Arsacal
button
button
button
button


Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de diocesane bisschop

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: zondag, 1 mei 2016
Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de diocesane bisschop

Het kerkelijk wetboek stelt dat wie uit schuldige nalatigheid op onwettige wijze een handeling van kerkelijke macht of bediening of taak stelt of nalaat met schade voor een ander, moet worden gestraft. Wie misbruik maakt van een taak of kerkelijke macht, moet eveneens worden gestraft naar gelang de ernst van zijn handelen of nalaten. Dat geldt voor ieder die kerkelijke verant­woor­de­lijk­heid draagt, ook voor een diocesane bisschop.

Verant­woor­de­lijk­heid en aansprakelijkheid van de diocesane bisschop volgens Canon 128

Canon 1389 §2 bepaalt dat iemand die uit schuldige nalatigheid op onwettige wijze een handeling van kerkelijke macht of bediening of taak stelt of nalaat met schade voor een ander, moet worden gestraft. Wie misbruik maakt van een taak of kerkelijke macht, moet eveneens worden gestraft naar gelang de ernst van zijn handelen of nalaten (canon 1389 §1). Het gaat hier om een ferendae sententiae straf die echter verplicht moet worden opgelegd. Voor een aantal specifieke vormen van misbruik van kerkelijke macht, worden meer concrete strafbepalingen gegeven (vgl. bijv. canones 1382-1383; 1396). Deze bepalingen viseren ook het handelen van een diocesane Bisschop, waarbij echter moet worden opgemerkt dat strafzaken over Bis­schop­pen aan de paus zelf zijn voorbehouden (canon 1405 §1, n.3).

Vervolgens moet de schade die uit de handeling voortkomt, worden hersteld. Hierover gaat canon 128 die ons uitgangspunt is: “Al wie onwettig door een rechtshandeling, en zelfs door welke andere handeling ook met list of met schuld gesteld, een ander schade berokkent, is gehouden aan de verplichting de aan­ge­richte schade te herstellen”.

Verschillende elementen komen zowel in canon 1389 als in canon 128 terug: de reikwijdte van de tekst gaat in beide canones verder dan schade veroorzaakt door rechtshandelingen in strikte zin, dat wil zeggen: vrijwillige handelingen van een fysieke of rechts-persoon in een vorm erkend door de wet, waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. In beide bepalingen wordt zowel aan het stellen als aan het nalaten van een handeling gedacht, zoals voor het bepaalde in canon 128 blijkt uit canon 57 §3. In beide canones wordt het element van onwettigheid genoemd, dat de ene keer wordt betrokken op het stellen van de handeling (canon 1389 §2), de andere keer op het toebrengen van de schade (canon 128). In canon 1389 wordt gesproken van culpabilis neglegentia (schuldige nalatigheid) bij het op onwettige wijze stellen van de handeling; canon 1389 §2 heeft dus alleen een straf op het oog wanneer er sprake is van schuldige nalatigheid bij het stellen van een handeling. Die schuldige nalatigheid wordt overigens verondersteld, zoals we nog zullen zien, wanneer het gaat om een onwettige handeling van openbaar bestuur. In canon 128 wordt dan ook alleen uitdrukkelijk van dolus en culpa gesproken waar het over andere dan rechtshandelingen gaat.

Beide canones kwamen als zodanig niet in het kerkelijk wetboek van 1917 voor en zijn uitdrukking van de wens de subjectieve rechten van de gelovigen beter te beschermen. Wij staan hier dus stil bij de betekenis en de werking van canon 128 die van meer direct belang is voor de bescherming van de rechten van de gelovigen.

