Arsacal
button
button
button
button


Het leergezag van paus en bisschoppen

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: zondag, 1 mei 2016
Het leergezag van paus en bisschoppen

Wanneer is iets een geloofswaarheid, wanneer is een kerkelijke uitspraak 'onfeilbaar'? Toen in 1998 de Apos­to­lische Brief "Ad tuendam fidem" verscheen, meenden velen dat het terrein van onfeilbare uitspraken werd uitgebreid. Zo bestaan er nogal eens misverstanden over onfeilbaarheid en de geloofswaarheden.

Het leergezag van paus en bis­schop­pen  

In l’Osservatore Romano van 1 juli 1998 verscheen de motu proprio gegeven Apos­to­lische brief Ad tuendam fidem, gedateerd 18 mei van dat jaar. Dit pauselijk schrijven gaf destijds aanleiding tot veel misverstanden: kritische groepen protesteerden, de brief “leidde tot enkele felle reacties in het theologische werkveld”; de Europese vereniging voor katholieke theologie wilde, volgens het tijd­schrift van het secretariaat van de Rooms-Katholieke kerkprovincie Een-twee-een, een dialoog met het Vaticaan over deze aanscherping van de eed van trouw. Ditzelfde periodiek meldde bij publicatie van de Apos­to­lische brief dat “voortaan ook alle uitspraken op dogmatisch en ethisch terrein vastgelegd in pauselijke documenten, en nog niet in een officieel document opgenomen uitspraken van paus en college van bis­schop­pen [moeten] worden onderschreven”!
De werkelijkheid is echter toch wat anders. In 1989 heeft de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer de Geloofsbelijdenis en eed van trouw gepubliceerd. Daarbij werd bepaald dat de categorieën van personen die in canon 833 nummer 5-8 worden genoemd, behalve de geloofsbelijdenis tevens de eed van trouw moesten afleggen. Onder hen zijn de docenten in de theologie en filosofie aan de seminaries en docenten van vakken die geloof of zeden betreffen aan alle katholieke uni­ver­si­teiten. De tekst van de geloofsbelijdenis en de eed van trouw en de voor­schriften over het afleggen ervan, zijn door de Apos­to­lische brief van 1998 niet gewijzigd.
De geloofsbelijdenis van 1989 verving de tekst van 1967 die weer in plaats van de Tridentijnse geloofsbelijdenis en de antimodernisten-eed was gekomen. De tekst van de Tridentijnse geloofsbelijdenis was opgenomen in de uitgaven van het kerkelijk wetboek van 1917. De antimodernisten-eed was door paus Pius X in 1910 ingevoerd en ook na de promulgatie van het wetboek van 1917 van kracht gebleven. De tekst van de geloofsbelijdenis van 1989 expliciteert een gedeelte van de formule van 1967, die geënt was op een formula brevis die al eerder in missiegebieden kon worden gebruikt. Hierin volgde de geloofsbelijdenis van 1989 de tekst van canon 750 en 752 van het Wetboek van canoniek recht. In de tekst van 1967 werd beleden: “Ik aanvaard en geloof voorts alle en de afzonderlijke waarheden die met betrekking tot de geloofs- en zedenleer door de Kerk door een plechtig oordeel wordt vastgesteld of door het gewoon leergezag wordt gehouden en verklaard, zoals deze worden voorgehouden”. Op meer impliciete wijze werd dus beleden dat men alle uitspraken van het leergezag aanvaardt zoals zij door dit leergezag worden voorgehouden en bedoeld, hetgeen de aanvaarding inhield met goddelijk en katholiek geloof van wat als geopenbaarde waarheid wordt voorgehouden tot en met de religieuze onderwerping van wil en verstand ten aanzien van wat door het leergezag wordt verkondigd, ook als dat niet met definitieve uitspraak gebeurt. Het wetboek van canoniek recht expliciteerde een deel van de inhoud van deze tekst door te spreken over datgene wat “fide divina et catholica” (met goddelijk en katholiek geloof) als behorend tot het geschreven of overgeleverde woord van God moest worden geloofd, ging daarna in canon 752 echter over naar de kerkelijke verkondiging die “slechts” religieuze onderwerping van wil en verstand vraagt. Bij het samenstellen van de geloofsbelijdenis van 1989 stootte men derhalve op een lacune: de bepalingen van het kerkelijk wetboek omvatten niet de elementen van de geloofsleer die weliswaar op definitieve wijze waren verkondigd, doch niet door het leergezag als van Godswege geopenbaard worden voorgehouden, zoals bij­voor­beeld kerkelijke leer die op de natuurwet is gebaseerd of waarvan nog in het midden is gelaten of het gaat om een geopenbaarde waarheid of “slechts” om een consequentie van de Open­ba­ring. Deze lacune heeft men in de geloofsbelijdenis van 1989 aangevuld en tenslotte door middel van de Apos­to­lische brief Ad tuendam fidem in de beide wetboeken van de katholieke Kerk: de Codex iuris canonici (wetboek van canoniek recht) en de Codex canonum Ecclesiarum orientalium (wetboek van canones van de oosterse Kerken) ingevoegd. In het wetboek van de Latijnse Kerk is daartoe aan canon 750 een tweede paragraaf toe­ge­voegd.

