiten wordt beschuldigd, zonder dat die feiten voldoende zijn vastgesteld.[22]

De praktijk van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer sluit echter niet uit dat buiten strafrechtelijk kader disciplinaire maatregelen worden genomen “ter bescherming van het algemeen welzijn, wanneer de ernst van het geval en de ergernis bij de gelovigen dit vereisen”.[23]

3. Stappen die voorafgaan aan de toepassing van canon 1722

Uit de verschillende decreten en documenten die in dit artikel zijn besproken, blijkt wel dat verdere verheldering goed en nodig is. Duidelijk wordt dat er enerzijds een intentie is de gevallen van seksueel misbruik en andere meer ernstige delicten adequaat te behandelen en te voorkomen dat een dader kan voortgaan delicten te plegen. Anderzijds dient men het recht op verdediging in een rechtvaardig proces te beschermen. Dit laatste heeft ertoe geleid dat met name buiten het kader van een strafprocedure (strafproces of administratieve procedure) beperkingen zijn aangegeven in de mogelijkheden om disciplinaire maatregelen te nemen, zoals hiervoor is besproken. Het opleggen van disciplinaire maatregelen die heel de uitoefening van het priesterlijk dienstwerk raken, zal buiten het kader van het strafrecht gewoonlijk niet mogelijk zijn.

Binnen dat kader ligt het anders. De gewijzigde procedurele normen hebben voor de behandeling van delicta graviora de mogelijkheid van een buitengerechtelijk proces geopend, welke mogelijkheid met verlof van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer kan worden gevolgd. en waarbij met een mandaat van de Con­gre­ga­tie zelfs blijvende uitboetingsstraffen kunnen worden opgelegd.[24] Dit betekent dat een ingewikkelder en waar­schijn­lijk langer durend strafproces wordt vermeden. Over dit aspect en de toepassing van canon 1722 tijdens de strafprocedure en bij het voorafgaand onderzoek worden vragen gesteld door verschillende auteurs. Aan de maatregelen van canon 1722 zijn bij­voor­beeld geen andere temporele grenzen gesteld dan de duur van het strafproces. In geval van een verdenking van seksueel misbruik van een minderjarige door een clericus moet de zaak na een voorafgaand onderzoek aan de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer worden voorgelegd, die aangeeft dat de Ordinaris het proces moet vervolgen of de behandeling aan de Con­gre­ga­tie voorbehoudt.[25] Daarmee kan enige tijd gemoeid zijn. Dit klemt te meer nu de maatregelen van canon 1722 al bij het voorafgaand onderzoek kunnen worden opgelegd. G. Puntillo vraagt zich dan ook bij­voor­beeld af of de rechten van de mens nog voldoende zijn gesauveerd.[26] Het voor­schrift van canon 1717 §2 (vgl. c. 220) dat er gewaakt moet worden dat door dit onderzoek niemands goede naam in gevaar wordt gebracht, vraagt in zo’n geval zeker bijzondere aandacht.

In ieder geval is te bedenken dat de Ordinaris zich eerst een oordeel moet vormen over de waar­schijn­lijkheid van een misdrijf (“Quoties ... notitiam, saltem veri similem habet de delicto”) voordat het voorafgaand onderzoek begint (c. 1717 §1) en dat tijdens het voorafgaand onderzoek moet worden gewaakt dat “niemands goede naam in gevaar gebracht wordt” (c. 1717 §2; vgl. c. 220). De Ordinaris moet zich zelf een oordeel vormen over de waar­schijn­lijkheid en geloof­waar­digheid van de klacht. In dat stadium is het voor de Ordinaris “beslist niet opportuun” er met de aangeklaagde clericus of met meer dan één andere persoon over te spreken. Indien hij echter besluit tot een voorafgaand onderzoek, is het in het algemeen gepast dat hij de betrokken clericus meteen informeert over wat er gaande is.[27] Een strikte verplichting daartoe is er pas bij aanvang van de eigenlijke strafrechtelijke procedure (vgl. cc. 1720 n. 1, 1723 §1, 1728 §1, cc. 1507-1508).