1. WORDINGSGESCHIEDENIS VAN CANON 128 EN DE TOTSTANDKOMING VAN DE HUIDIGE PROCEDURES TOT SCHADEVERGOEDINGS


Voor het thema van de verant­woor­de­lijk­heid en aansprakelijkheid van de diocesane Bisschop en het herstel van de aan­ge­richte schade is het van belang aandacht te besteden aan de totstandkoming van canon 128. Voorts is de regeling van de wijze waarop het herstel van de schade kan worden afgedwongen aan veranderingen onderhevig geweest, zodat het van betekenis is hier bij deze ont­wik­ke­lingen stil te staan.
Bij de herziening van het kerkelijk wetboek was de bescherming van de rechten van de gelovigen een bijzondere doel­stel­ling, die onder meer door canon 128 en de ont­wik­ke­ling van "administratief recht" moest worden veilig gesteld.
Onder de door de algemene vergadering van de Bis­schop­pen­synode van 1967 aanvaarde principes die als leidraad bij de herziening van het kerkelijk wetboek moesten dienen, gaan met name het zesde en zevende over de bescherming van de rechten van de gelovigen en het zogenoemde "administratieve recht". Met name het zesde principe is voor de totstandkoming van canon 128 van belang: “Vanwege de fundamentele gelijk­waar­digheid van alle christen­ge­lo­vigen en wegens de verscheidenheid van ambten en taken, gefundeerd in de hiërarchische ordening zelf van de Kerk, is het van belang dat de rechten van personen juist worden omschreven en veilig gesteld. Dit bewerkstelligt dat de uitoefening van de macht meer als een dienst verschijnt, het aanwenden ervan meer versterkt wordt en misbruik uitgesloten”. Een voornaam doel van de herziening van het wetboek werd daarmee dat de subjectieve rechten van alle gelovigen op gelijke wijze zouden worden beschermd zodat iedere verdenking van willekeur verdwijnt. Deze doel­stel­ling moest worden bereikt door de canones 128 en 1389 en door nieuwe beroeps­moge­lijk­heden te creëren, waarbij in het bijzonder aan de instelling van administratieve rechtbanken werd gedacht.

De totstandkoming van canon 128

Canon 128 is voorbereid door de studie-commissie “de personis physicis et moralibus”, later geheten:“De personis physicis et iuridicis”. Tijdens de najaars-sessie van de commissie van 5-9 november 1968 stelde één van de consultoren voor dat een canon zou worden toe­ge­voegd over restitutie en schadeherstel, ook wanneer de schuld niet moreel maar slechts juridisch was. Alle consultoren waren het daarmee eens en ter vergadering formuleerde de adjunct-secretaris, mgr. W. Onclin, een tekst die substantieel nauwelijks veranderd, in het wetboek is terecht gekomen.

In de voorjaars-sessie vergadering van 25-28 maart 1969 werd door de consultoren gediscussieerd over de vraag of de canon ook zou gelden voor publieke rechtshandelingen, dat wil zeggen handelingen gesteld door de kerkelijke overheid, en of dit ook zou gelden voor andere rechtshandelingen. Besloten werd de canon zo te formuleren dat tot uiting zou komen dat iedere handeling die schade berokkent, hersteld moet worden door degene die de handeling heeft gesteld en de schade heeft toegebracht. Voorwaarde was dat er sprake is van juridische schuld die werd gelijkgesteld met schending van de wet. Het woord “illegitime” (onwettig) werd toe­ge­voegd en in de tekst van de canon zou dit slaan op de “substantia” en de “modus” van de rechtshandeling en gelden voor zowel private als publieke rechtshandelingen. Daarmee werd bevestigd dat krachtens deze canon er een verplichting bestaat tot herstel van schade wanneer de rechtshandeling zelf of de wijze waarop die tot stand is gekomen of wordt toegepast, onwettig is.

Tijdens de najaars­ver­ga­deringen in de periode van 24 tot en met 28 november is de canon opnieuw aan de orde geweest, maar er heeft geen discussie meer plaatsgevonden; de canon werd goedgekeurd zoals die er al lag. De canon kwam opnieuw even ter sprake tijdens de vergaderingen van 4-8 oktober 1971. Bij die gelegenheid vroeg een consultor of niet vermeld moest worden dat men in beroep kan gaan, waarop mgr. W. Onclin antwoordde dat dit vanzelf sprak. De tekst bleef dan ook zoals die was.

In de ontwerptekst van het procesrecht van 1978 werd een algemene canon voorgesteld over de noodzaak tot schadevergoeding; die is echter verwijderd omdat zo’n bepaling al in het eerste boek was opgenomen. De studie­com­mis­sie “de processibus” formuleerde wel wensen ten aanzien van de formulering van de huidige canon 128 en toen die aan de orde kwam in de vergaderingen van 18-23 februari 1980 besloot de commissie in plaats van “libere” (vrijwillig) in de tekst op te nemen “dolo vel culpa” (met opzet of schuld). De verplichting de aan­ge­richte schade te herstellen rust daardoor niet langer op iedere vrijwillig gestelde handeling, maar op handelingen die met list of met schuld zijn gesteld. Onveranderd gebleven was de herstelplicht ten aanzien van rechtshandelingen die onwettig schade toebrengen. Bij aansprakelijkheid voor vrijwillige daden die onwettig schade berokkenen waarbij geen sprake is van opzet of schuld, zou men kunnen denken aan een aanbeveling door de Bisschop om een priester bij jeugdwerk te betrekken, die zich later schuldig blijkt te maken aan seksueel misbruik, terwijl dat tevoren door de Bisschop niet te voorzien was. De aldus gewijzigde tekst werd overgenomen in de ontwerptekst van 1980 (canon 125). Deze formulering is gelijk aan die van het kerkelijk wetboek, zij het dat “ad damnum illatum reparandum” is veranderd in “damnum illatum reparandi”, maar dat is louter om reden van stijl.