De canones 749-750 en 752 van de Codex iuris canonici gaan over de betekenis van de verschillende wijzen waarop de paus en de bis­schop­pen hun leergezag uitoefenen, het gezag wat daaraan moet worden toegekend en de houding die de gelovigen ten opzichte van dit leergezag moeten aannemen.

Allereerst wordt gesproken over het onfeilbaar leergezag: over datgene wat met goddelijk en katholiek geloof moet worden geloofd en over de leer die anderszins op definitieve wijze wordt voorgehouden (cc. 749-750). Deze beide canones betreffen het geloofsgoed (depositum fidei) zelf of een leer die nodig is om het geloofsgoed te bewaren of getrouw uiteen te zetten. Canon 752 gaat daarna over de houding van de gelovigen tegenover andere uitingen van het leergezag, met name wanneer die niet de bedoeling hebben een leer op definitieve wijze vast te stellen.
In dit artikel bespreken we de betekenis van deze canones in het licht van de geloofsbelijdenis en de Apos­to­lische brief Ad tuendam fidem.

Onfeilbaar leergezag (c. 749)

Canon 749 gaat dus over de onfeilbaarheid in het leergezag. Het voorwerp van deze onfeilbaarheid is datgene wat met goddelijk en katholiek geloof moet worden geloofd of anderszins de fide is. Dat wat door het onfeilbaar leergezag wordt uiteengezet, behoort dus tot het depositum fidei waar canon 750 over spreekt of tot datgene wat nodig is om het depositum fidei te beschermen en te verklaren.

Canon 749 noemt als object van onfeilbare uitspraken de leer inzake geloof of zeden. In ieder geval omvat het voorwerp van het onfeilbaar leergezag dus de geloofs- en zedenleer. Daarnaast worden ook heilig­ver­klaringen en een definitieve vast­stel­ling van wat tot het natuurrecht behoort tot onfeilbare uitspraken gerekend. Iets wordt echter alleen "ketterij" genoemd wanneer het gaat om een uitspraak van het leergezag die tot het geloofsgoed behoort in de zin van canon 750 §1.

Onfeilbaarheid houdt in een niet-dwalen ("inerrantia"). Wanneer een leer inzake geloof of zeden bij definitieve act als bindend door de paus of het bis­schop­pencollege wordt afgekondigd (ex cathedra), is de waarheid gegarandeerd door het charisma van de onfeilbaarheid dat de paus en het bis­schop­pencollege krachtens de beloften van Christus genieten.

Canon 749 noemt twee subjecten van deze onfeilbaarheid: de paus en het bis­schop­pencollege. De paus en het Bis­schop­pencollege in vereniging met de paus zijn het hoogste gezag in de Kerk (cc. 331 en 336). De paus kan het onfeilbaar leergezag alléén uitoefenen, zonder dat daarvoor de instemming van het Bis­schop­pencollege nodig is, zoals in het eerste Vaticaans concilie is gedefinieerd. Hij oefent dit gezag uit krachtens zijn ambt ("vi muneris sui"), niet echter krachtens de instemming van de kerk­ge­meen­schap ("ex sese, non autem ex consensu Ecclesiae)", aldus leert de Constitutie Pastor Aeternus van dit concilie, een tekst die is overgenomen in LG 25,3 en vandaaruit in c. 749 § 1.