De Ordinaris moet derhalve de vraag beoordelen of er sprake is van een misdrijf (delictum, vgl. cc. 1364-1399).[28] De maatregelen van canon 1722 kunnen niet worden toegepast en een strafrechtelijke procedure niet in gang gezet indien de feiten verjaard zijn. Een strafvordering vervalt - wanneer het gaat om misdrijven die aan de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer voorbehouden zijn - door verjaring na twintig jaar, tenzij de Con­gre­ga­tie in een bepaald geval de termijn wijzigt, maar dit kan alleen wanneer de feiten een misdrijf vormden in de tijd dat ze gepleegd werden. In geval van seksueel misbruik van minderjarigen begint de verjaringstermijn pas te lopen wanneer de minderjarige achttien jaar wordt, zodat de strafvordering momenteel verjaart wanneer het slachtoffer de leeftijd van 38 jaar bereikt.[29] Deze verjaringstermijn was in de eerste uitgave van de Sacramentorum sanctitatis tutela (30 april 2001) nog tien jaar (art. 5) en de huidige wetgeving heeft geen terugwerkende kracht. Omdat de wet geen terugwerkende kracht heeft wordt seksueel misbruik van minderjarigen tussen 16 en 18 jaar, vóór 30 april 2001 gepleegd niet als misdrijf gezien en bestraft (vgl. c. 1395). De Con­gre­ga­tie sluit in deze gevallen echter disciplinaire maatregelen niet uit waar de ernst van het geval en de ergernis bij de gelovigen dit vereisen.[30] Het afwegen van deze elementen behoort tot de vraag of er sprake is van een delict en dus tot de afweging die de Ordinaris moet maken voordat hij een voorafgaand onderzoek in gang zet en eventuele maatregelen neemt in de zin van canon 1722.

Vervolgens moet de Ordinaris oordelen over de vraag of de melding van het misdrijf inderdaad waar­schijn­lijkheid bezit. Hij moet antwoorden op de vraag of het bericht over het misdrijf weleens waar zou kunnen zijn of niet. Verschillende afwegingsfactoren die behulpzaam kunnen zijn bij de vorming van een dergelijk oordeel, zijn in het reeds geciteerde artikel van Kardinaal Fr. Coccopalmerio te vinden: het aantal personen dat hetzelfde feit signaleert (een melding door meer mensen maakt die waar­schijn­lijker), de betrekkingen tussen deze mensen (een melding wordt waar­schijn­lijker als de denuncianten onafhankelijk en niet door elkaar beïnvloed zijn), de zin voor de werkelijkheid en het vermogen van de denunciant om objectief en correct weer te geven wat er gebeurd is, de verhouding tussen de denuciant en de aangeklaagde (als de aanklager geen enkele intentie heeft de beklaagde kwaad te doen, is de beschuldiging waar­schijn­lijker), de inhoud van de verklaring (een duidelijke beschrijving met de omstandigheden maakt de denunciatie waar­schijn­lijker), de bereidheid om de beschuldiging schriftelijk te geven en te ondertekenen (maar bij een weigering speelt soms een vrees voor negatieve consequenties een rol), bekendheid van de Ordinaris met de klager (kennis van de persoon maakt het gemakkelijker de waarde van de beschuldiging in te schatten). In geval van anonieme beschuldigingen, blijft het principe van de Codex van 1917 van waarde: aan anonieme beschuldigingen die algemeen blijven en geen concrete elementen en omstandigheden bieden, is geen enkele waarde toe te kennen en zij moeten vernietigd worden.[31]

Het is op grond van deze afweging van de vraag of er inderdaad sprake is van een misdrijf (vormen de gemelde feiten een misdrijf? is er geen sprake van verjaring?) en de melding van het misdrijf schijn van waarheid bezit - de melding kan waar zijn of niet -, dat de Ordinaris bij decreet (vgl. c. 1719) besluit tot het voorafgaand onderzoek. In die fase worden vervolgens door de Ordinaris of een andere geschikte persoon de feiten en omstandigheden onderzocht en wordt gekeken naar de toerekenbaarheid (c. 1717 §1); dan kunnen maatregelen zoals voorzien in c. 1722 worden genomen op de gronden die in de canon worden genoemd en die hiervoor besproken zijn, waarbij ervoor gewaakt moet worden dat enerzijds slachtoffers worden beschermd en herhaling van de misdrijven wordt voorkomen, anderzijds de goede naam van een beschuldigde niet in gevaar wordt gebracht voordat het mogelijk misdrijf is onderzocht, vastgesteld en beoordeeld.