In het Wetboek van de oosterse Kerken (Codex canonum Ecclesiarum orientalium) is vrijwel dezelfde tekst opgenomen in canon 935, zij het dat de komma’s zijn weggelaten, waardoor de woorden “met list of met schuld gesteld” ook op een rechtshandeling slaan.

De totstandkoming van de huidige administratieve procedures

Het canoniek recht voorziet verschillende procedures waarbinnen een eis tot schadevergoeding naar voren kan worden gebracht, zoals het strafproces of het contentieus geding. Deze procedures hebben geen grote veranderingen ondergaan en worden bovendien weinig toegepast. In veel gevallen zouden de administratieve rechtbanken, die in de ontwerpteksten van de Codex Iuris Canonici waren voorzien, over de aan­ge­richte schade hebben moeten oordelen, maar zoals bekend, is bijna iedere vermelding van deze rechtbanken in de laatste fase van de wordingsgeschiedenis van het wetboek geschrapt. Hierdoor is het middel van administratieve rechtspraak in ieder geval niet algemeen verplicht ingevoerd zodat ieder er gebruik van kan maken. De instelling van een administratieve rechtbank wordt binnen de Apos­to­lische Signatura nog steeds voor mogelijk gehouden, maar niet zonder indult van de Apos­to­lische Stoel.

Inzake het beroep tegen administratieve decreten van diocesane Bis­schop­pen, hebben belangrijke ont­wik­ke­lingen plaats gevonden sinds het begin van de twintigste eeuw.

In 1908 hervormde de heilige paus Pius X de Romeinse curie en kondigde bij die gelegenheid tevens een eigen wet (“lex propria”) voor de heilige Romeinse Rota en de Apos­to­lische Signatuur af. In dit laatste document werd bepaald dat er geen beroep (“recursus” of “appellatio”) mogelijk was op de Rota tegen besluiten van de Bis­schop­pen die niet door een gerechtelijke procedure tot stand waren gekomen, maar dat de Con­gre­ga­ties van de Romeinse Curie de enige bevoegde instanties zouden zijn om een beroep te aanvaarden. Dit was een opmerkelijke vernieuwing die niet los te zien is van de tendens in de rechtssystemen van de verschillende landen om administratieve beslissingen niet te laten beoordelen door de gewone rechtbanken. Tenminste sinds de twaalfde eeuw was een beroep mogelijk tegen onder meer bisschoppelijke besluiten die niet door een gerechtelijke procedure tot stand waren gekomen. Om deze reden werd dit beroep in de pauselijke documenten en door de canonisten “appellatio extraiudicialis” genoemd, een naam die terug gaat op de heilige Raymundus de Peñafort. Het beroep werd tegen een beslissing van de eigen Bisschop uitgebracht bij de (rechtbank van de) Metropoliet en vervolgens bij de heilige Stoel, waar het behandeld werd door de Rota. Soms werd de zaak met pauselijke dispensatie behandeld door een dichter bij de klager gelegen rechtbank. De behandeling van dit beroep was een uitoefening van rechterlijke macht, zodat met name volgens de post-Tridentijnse canonisten, voor deze gevallen op straffe van nietigheid gold “lite pendente nihil innovetur”, tijdens het proces mag er niets worden veranderd: het besluit, waartegen het beroep was ingesteld, mocht niet worden uitgevoerd en beslissingen die hiermee strijdig waren, moesten als nietig worden aangemerkt. Dit suspensieve effect van het beroep werd door verschillende pausen en vooral door paus Benedictus XIV (1740-1758) wegens misbruik zozeer beperkt, dat er tenslotte weinig van over bleef. De appellatio extraiudicialis hield volgens I. Gordon in, dat ieder die zich onterecht benadeeld voelde, in beroep kon gaan bij de rechtbank bij wie de aangeklaagde - de veroorzaker van de schade, een privé-persoon of een kerkelijke overheid - een forum had. Deze mogelijkheid paste in een systeem waarin geen scheiding van administratieve en rechterlijke macht bestond (“iurisdictio unica”).

De her­vor­ming van de curie in 1908 bracht dus met zich mee dat van dit systeem werd afgestapt en een beroep tegen buiten-gerechtelijke decreten van Bis­schop­pen uitsluitend kon worden ingesteld bij de Con­gre­ga­ties van de Romeinse curie. Deze bepaling werd in het wetboek van 1917 overgenomen in canon 1601.