Wil het gaan om een onfeilbare uitspraak van de paus, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn: de paus spreekt niet als doctor privatus, op per­soon­lijke titel, maar als opperherder en leraar van alle gelovigen; het moet gaan over een zaak van geloof of zeden (of het moet een heilig­ver­klaring zijn, een uitspraak betreffen over wat tot de natuurwet behoort en wat niet of tenminste betrekking hebben op geloof of zeden); de paus moet de expliciete intentie hebben een dogma onfeilbaar vast te stellen en het moet duidelijk vast staan dat het inderdaad om een dergelijke definitieve uitspraak gaat (c. 749 § 3).

Het Bis­schop­pencollege oefent het onfeilbaar leergezag uit, wanneer het in eenheid met de paus - zonder de paus zou er geen sprake kunnen zijn van het Bis­schop­pencollege, maar de eenheid met de opvolger van Petrus wordt in c. 749 § 1 nog bijzonder vermeld - een definitief bindende uitspraak doet. Het tweede Vaticaans concilie heeft dit in de constitutie over de Kerk uiteengezet (LG 25). Een dergelijke uitspraak kan worden gedaan wanneer de Bis­schop­pen vergaderd zijn in een oecumenisch concilie (magisterium sollemne et extraordinarium, plechtig en buitengewoon leergezag, vgl. c. 750) of verspreid over de wereld, maar in eenheid met elkaar (magisterium ordinarium et universale, gewoon en algemeen leergezag, vgl. c. 750). In een verklaring van het secretariaat van het Concilie, die gewoonlijk aan het einde van de constitutie over de Kerk wordt afgedrukt, wordt gezegd dat het tweede Vaticaans concilie alleen datgene definieert als behorend tot het geloofsgoed, waarvan het dat uitdrukkelijk verklaart. In feite betekent dit dat het concilie geen nieuwe geloofswaarheid of zedenleer heeft gedefinieerd.

Aan een derde vorm van onfeilbaarheid die door het concilie wordt geleerd, wordt in canon 750 §1 even herinnerd. In Lumen gentium 12 wordt geleerd dat het geheel der gelovigen niet kan dwalen in het geloof. ("Universitas fidelium, qui unctionem habent a Sancto in credendo falli nequit...sensus fidei totius populi"). Ook deze vorm van onfeilbaarheid staat niet los van Petrus en de hiërarchie. Zij uit zich namelijk juist in de onwrikbare gehechtheid aan het woord van God, zoals dat door het leergezag wordt verkondigd ("sub ductu sacri magisterii", LG 12). Het dieper doordringen in de geloofsleer en het in practijk brengen van het geloof in het dagelijks leven zijn tekens van een waarachtige sensus fidei die door de heilige Geest is opgewekt (LG 12). Aldus blijft de paus als opvolger van Petrus garant voor het in de waarheid blijven van de Kerk, maar aan het eenstemmig geloofs­ge­tui­genis van heel het volk van God en de gezamenlijke leer van het Bis­schop­pencollege wordt ook onfeilbaarheid toegekend mits zij constant zijn en op voorwaarde dat zij in eenheid zijn met het leergezag van de paus.

Zo kunnen kerkelijke uitspraken en overtuigingen inzake geloof of zeden, die niet krachtens de per­soon­lijke pauselijke onfeilbaarheid als zodanig zijn geformuleerd, tot het geloofsgoed van de Kerk behoren, zoals bij­voor­beeld naar voren is gebracht in het antwoord van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer op de vraag over de leer van "Ordinatio sacerdotalis", omtrent de vraag of de Kerk de bevoegdheid heeft om aan vrouwen de priester­wijding toe te dienen. Het antwoord dat de Con­gre­ga­tie geeft op de vraag of de leer, volgens welke de Kerk geenszins de bevoegdheid heeft om aan vrouwen de priester­wijding toe te dienen, tot het geloofsgoed (depositum fidei) behoort, luidt: "Ja". De tekst vervolgt: "Deze leer vereist een definitieve instemming, aangezien zij, gebaseerd op het geschreven Woord van God en vanaf het begin voortdurend bewaard en toegepast in de traditie van de Kerk, op onfeilbare wijze is voorgehouden door het gewone en universele leergezag" (vgl. LG 25,2). In de toelichting wordt daarbij nog vermeld:

"Het betreft een volledige, definitieve, dat wil zeggen onherroepelijke instemming met een leer die op onfeilbare wijze door de Kerk wordt voorgehouden. Inderdaad komt, zoals het antwoord uitlegt, dit definitieve karakter voort uit de waarheid van de leer zelf, omdat zij, gebaseerd op het geschreven Woord van God en voortdurend bewaard en toegepast in de traditie van de Kerk, op onfeilbare wijze door het gewone, universele leergezag voorgehouden is (vgl. LG 25). Daarom preciseert het antwoord dat deze leer behoort tot het geloofsgoed van de Kerk. Derhalve dient onderstreept te worden dat het definitieve en onfeilbare karakter van dit onderricht van de Kerk niet voortgekomen is uit de brief Ordinatio sacerdotalis (...) In dit geval getuigt een handeling van het gewoon leergezag van de paus, dat in zichzelf op zich niet onfeilbaar is, van het onfeilbaar karakter van het onderricht van de leer die reeds in het bezit van de Kerk is".

Dit wil zeggen dat deze leer - zoals we nog zullen zien - "de fide tenenda" is. De paus stelt in Ordinatio sacerdotalis vast dat de leer die hij in deze Apos­to­lische brief weergeeft definitief is. De toelichting op het antwoord van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer verduidelijkt dat dit komt omdat het gewone, universeel leergezag dit voortdurend zo heeft geleerd en toegepast. Dit alles houdt in dat deze leer wél "de fide" is, maar een christen­ge­lo­vige niet de excom­mu­ni­ca­tie wegens ketterij oploopt wanneer hij haar ontkent.

Het geloofsgoed (c. 750)

Dergelijke uitspraken behoren tot het geloofsgoed, tot datgene wat "met goddelijk en katholiek geloof moet worden geloofd" (c. 750 §1). Het moet "met goddelijk geloof" worden geloofd omdat het gaat om iets wat van Godswege is geopenbaard, men moet het geloven met het geloof waarmee men in God zelf gelooft. Met "katholiek geloof" moet het worden geloofd, omdat het wordt voorgehouden door het leergezag (vgl. DV 10). Deze twee elementen worden in het vervolg van de canon nader toegelicht. Wat betreft de open­ba­ring van Godswege: de canon heeft het over "het geschreven of overgeleverd woord van God". Deze woorden zijn afkomstig uit de dogmatische constitutie Dei Verbum 10. In deze constitutie spreekt het concilie over de goddelijke open­ba­ring. Deze open­ba­ring, de blijde bood­schap van het Evangelie, werd doorgegeven door de apostelen en ligt op speciale wijze in de heilige Schrift uitgedrukt. De Kerk put haar zekerheid echter niet alleen uit de heilige Schrift (DV 10). Het geloofsverstaan van de Kerk door de eeuwen heen helpt ons om de open­ba­ring beter te verstaan. De instellingen en de praktijk van de Kerk wijzen ook een weg inzake de geloofsleer; dat wat de Kerk altijd zo heeft gedaan, maakt iets duidelijk over hoe het werkelijk is. Zoals de "lex orandi" de "lex credendi" is, zo is de constante practijk van de Kerk uitdrukking van haar constant geloof: "in tot et tantis casibus Ecclesia errare non potest" ("in zoveel en zodanige, zulke belangrijke gevallen kan de Kerk niet dwalen"). Dat wat altijd door het gewoon en universeel leergezag is voorgehouden, krijgt zelfs een onfeilbaar karakter ook als (nog) niet uitdrukkelijk is verklaard dat deze waarheid van Godswege en formeel is geopenbaard. Het onfeilbaar karakter van deze waarheden volgt uit Christus' belofte van de Geest van waarheid aan de Kerk en dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen (vgl. Mt. 16,18).

In het motu proprio Ad tuendam fidem van 18 mei 1998 heeft paus Johannes Paulus een tweede paragraaf aan canon 750 toe­ge­voegd om onder meer aan deze overtuiging van de Kerk recht te doen. Canon 750 §2 luidt in een eigen vertaling:
“Men moet eveneens vast aanvaarden en bewaren alles en iedere zaak afzonderlijk die op definitieve wijze wordt voorgehouden door het leergezag van de Kerk, met betrekking tot geloof of zeden, dat wil zeggen: hetgeen nodig is om dit geloofsgoed (depositum fidei) heilig te bewaren en getrouw uiteen te zetten; wie dus deze leer­stel­lingen die men op definitieve wijze moet bewaren, verwerpt, stelt zich teweer tegen de leer van de katholieke Kerk.