 

Het opleggen van disciplinaire maatregelen vraagt dus om zorgvuldigheid. De mogelijkheden tot het toepassen van deze maatregelen zijn verschillend al naar gelang dit binnen of buiten een strafprocedure plaatsvindt, waarbij zowel de bescherming van de slachtoffers als het recht op een rechtvaardig proces in het oog moeten worden gehouden.

 

                                                         + Jan Hendriks
                                                         tit. Bisschop van Arsacal
                                                         hulp­bis­schop van Haarlem-Amsterdam

 


[1] Onder ‘Ordinaris’ is te met name verstaan: de paus, de diocesane bis­schop­pen en anderen die over een particuliere Kerk zijn aangesteld, Vicarissen-generaal en bisschoppelijk vicarissen en hogere oversten (provinciaals), zie canon 134 §1 van Codex Iuris Canonici, auctoritate Ioannis Pauli PP. II promulgatus (Vatican city, 1983); Nederlandse vertaling: Wetboek van Canoniek Recht (Brussel, Baarn, 1996²).

[2] Canon 223 §2 van het kerkelijk wetboek luidt: “Het komt de kerkelijke overheid toe om, met het oog op het algemeen welzijn, de uitoefening van de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn, te regelen”. Voor de tekst van canon 1044 §2 zie hieronder par. 2 van dit artikel.

[3] P. JOHANNES PAULUS II, Motu Proprio Sacramentorum sanctitatis tutela, 30 April 2001; Normae substantiales en Normae processuales herzien en goedgekeurd door paus Benedictus XVI, 21 mei 2010; tekst in: Communicationes 42(2010), pp. 333-344 (ook in: AAS 102(2010), pp. 419-432); een toelichting op de bevoegdheid en de historische achtergrond van de competentie van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer, in: idem, pp. 349-353.

[4] CONGREGATIO PRO DOCTRINA FIDEI, Directorium ad fundamentaliter intellegendam rationem procedendi in allegationibus respicientibus abusus sexuales in minores patratos a Congregatione pro Doctrina Fidei latum, in: Communicationes 42(2010), pp. 58-59 (Engelse tekst) en pp. 60-61 (Italiaanse tekst). In dit artikel wordt de Engelse tekst geciteerd; we refereren aan de tekst onder de naam “Directorium”. De teksten zijn ook te vinden op de website www.vatican.va/resources.

[5] Normae substantiales, art. 6 §1, n.1.

[6] Canon 1722 luidt: “Om ergernis te voorkomen, om de vrijheid van de getuigen te beschermen en om de loop van de gerechtigheid veilig te stellen, kan de Ordinaris, na de promotor van het recht gehoord en de aangeklaagde zelf gedagvaard te hebben, in elke fase van het proces de aangeklaagde van de gewijde bediening of van een kerkelijk ambt (“officium”) en kerkelijke taak (“munus”) weren, hem verblijf opleggen of verbieden in een plaats of gebied, of ook publieke deelname aan de aller­heiligste Eucha­ris­tie verbieden; dit alles moet, wanneer de oorzaak ophoudt te bestaan, herroepen worden en wordt van rechtswege beëindigd bij het ophouden van het strafproces”.

[7] Normae processuales, 2010, cit., nr. 19: “Firmo iure Ordinarii vel Hierarchae, ab investigatione praevia inchoata, imponendi quae in can. 1722 Codicis Iuris Canonici vel in can. 1473 Codicis Canonum Ecclesiarum Orientalium statuuntur, etiam Praeses Tribunalis pro Turno, ad instantiam Promotoris Iustitiae, eandem habet potestatem sub iisdem condicionibus in ipsis canonibus determinatis”. Vgl. Synthesis mutationum introductarum in M.P. Normae de gravioribus delictis reservatis Congegationi pro Doctrinae Fidei, in: Communicationes 42(2010), pp. 346-348, hier p. 348, n. 17: “Si è introdotta la possibilità di adottare le misure cautelari, di cui al can. 1722 CIC e al can. 1473 CCEO, anche durante la fase dell’indagine previa”.