Bij de herziening van de Romeinse curie in het jaar 1967, kreeg de Signatura Apostolica een nieuwe vorm: de tweede sectie van deze curie-instantie werd gecreëerd, die als hoogste kerkelijke rechtbank bij administratief beroep ging fungeren. De Signatuur kreeg echter niet de bevoegdheid over de merites van de voorgelegde kwesties te oordelen, doch over de wettigheid van de procedure en de administratieve beschikking. De curie-organen waarbij men in hiërarchisch beroep kan gaan tegen een besluit van een diocesane bisschop, hebben wél de bevoegdheid om een beschikking ook inhoudelijk te toetsen en te herzien (vgl. canon 1739), hoewel hiervan bijna nooit gebruik wordt gemaakt. Sinds de laatste her­vor­ming van de curie in 1988 is, zoals hiervoor is besproken, aan de Signatuur de bevoegdheid verleend aan de benadeelde partij een vergoeding toe te kennen voor geleden schade.

In een eerste ontwerptekst uit 1970 werden verschillende mogelijkheden aangegeven om tegen een administratieve beschikking in beroep te gaan: het hiërarchisch beroep met de mogelijkheid van verbetering of vernietiging van het decreet, een administratief proces met de mogelijkheid van vernietiging van het decreet bij onwettigheid in ruime zin, en een gewoon proces waarbinnen het decreet niet vernietigd kon worden, maar wel een herstel van de aan­ge­richte schade kon worden bepaald. Reeds in een tweede ontwerptekst werd deze laatste bevoegdheid exclusief toegewezen aan de te vormen administratieve rechtbanken, zodat de gewone rechtbanken niet bevoegd waren inzake schade die ontstaat uit beschikkingen van een administratieve overheid, zoals dat nu nog steeds is.

Op basis van de tien principes werd besloten een ontwerptekst op te stellen met een regeling voor een netwerk van verplicht op te richten administratieve rechtbanken van eerste instantie en van beroep op niveau van de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie. Deze rechtbanken moesten een beroep tegen buitengerechtelijke beschikkingen beoordelen, dat van de competentie van de gewone kerkelijke rechtbanken is uitgesloten (canon 1400 § 2); zij zouden op een lager niveau de taak hebben moeten krijgen die de Apos­to­lische Signatuur sinds 1967 had. Bovendien zouden deze rechtbanken de bevoegdheid krijgen een schadevergoeding vast te stellen, die in 1988 uiteindelijk alleen de Signatuur is verleend.

In de plenaire vergadering van de voor­be­rei­dings­com­mis­sie die in oktober 1980 is gehouden, werd uitvoerig over de administratieve rechtbanken gesproken. De ontwerptekst van 1980 had de instelling van administratieve rechtbanken niet langer verplicht gesteld (c. 1689 §§ 1-2: "potest"). Aan de vergadering werd de vraag voorgelegd of dit zo zou moeten blijven.

De kwestie werd in te­gen­woor­digheid van de paus in de commissie behandeld. De overgrote meerderheid van de aanwezigen stemde tegen de invoering van een verplichting. Over het algemeen zag men geen mogelijkheid een dergelijke structuur in het leven te roepen; bovendien zag men er een bezwaar in dat er nog geen ervaring was met een structuur van administratieve rechtbanken. In de discussie brachten verschillende leden naar voren dat zij in het algemeen vragen hadden bij de instelling van dergelijke tribunalen. Het bezwaar van rechtsongelijkheid werd nogal eens onderstreept.

Na deze vergadering werd de ontwerptekst van het kerkelijk wetboek, herzien aan de hand van de opmerkingen van de leden van de commissie, de paus ter hand gesteld, die eerst met een groep van zes canonisten, vervolgens met drie kardinalen en twee bis­schop­pen het ontwerp heeft doorgenomen. Een van de onderwerpen waaraan bijzondere aandacht is besteed, betrof de instelling van administratieve rechtbanken. In deze fase zijn de betreffende canones verwijderd. Daarmee verdween althans voor dit moment een concrete mogelijkheid om dergelijke rechtbanken op het niveau van de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie in het leven te roepen.

Het wetboek van 1983 heeft echter wel enkele belangrijke veranderingen aangebracht in het hiërarchisch beroep. Zo bepaalt canon 1738 dat de indiener van het beroep altijd het recht heeft om van een advocaat of procurator gebruik te maken. Wanneer de indiener niet over goede rechtsbijstand beschikt, dient van ambtswege een persoon te worden aangesteld om die rechtsbijstand te verlenen, wanneer de Overheid dit noodzakelijk acht (canon 1738) om het recht op verdediging veilig te stellen.