Er zijn dus kerkelijke uitspraken die onfeilbaar zijn omdat ze een geloofswaarheid op definitieve wijze vaststellen of omdat ze de constante leer van de Kerk weergeven. Andere uitspraken zijn niet onfeilbaar, met verschillende graden van geloofszekerheid. Zo komt men tot een onderscheid in aard en karakter van kerkelijke leeruitspraken.
In de dogmatiek worden verschillende benamingen gebruikt om de zekerheidsgraad van een bepaalde leer aan te geven. We geven hier de betekenis van de voornaamste van deze termen.
De uitdrukking dat iets "De fide" is, geeft aan dat die leer­stel­ling tot het katholieke geloof behoort. Een leer die "onfeilbaar zeker" is, is derhalve "de fide" en behoort tot het depositum fidei. Binnen deze “categorie” wordt onderscheid gemaakt tussen kerkelijke uitspraken die de fide credenda en die welke de fide tenenda zijn.
De fide credenda is de benaming die wordt gebruikt voor hetgeen door de Kerk wordt geleerd als van Godswege en formeel geopenbaard en wat als zodanig onherroepelijk is. Ontkenning van deze waarheden is ketterij (heresie), waarover hieronder meer wordt vermeld. De basis van het onherroepelijk gezag van deze leer is het gezag van het Woord van God.
De fide tenenda wordt gebruikt voor een leer over geloof of zeden die op definitieve wijze wordt geleerd en nodig is om het depositum fidei getrouw te bewaren en uiteen te zetten, ook als deze leer door het leergezag niet wordt voorgehouden als formeel geopenbaard. Deze leer kan plechtig - ex cathedra - worden gedefinieerd door de paus of het bis­schop­pencollege met hem in concilie verenigd. Een voorbeeld van een plechtig gedefinieerde leer die niet ook de fide credenda is, zou een plechtige vast­stel­ling zijn dat een bepaald punt tot de natuurwet behoort: de authentieke en definitieve in­ter­pre­ta­tie van de natuurwet op een bepaald punt. En soms is het mogelijk dat een leer over geloof of zeden door de Kerk op definitieve wijze wordt voorgehouden en dus onveranderlijk is, maar nog niet uitdrukkelijk en definitief wordt geleerd als van Godswege geopenbaard. Tenslotte kan een kerkelijke uitspraak gaan over een punt dat noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de Open­ba­ring of door deze wordt verondersteld, maar niet formeel in de Open­ba­ring vervat ligt. Deze uitspraken van het leergezag vereisen geen geloofsinstemming in strikte zin, wel echter aanvaarding en geloof in bredere zin. Zo’n leer kan ook als “sententia definitive tenenda” onfeilbaar worden onderwezen door het gewoon en universeel leergezag, wanneer de bis­schop­pen verspreid over de wereld dit onderricht als definitief houden en verkondigen.
Deze leer­stel­lingen kunnen dus elementen bevatten die niet zijn geopenbaard, maar logisch uit de open­ba­ring voortvloeien of ermee in noodzakelijk verband staan. Ook kan het gaan om een geloofsinhoud die nog niet als geopenbaard is vastgesteld. In ieder geval is er een intrinsieke band met de geopenbaarde waarheid. Een dergelijke leer die de fide tenenda is, kan dus in bepaalde gevallen later nog de fide credenda worden en als dogma de fide divina et catholica worden vastgesteld.
De reeds geciteerde Nota doctrinalis van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer noemt enkele voorbeelden van waarheden die tot deze categorie behoren, zoals de leer over de onfeilbaarheid van de paus vóór de vast­stel­ling ervan in het eerste Vaticaans concilie, toen de discussie over dit leerstuk nog de vraag betrof of het een geopenbaarde waarheid dan wel een consequentie van de open­ba­ring was; met betrekking tot de leer dat de priester­wijding uitsluitend aan mannen is voorbehouden, geldt iets dergelijks: de paus heeft in Ordinatio sacerdotalis geen dogmatische definitie willen geven, maar wel bevestigd dat deze leer als definitief moet worden beschouwd. Een ander voorbeeld van een leer die de fide tenenda is, is de veroordeling van euthanasie op basis van de natuurwet. Hier gaat het om iets dat niet direct is geopenbaard, maar wel een conclusie is uit de leer van de heilige Schrift (en in de natuurwet verankerd ligt). Ook als de veroordeling van euthanasie in een plechtige uitspraak wordt vastgelegd, blijft dit leerstuk tot deze categorie (de fide tenenda) behoren, waarop de tweede alinea van het aan het Credo van Nicea-Constantinopel toe­ge­voegde deel van de in 1989 voorgeschreven geloofsbelijdenis, betrekking heeft. Ook de canonisatie (heilig­ver­klaring) wordt in de Nota doctrinalis van de Con­gre­ga­tie voor de geloofsleer genoemd.
Ontkenning van deze waarheden is een verwerpen van katholieke leer, waardoor men niet meer in volledige gemeen­schap met de Kerk is. In dit geval wordt echter niet van formele ketterij gesproken en loopt men - zoals vermeld - de excom­mu­ni­ca­tie niet op.
De benaming de fide credenda wordt dus gebruikt voor de leer die door de Kerk wordt geleerd als van Godswege en formeel geopenbaard en die als zodanig onherroepelijk is. Als voorbeelden hiervan noemt de geciteerde Nota doctrinalis de artikelen van het Credo, de christologische en Mariale dogma’s, de leer over de instelling van de sacramenten door Christus en de genade-werkzaamheid van deze sacramenten, de waarachtige en substantiële aanwezigheid van Christus in de eucha­ris­tie, het offerkarakter van de Mis, de stichting van de Kerk door de wil van Christus, de leer over het primaat en de onfeilbaarheid van de paus, de leer over het bestaan van de erfzonde, de leer over de onsterfelijkheid van de menselijke ziel en de vergelding onmiddellijk na de dood, de afwezigheid van dwaling in de gewijde geïnspireerde teksten en de leer dat het direct en opzettelijk doden van onschuldig menselijk leven ernstig immoreel is. Over de zekerheidsgraad van dit laatste punt heeft de paus zich uitgesproken in de encycliek Evangelium vitae, over de waarden en de onschendbaarheid van het menselijk leven:
“De absolute onschendbaarheid van het onschuldig menselijk leven is inderdaad een morele waarheid die uitdrukkelijk in de Schrift onderricht wordt, die de Overlevering van de kerk voortdurend gehandhaafd heeft en die het leergezag eenstemmig voorhoudt. Deze eenstemmigheid is een duidelijke vrucht van de ‘bovennatuurlijke geloofszin’ die, opgewekt en onder­steund door de heilige Geest, borg staat voor de onfeilbaarheid van het volk van God, wanneer het ‘zijn algemene overeenstemming doet blijken inzake geloof en zeden’ (LG 12) (...) Met het gezag dat Christus aan Petrus en zijn opvolgers heeft verleend en in gemeen­schap met alle bis­schop­pen van de katholieke kerk bevestig ik bijgevolg dat het rechtstreeks en vrijwillig doden van een onschuldig menselijk wezen altijd ernstig immoreel is. Deze leer vindt haar grondslag in de ongeschreven wet die ieder mens, door zijn verstand verlicht, in zijn hart ontdekt (vgl. Rom. 2,14-15). Ze wordt bevestigd door de heilige Schrift, doorgegeven door de Overlevering van de Kerk en onderricht door het gewone en universele leergezag” (vgl. LG 25)”.