[8] “Compete al Vescovo o al Superiore Maggiore il dovere di provvedere al bene comune determinando quali misure precauzionali previste dal can. 1722 CIC e dal can. 1473 CCEO debbano essere imposte. Secondo l’art. 19 SST, ciò deve essere fatto una volta iniziata l’indagine preliminare”, Epistula circularis, 3 mei 2011, in: Communicationes 42(2011), pp. 83-88..

[9] “Quamquam idem Exc.mus Praesul explicite Congregationi significaverat investigationem praeviam poenalem haudquaquam absolutam fuisse in casu...”, APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Sententia definitiva, c. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 651-658, hier n. 8, p. 656; vgl. ook: G.P. MONTINI, “Provvedimenti cautelari urgenti nel caso di accuse odiose nei confronti di ministri sacri”, in: Quaderni di Diritto Ecclesiale 12(1999), pp. 191-204, hier m.n. pp. 202-203.

[10] “...in quolibet processus stadio...”; daarbij is te bedenken dat de titel “de processu poenali” zich al voorafgaand aan de bespreking van het voorafgaand onderzoek (cc. 1717-1719) in de Codex bevindt. In de Oosterse codex (Codex Canonum Ecclesiarum Orientalium, auctoritate Ioannis Pauli PP. II promulgatus (Vatican city, 1990) is dat niet wezenlijk anders: de titel boven het voorafgaand onderzoek luidt: “De iudicio poenali”, terwijl c. 1473 stelt dat de maatregelen kunnen genomen worden “in quolibet statu et gradu iudicii poenalis...”.

[11] C. SCICLUNA, “Clerical rights and duties in the Jurisprudence and praxis of the Congregation for the Doctrine of Faith on graviora delicta”, in: Folia canonica 10(2007), pp. 276-277, geciteerd bij: V. DIAZ, “Modifiche introdotte nelle norme riguardanti i ‘graviora delicta’”, in: Apollinaris 84(2011), pp. 337-381, hier: p. 373. Een ‘gewone’ recursus is volgens sommige gezaghebbende auteurs niet mogelijk, vgl. bijv. G. PUNTILLO, “‘Delicta graviora’ e legislazione canonica di emergenza”, in: Apollinaris 84(2011), pp. 383-394, hier: p. 387; DIAZ, a.c., p. 373 noemt nog verschillende andere auteurs die dit beroep uitsluiten, zoals J.I. Arrieta, V. De Paolis en P.V. Pinto, terwijl G.P. Montini, a.c., p. 202 stelt dat die mogelijkheid er wél is.

[12] Directorium, o.c., p. 58 (onder A).

[13] Cf. C. SCICLUNA, “‘Bonum commune Ecclesiae’ as a criterion for regimen and the exercise of rights in the 1983 Code of canon law”, in: J. KOWAL, J. LLOBELL, “Iustitia et iudicium”. Studi di diritto matrimoniale e processuale canonico in onore di Antoni Stankiewicz, dl. III (Città del Vaticano, 2010), pp. 1267-1292..

[14] De tekst van c. 223 §2 luidt: “Het komt de kerkelijke overheid toe om, met het oog op het algemeen welzijn, de uitoefening van de rechten die de christen­ge­lo­vigen eigen zijn, te regelen”.

[15] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet van de prefect, kard. R. Burke, 30 mei 2009, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 664-668, hier: n. 6, pp. 666-667: “... extra ambitum poenalem illegitima censenda est prohibitio per actum administrativum imposita exercendi quodvis ministerium presbyterale coram populo, inclusis facultatibus iure universali presbyteris concessis...”. De uitspraak baseert zich mede op een sententie van de Signatura c. Grocholewski van 28 apr. 2007.