2. DE BETEKENIS VAN CANON 128

Er is dus geen enkele twijfel dat deze canon van toepassing is op rechtshandelingen en andere handelingen van een diocesane Bisschop of een andere kerkelijke overheid. Niet alleen omdat “ubi lex non distinguit et nos distinguere non debemus”, maar ook omdat het een eis van recht­vaar­dig­heid en dus van goddelijk recht is, dat iemand de schade die hij iemand ten onrechte toebrengt, naar vermogen herstelt. Bovendien is het aannemelijk vanuit de parallel met de reeds genoemde canon 1389 en past dit helemaal in de lijn van de principes die de leidraad vormden bij de herziening van het kerkelijk wetboek en die om een betere bescherming van de subjectieve rechten vroegen. In 1988 is trouwens, zoals reeds vermeld, aan de Apos­to­lische Signatuur de bevoegdheid toegekend een vergoeding vast te stellen wanneer schade berokkend is door een onwettige administratieve handeling van kerkelijke overheden, naast de competentie die de hoogste kerkelijke rechtbank op dat moment al bezat om te oordelen over de wettigheid van een administratieve beschikking. In canon 128 wordt zelfs beklemtoond dat deze bepaling algemeen van toepassing is door het woord “quicumque” (al wie, wie dan ook) waarmee de canon begint.

Handelingen van de Bisschop als Bisschop en vertegen­woor­diger van zijn particuliere Kerk

Ook voor handelingen van de diocesane Bisschop geldt dus de verplichting van canon 128 de aan­ge­richte schade te herstellen. Het gaat hier niet slechts om schade die hij als privé-persoon berokkend heeft en waarvoor hij per­soon­lijk verant­woor­de­lijk is, maar ook om handelingen van openbaar bestuur, waarbij de diocesane Bisschop het bisdom vertegen­woor­digt (canon 393) en de rechts­persoon - het diocees - verant­woor­de­lijk gehouden wordt. De Bisschop handelt waar het om bestuurshandelingen gaat als (diocesane) Bisschop en vertegen­woor­diger van de rechts­persoon, of het nu gaat om rechtshandelingen in strikte zin of om andere handelingen die hij als bestuurder stelt, zodat het bisdom voor een financiële of andersoortige schadeloos­stel­ling moet zorgen. De rechts­persoon - het bisdom - is alleen verant­woor­de­lijk wanneer de Bisschop inderdaad als Bisschop en/of vertegen­woor­diger van de rechts­persoon heeft gehandeld (vgl. canones 639 §1; 1281 §3). Immers, “delictum personae non debet in detrimentum Ecclesiae redundare”, zoals regel 76 van de Regulae Iuris van het Liber Sextus luidt. Maxwell noemt een drietal criteria om deze vraag te kunnen beoordelen: het eerste criterium betreft de persoon die de schadelijke handeling heeft gesteld: heeft de Bisschop door zijn ambt inderdaad de taak en de bevoegdheid om deze handeling te stellen; heeft hij wellicht deze bevoegdheid door delegatie of toestemming verkregen of kwam het hem niet toe deze handeling te stellen? Het tweede criterium betreft de wetgeving en de wettelijke vereisten die aan deze schadelijke handeling worden gesteld. Heeft de handeling voldaan aan de wettelijke voorwaarden om als handeling van de vertegen­woor­diger van het bisdom te kunnen worden beschouwd. Het derde criterium betreft de vraag of de handeling in overeenstemming was met het rechtskarakter en de doel­stel­ling van de rechts­persoon. Was de handeling geldig of niet, beantwoordde de handelwijze aan de doel­stel­ling van een bisdom of niet, was de handeling goedgekeurd of niet, had de Bisschop de macht om dit te doen of niet? Deze vragen kunnen helpen te bepalen of de Bisschop inderdaad als diocesane Bisschop en vertegen­woor­diger van het bisdom heeft gehandeld of niet, met name waar het om financiële schadevergoedingen gaat.

Het bisdom is dus aansprakelijk als de Bisschop handelt als vertegen­woor­diger van het bisdom, maar als de Bisschop handelt zonder de noodzakelijke toestemming of zonder degenen te hebben gehoord die hij dient te horen, is de rechtshandeling ongeldig. De verplichting om de schade te herstellen rust strikt genomen alleen op het bisdom als de rechts­persoon op een of andere wijze verant­woor­de­lijk kan worden gehouden voor de handeling die de schade heeft aan­ge­richt (canon 128). Is dat niet zo, kan het bisdom naar canoniek recht niet verant­woor­de­lijk worden gehouden, maar rust de verant­woor­de­lijk­heid en aansprakelijkheid bij de Bisschop per­soon­lijk.