Van de waarheden die de fide credenda zijn, wordt tevens gezegd dat zij de fide divina zijn of de fide divina et catholica of ook weleens dat zij de fide divina definita zijn.
De uitdrukking “de fide divina" wil zeggen dat de leer­stel­ling waarop de uitdrukking betrekking heeft een geloofspunt is dat direct of formeel in de open­ba­ring, doorgegeven in de Schrift en Traditie, ligt vervat. "De fide divina et catholica" geeft aan dat het gaat om een leer­stel­ling die direct of formeel in de open­ba­ring ligt vervat en door de Kerk op onfeilbare wijze te geloven wordt voorgehouden. In dit geval wordt ook wel gesproken van "dogma fidei divinae". De formule "de fide divina definita" wordt gebruikt wanneer het gaat om een geloofsleer die formeel is geopenbaard en door de Kerk op onfeilbare wijze te geloven wordt voorgehouden door het plechtig oordeel van de paus of het bis­schop­pencollege ("dogma fidei divinae definitae"). Het verschil met de voorafgaande categorie "de fide divina et catholica" is dat de onfeilbare leer niet slechts door het gewoon en universeel leergezag te geloven wordt voorgehouden, maar uitdrukkelijk als onfeilbare leer is vastgesteld. Dat geldt bij­voor­beeld niet voor het zojuist genoemde punt van de absolute onschendbaarheid van het onschuldig menselijk leven, wél bij­voor­beeld voor het leerstuk van de Ten­hemel­op­neming van Maria.