[16] Decreet cit., n. 4, p. 666: “Praemisso quod non agitur de casu poenali (cf. can. 18), quodque ergo can. 1722 ad rem invocatum non est...”; vgl. P. BUSELLI MONDIN, “Il diritto di difesa in ambito disciplinare”, in:  Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 668-686, hier: pp. 682-683.

[17] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Sententia definitiva, c. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 651-658, hier: n. 8, pp. 656-657.

[18] C.. Cacciavillan, 18 mrt. 2006, sent. cit. , nn. 1 ern 8, pp. 652 en 657.

[19] APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet van de prefect, kard. A. Vallini, 13 juni 2008, in: Ius Ecclesiae 23(2011), pp. 659-664.

[20] Cf. APOSTOLISCHE SIGNATUUR, Decreet, 30 mei 2009, cit., nn. 2 en 6, pp. 665 en 666-667.

[21] “La norma perciò, non va invocata per limitare nei singoli casi l’esercizio dei diritti, poichè a tale scopo l’ordinamento canonico prevede la necessità di seguire altre procedure, in presenza di specifici requisiti e con il concorso di precise garanzie”, PAUSELIJKE RAAD VOOR DE WETSTEKSTEN, Nota esplicativa Chiarimenti circa l’applicazione del can. 223 §2 CIC, in: Communicationes 42(2010), pp. 280-281; “The use of canon 381 and canon 223 §2 as a way to keep troublesome priests out of ministry is inappropriate” (J. M. RITTY “Balancing rights of accused clerics and the good of the community”, in: A. ESPELAGE, CLSA Advisory opinions (Canon Law Society of America, Alexandria VA, 2006), pp. 101-105, hier p. 104).

[22] Vgl. MONTINI, Provvedimenti..., a.c., pp. 193-200; “La disputa mostra all’evidenza il pericolo prossimo di abusi...” (in: ibidem, p. 199).

[23] “In Fällen, bei denen der Missbrauch zur Zeit nicht strafbewehrt war, schließt allerdings die Praxis der Kongregation die Verhängung von Disziplinarmaßnahmen zum Schutz des Geimeinwohls nicht aus, wo die Schwere des Falles und das Ärgernis bei den Gläubigen dies erfordern” (Brief van kard. W. Levada, prefect van de Con­gre­ga­tie voor de Geloofsleer aan de bisschop van Trier, 22 sept. 2011 (Prot. n. 54/2010-36622)).

[24] Normae processuales, cit., art. 21§2.

[25] Normae processuales, cit, art. 16.

[26] G. PUNTILLO, “‘Delicta graviora’ e legislazione canonica di emergenza”, in: Apollinaris 84(2011), pp. 383-394, m.n. pp. 391vv..

[27]“La riflessione necessaria per giungere alla formulazione del giudizio sulla verosimiglianza del fatto denunciato dovrebbe normalmente essere compiuta dal solo Vescovo diocesano e solo nel suo intimo. (...) Ritengo che in questo momento sia assolutamente inopportuno parlare con il sacerdote interessato. Il Vescovo diocesano rifletta da solo, nel suo intimo, semmai ... con l’aiuto di una sola persona”, F. COCCOPALMERIO, “Il Vescovo diocesano e il processo penale”, in: CONGREGAZIONE PER I VESCOVI, Duc in altum. Pellegrinaggio alla Tomba di San Pietro. Incontro di riflessione (Città del Vaticano, 2011), pp. 233-245, hier: pp. 240 en 243.

[28] Zie ook: Normae substantiales, cit. art. 2-6.

[29] Normae Substantiales, cit., art. 7; vgl. c. 1362.

[30] Vgl. Brief van kard. W. Levada, 22 sept. 2011, cit..

[31] F. COCCOPALMERIO, a.c., pp. 239-240. Over anonieme beschuldigingen: “... qualora giungano segnalazioni anonime, che siano del tutto generiche o palesemente infondate o chiaramente calunniose, non resta che cestinarle” (a.c., p. 240); vgl. CIC 1917, c. 1942 §2 en CCEO c. 1133 §3.

Terug