In verschillende gevallen zak er sprake zijn van een “gemengde” verant­woor­de­lijk­heid, bij­voor­beeld waar de Bisschop als bestuurder een beslissing heeft getroffen, waartoe hij in redelijkheid niet had kunnen komen. In zo’n geval is er sprake van een per­soon­lijke verant­woor­de­lijk­heid van de Bisschop, maar kan ook het bisdom als rechts­persoon zich niet aan (alle) aansprakelijkheid onttrekken.

De Bisschop en handelingen van ondergeschikten

Voor handelingen die een gedelegeerde van de Bisschop stelt, kan de Bisschop - en dus het bisdom - niet direct verant­woor­de­lijk worden gehouden, omdat de gedelegeerde binnen de grenzen van zijn mandaat handelt in eigen naam en naar eigen inzicht (canon 133), tenzij die persoon zodanig ongeschikt was dat hij niet gedelegeerd had mogen worden of de Bisschop op andere wijze schuld heeft aan de schadelijke handeling door deze persoon te delegeren. Er moet echter sprake zijn van oorzaak en gevolg: alleen als de schade is veroorzaakt door de handeling van de Bisschop is canon 128 op de delegerende van toepassing en rust er op de Bisschop een verplichting de schade te herstellen. De Romeinse Rota heeft wel een indirect aan­ge­richte schade erkent als reden voor schadevergoeding, maar een zuiver occasioneel verband tussen de handeling en de aangebrachte schade is niet voldoende. Zo is de Bisschop althans naar canoniek recht, niet zonder meer verant­woor­de­lijk voor schade die is aangebracht doordat een pastoor minderjarigen heeft misbruikt, ook al heeft Bisschop die pastoor benoemd. Anders ligt dit natuurlijk wanneer de Bisschop een dergelijk misbruik redelijkerwijze kon voorzien, of wanneer hij zelfs niet de maatregelen heeft genomen die het canoniek recht terzake voorschrijft of die van hem krachtens canoniek recht verwacht mogen worden. Zo kan een Bisschop een strafover­plaatsing van een geestelijke die zich aan ver­krachting of seksueel misbruik van minderjarigen heeft schuldig gemaakt, niet als “iusta poena” beschouwen omdat dit de mogelijke slachtoffers niet beschermt en niet beantwoordt aan de doel­stel­ling van een kerkelijke straf (vgl. canon 1341), temeer daar het wetboek van 1917 voorschreef dat de daders in zo’n geval moesten worden gesuspendeerd en eerloos verklaard en dat elk ambt, beneficie, waardigheid of taak hun moest worden ontnomen. Op dit terrein van de verant­woor­de­lijk­heid van de Bisschop voor handelingen van ondergeschikten liggen dus allerlei causaliteits-vragen, die door de jurisprudentie verhelderd kunnen worden.
Handelt iemand die door de Bisschop is benoemd echter krachtens plaatsvervangende macht (potestas vicaria), dan is ook de Bisschop krachtens wiens bevoegdheid hij handelt, in principe aansprakelijk. Wie immers plaatsvervangende macht bezit, dient te handelen ad mentem Episcopi (in de geest van de Bisschop). Daarom is de veronder­stel­ling dat de Bisschop wel een verant­woor­de­lijk­heid heeft voor schade die ontstaat uit de handelingen van zijn vicarissen, die geacht worden nooit tegen de wil en de geest van de diocesane Bisschop te handelen (canon 480). Deze presumptie is in zoverre voor het bewijs van het tegendeel vatbaar, dat in bepaalde gevallen moet worden geconcludeerd dat de vicaris tegen de geest en de wil en dus niet als vicaris van zijn Bisschop heeft gehandeld. Als er geen sprake was van dolus of culpa van de Bisschop, kan de schade hem niet worden aangerekend; wanneer het een rechtshandeling van de vicaris betrof die wel geldig was, zullen de Bisschop en het diocees verant­woor­de­lijk zijn, maar een schade op hem kunnen verhalen.