De leer van het niet onfeilbaar leergezag (c. 752-754)

Canon 752 gaat over het niet-onfeilbaar leergezag. Naast het onfeilbaar leergezag dat betrekking heeft op het depositum fidei, bestaan andere uitspraken van het authentiek leergezag. Deze vragen geen geloofsinstemming zoals de eigenlijke geloofswaarheden, maar wel "een religieuze volgzaamheid van verstand en wil", dat wil zeggen dat men deze leer met verstand en wil zich tracht eigen te maken. Ook al is de leer niet bij definitieve act verkondigd, de geloofszekerheid die aan het betreffende geloofspunt moet worden toegekend, vraagt toch een aanvaarding, een dieper erin doordringen - waardoor wellicht nieuwe nuances naar voren komen - en een vermijding van wat met deze leer niet strookt. Nodig is dus een innerlijke aanvaarding van het voorgehouden geloofspunt, al is geen absolute aanvaarding nodig in de zin dat men de mogelijkheid van het tegendeel geheel uitsluit. Niet voldoende is dat men zich onthoudt van naar buiten gemanifesteerde oppositie. Op het terrein van de niet-onfeilbare uitspraken van het leergezag (en van de theologen) kan men verschillende zekerheidgraad onderscheiden, waarvoor gewoonlijk eveneens een bepaalde terminologie wordt gehanteerd.
Zo wordt met het begrip "doctrina catholica" (katholieke leer) gewoonlijk de leer aangeduid die door het universeel leergezag authentiek en gezagvol wordt onderwezen, maar niet de mogelijkheid van dwaling geheel uitsluit. Dit begrip wordt gebruikt voor gezagvol voorgehouden leer, die niet onfeilbaar is gedefinieerd. Daarnaast wordt het begrip "doctrina catholica" ook wel in meer algemene zin gebruikt voor heel de geloofsinhoud die door het leergezag wordt voorgehouden. De uitdrukking dat iets "theologice certa" (theologisch zeker) is heeft betrekking op een leer­stel­ling die door directe en strikte redenering uit de Open­ba­ring wordt afgeleid, met behulp van een andere vaststaande waarheid, maar die niet direct en formeel is geopenbaard.

Canon 753 noemt de subjecten van niet-onfeilbaar leergezag: de bis­schop­pen die in gemeen­schap zijn met het hoofd en de leden van het Bis­schop­pencollege. Hierbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat zij verenigd kunnen zijn in particuliere concilies of bis­schop­pen­con­fe­ren­ties. Vooral dit laatste is interessant. Hieruit blijkt dat in de gedachte van het wetboek een bis­schop­pen­con­fe­ren­tie niet slechts een instituut is dat een aantal praktische zaken regelt (vgl. CD 38 en c. 447). Ook c. 756 §2 zinspeelt op een gezamenlijke uitoefening van het leergezag door bis­schop­pen. De Apos­to­lische brief Apostolos suos van 21 mei 1998 geeft voor het eerst nadere regels voor het uitgeven van leerstellige verklaringen door bis­schop­pen­con­fe­ren­ties: deze uitingen van het leergezag van de bis­schop­pen, dienen door alle bis­schop­pen-leden van de conferentie te zijn goedgekeurd of door de heilige Stoel zijn erkend nadat tenminste tweederde van de conferentie de tekst heeft goedgekeurd.
De christen­ge­lo­vigen dienen dit leergezag met religieuze volgzaamheid te aanvaarden. Deze aanvaarding komt voort uit de gelovige aanvaarding van het leergezag van de bisschop, houdt echter geen geloofsinstemming in en betekent ook niet dat een eigen theologische opvatting terzake geheel uitgesloten is (vgl. c. 218).

Canon 754 gaat over de constituties en decreten die worden uitgevaardigd om een leer voor te houden en dwalingen af te wijzen. Hier wordt niet gedacht aan de documenten van het tweede Vaticaans concilie die deze benamingen van constituties en decreten hebben meegekregen, ook niet aan de apos­to­lische constituties waardoor dogmatische formuleringen zijn afgekondigd - de geloofsgehoorzaamheid in die materie is immers voldoende geregeld in de voorafgaande canones 750 en 752 - maar aan de gangbare aanduiding die onder constituties en decreten documenten van de Apos­to­lische Stoel verstaat met een praktisch, juridisch-bindend karakter. Het kan hierbij gaan om de veroordeling van een bepaalde leer of opvatting of om regels met betrekking tot het kerkelijk leven, bij­voor­beeld normen voor een katholieke uni­ver­si­teit. De christen­ge­lo­vigen zijn verplicht deze op te volgen. Dat wil zeggen dat de praktische consequenties die eruit volgen in acht moeten worden genomen, wanneer zij zijn uitgevaardigd door de wettige kerkelijke overheid. Hier gaat het dus meer om een praktische gehoorzaamheid aan deze bepalingen. In het algemeen spreekt canon 212 §1 over de noodzaak van christelijke gehoorzaamheid

Sancties bij apostasie, ketterij of schisma

De gelovigen hebben dus de verplichting te aanvaarden wat het leergezag naar voren brengt als behorend tot het geloofsgoed.
Het begrip ketterij (haeresis, heresie) betrekt zich alleen op de waarheden die door het leergezag als met goddelijk en katholiek geloof te geloven worden voorgehouden. Het ontkennen of hardnekkig in twijfel trekken van deze geloofswaarheden, heet ketterij. Onder "in twijfel trekken" wordt niet verstaan het zoeken en vragen naar de waarheid inzake een geloofswaarheid die iemand zich nog niet heeft eigen gemaakt. Canon 1364 bepaalt dat een ketter een excom­mu­ni­ca­tie beloopt, een kerkelijke straf waardoor iemand niet mag deelnemen aan de sacramenten en het kerkelijk bestuur. Deze straf ligt ook op apostasie, volstrekte afval van het christelijk geloof, en schisma, het zich onttrekken aan het gezag van de paus of aan de gemeen­schap met de onder zijn gezag staande kerkleden (c. 751).
Deze begrippen zijn alleen van toepassing onder bepaalde voorwaarden. Ketterij is een innerlijke daad. Het is een zonde tegen het geloof en een dwaling van het verstand. Het innerlijk verwerpen van een geloofswaarheid is dus een voorwaarde om van ketterij te kunnen spreken. Wanneer de kerkelijke straf wordt opgelegd, moet de kerkelijke overheid natuurlijk op de in het uitwendig rechtsbereik (forum externum) aantoonbare feiten afgaan om te bewijzen dat er sprake is van ketterij. Schisma betreft een uitwendige handeling: een breuk met de paus of met de geloofs­ge­meen­schap als geheel. Apostasie is het afwijzen van de christelijke godsdienst als zodanig. Het verschil met ketterij zit erin dat bij ketterij "slechts" enkele geloofswaarheden worden afgewezen, terwijl bij apostasie de godsdienst als zodanig wordt verworpen. Het betekent niet dat een apostaticus ook ongelovig is. Van apostasie spreekt men reeds als het christendom als zodanig wordt afgewezen.
Zoals gesteld, kan er alleen sprake zijn van ketterij, schisma of apostasie als het gaat om geloofswaarheden in de zin van cc. 749-750 §1. Wie verminderd toerekeningsvatbaar is of zonder schuld niet op de hoogte was van het feit dat een dergelijke straf hieraan verbonden was, loopt bovendien de latae sententiae-straf niet op (vgl. c. 1324 §1 met §3).

Besluit

De Apos­to­lische brief Ad tuendam fidem heeft dus de geloofsbelijdenis en eed van trouw die moeten worden afgelegd om bepaalde ambten te mogen bekleden, niet verscherpt of veranderd. Wel is naar aanleiding van de geloofsbelijdenis een paragraaf in het kerkelijk wetboek ingevoegd. Deze paragraaf moet een lacune opvullen daar de tekst van het wetboek geen verwijzing had opgenomen naar de waarheden die wel tot het geloofgoed behoren maar niet als geopenbaarde waarheid definitief zijn vastgesteld en dus de fide tenenda zijn. In de tekst van de geloofsbelijdenis - zowel in die van 1989 als, meer impliciet, in die van 1967 - was wél rekening gehouden met deze categorie van leeruitspraken.

Terug