Toch kan er ook ten aanzien van handelingen van een gedelegeerde van de Bisschop of van andere personen die met een benoeming of zending van de Bisschop in het bisdom werkzaam zijn of van rechts­personen die door de Bisschop zijn opgericht of goedgekeurd, sprake zijn van een verant­woor­de­lijk­heid die leidt tot een verplichting voor de Bisschop de aan­ge­richte schade te herstellen. Dit is bij­voor­beeld het geval wanneer het onwettig berokkenen van schade mogelijk is geworden doordat de Bisschop niet het verschuldigde waakzaam toezicht uitoefent of het onderhouden van de kerkelijke wetten niet urgeert (canon 392 §§ 1 en 2) of de schade noodzakelijkerwijze voortvloeit uit de doel­stel­ling die hij een publieke rechts­persoon heeft meegegeven. Indien de Bisschop in gebreke blijft door geen toezicht te houden, niet de normale prudentie hanteert bij de selectie van zijn medewerkers, onvoldoende oog houdt op de geschiktheid van degenen die hij benoemt of een publieke rechts­persoon statutaire verplichtingen oplegt die tot schade leiden, is hij (mede)verant­woor­de­lijk voor de schade die wordt berokkend door deze personen of instellingen. In dit geval is er immers sprake van een handeling met schuld gesteld die schade aanricht, want degene die de handeling stelt, dient de normale gevolgen van die handelwijze te voorzien.

Schade door niet te handelen

Een verplichting om de aan­ge­richte schade te herstellen, kan ontstaan uit niet-handelen en zwijgen. Ook niet-handelen wordt in dit verband door het kerkelijk wetboek als handelen beschouwd: “Telkens wanneer de wet oplegt een decreet uit te vaardigen of door een belanghebbende een aanvraag of beroep om een decreet te verkrijgen wettig ingediend wordt, dient de bevoegde overheid binnen drie maanden ... daarin te voorzien...” (canon 57 §1). Doet de kerkelijke overheid niets, wordt een negatief antwoord gepresumeerd (canon 57 §2). Dit stilzwijgen is aldus bestuurlijk handelen waarop canon 128 van toepassing is: “Het gepresumeerd negatief antwoord ontslaat de bevoegde overheid niet van de verplichting om een decreet uit te vaardigen en zelfs niet van de verplichting om eventueel veroorzaakte schade, volgens canon 128 te herstellen” (canon 57 §3). Bij “damnum illatum” (aan­ge­richte schade) die ontstaat door niet te handelen, dient men niet alleen te denken aan schade die wordt toegebracht doordat de Bisschop niet reageert op een rechtmatig verzoek dat door een belanghebbende wettig is ingediend, maar ook aan schade die volgt uit het schuldig in gebreke blijven van de Bisschop om de gemeen­schap­pe­lijke discipline van de Kerk te bevorderen of die ontstaat door het niet-urgeren van kerkelijke wetten (canon 392 §1).

Rechtshandelingen (“actu iuridico”)

Canon 128 vermeldt allereerst de rechtshandeling die een ander onwettig schade berokkent. Onder rechtshandelingen zijn hier te verstaan: vrijwillige handelingen van een fysieke of rechts-persoon in een vorm erkend door de wet, waaraan rechtsgevolgen verbonden zijn. In geval van twijfel worden ook handelingen die op rechtshandelingen gelijken als rechtshandeling beschouwd. Deze “rechtsgeschäftsähnlichen Handlungen” zijn vrijwillige handelingen die indirect een rechtsgevolg meebrengen, zoals een vermaning, het vaststellen van een termijn, bezetting, het niet-stellen van een proceshandeling gedurende zes maanden (canon 1520), enzovoorts.
De diocesane Bisschop bezit zowel wetgevende als uitvoerende en rechterlijke macht. De schadelijke rechtshandeling waarop canon 128 doelt, kan uit elk van deze drie bevoegdheden voortkomen. Het kan gaan om een uitspraak die de Bisschop als rechter heeft gedaan, wanneer hij de rechterlijke macht heeft uitgeoefend in eigen persoon (canon 1419 §1); de mogelijkheid bestaat dat een wet die door de diocesane Bisschop is uitgevaardigd of van kracht verklaard, aan anderen onwettig schade toebrengt. In de meeste gevallen zal de verplichting om de schade te herstellen, voortkomen uit een bestuurshandeling gesteld krachtens de administratieve of uitvoerende macht zoals benoemingen en ontslagen, strafoplegging langs administratieve weg, oprichting of opheffing van een parochie, sluiting van een kerk. Voorts kan schade voor derden voortvloeien uit contractuele verplichtingen die de diocesane Bisschop als vertegen­woor­diger van een rechts­persoon is aangegaan. De procedure tot het verkrijgen van een vergoeding van de aan­ge­richte schade, is verschillend al naar gelang de aard van de rechtshandeling: de procedure is anders bij een rechtshandeling gesteld vanwege wetgevende of administratieve bevoegdheid, dan bij een rechtshandeling die is gesteld in het kader van een proces of die in een gewoon contentieus proces kan worden aangevochten. Tegen administratieve beslissingen staat een hiërarchisch beroep open. In geval van schade voortvloeiend uit contractuele verplichtingen en het beëindigen ervan zal moeten worden gevolgd wat het burgerlijk recht aangaande contracten voorschrijft, tenzij dat tegen het goddelijk recht is of het canoniek recht iets anders voorschrijft (canon 1290).

Onwettig schade toebrengen (“Quicumque illegitime ... alteri damnum infert”)

Een rechtshandeling kan op onwettige wijze schade toebrengen doordat de handeling zelf onwettig is en dit onwettig karakter voor bepaalde personen nadelig is. Een rechtshandeling kan onwettig zijn doordat zij de wet schendt, doordat degene die de rechtshandeling heeft gesteld niet bevoegd is (incompetentie) en door machtsmisbruik, wanneer de rechtshandeling namelijk niet het welzijn van de kerk­ge­meen­schap dient, maar de kerkelijke be­stuurs­macht voor andere doeleinden en belangen wordt misbruikt. De diocesane Bisschop is niet bevoegd wanneer een handeling is voorbehouden aan de Paus of de Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie, of wanneer hij eerst een toestemming of advies had moeten verkrijgen alvorens de handeling geldig te kunnen stellen (vgl. canon 127). De Bisschop schendt de wet wanneer hij wetgeving publiceert die tegen de universele wetten of de wetgeving van de Bis­schop­pen­con­fe­ren­tie ingaat of wanneer hij administratieve beschikkingen of rechterlijke uitspraken doet die niet met de wetgeving in overeenstemming zijn.

De diocesane Bisschop is niet alleen verplicht de schade te herstellen wanneer zijn rechtshandeling onwettig was in de zojuist besproken zin, maar ook wanneer die anderszins onwettig schade heeft berokkend. Zo kan er sprake zijn geweest van een aanwijsbaar gebrek in de beoordeling van een geval (de merito): de handeling was niet adequaat, niet opportuun, niet gepast, niet gematigd. Zij heeft de natuurlijke maat van recht en billijkheid niet gehouden. Het is voorts mogelijk dat de Bisschop zijn besluit heeft genomen in dwaling, wanneer hij namelijk de rechtshandeling heeft gesteld ten gevolge van een onjuiste overtuiging, hem al dan niet door machinaties van anderen (dolus) bijgebracht. Het gaat in dit verband mijns inziens niet eens om de vraag of de Bisschop aan deze dwaling schuldig was door bij­voor­beeld oppervlakkigheid of omdat hij geen zorgvuldig onderzoek had ingesteld, maar slechts om het punt of de schade onwettig is berokkend. De dwaling kan hebben gelegen in het proces van de besluit­vor­ming, met name wanneer daarin belangrijke stappen zijn over­ge­sla­gen en de handeling zelf wellicht onwettig en ongeldig was (error in procedendo). Wellicht echter is er gedwaald bij het nemen van het besluit zelf omdat zaken voor waar werden gehouden die niet op waarheid berustten, zoals wanneer iemand ten onrechte tot een kerkelijke straf wordt veroordeeld (error in decidendo).

Het “illegitime” (onwettig) van canon 128 verwijst dus niet slechts, zoals verschillende auteurs lijken te menen, naar de onwettigheid van de rechtshandeling. Er wordt in de tekst van de canon niet alleen gerefereerd aan een onwettige rechtshandeling of andere handeling met list of schuld gesteld, maar de wetstekst gaat verder: wie op onwettige wijze schade toebrengt; dit kan dus ook het geval zijn, wanneer de handeling in zichzelf weliswaar niet onwettig was, maar het toebrengen van deze schade wel onwettig genoemd moet worden omdat dit ingaat tegen de natuurlijke billijkheid. De schade die wordt toegebracht kan dus ook onwettig zijn, wanneer de rechtshandeling op zich naar positief-rechtelijke maatstaven wettig was. Met zo’n rechtshandeling kan een schade teweeg worden gebracht die onwettig genoemd moet worden omdat die rechtshandeling de aequitas naturalis schendt. Iedere (rechts)handeling die tegen de aequitas naturalis in gaat, brengt onwettige schade toe en het is een verplichting van natuurrecht deze te vergoeden. (vgl. canones 221 §2; 19; vgl. 271 §3; 686 §3; 702 §2; 1148 §3; en de laatste canon: 1752). Een schade kan daarentegen wel wettig zijn, wanneer de rechtshandeling de natuurlijke billijkheid niet heeft geschonden, bij­voor­beeld wanneer een straf op wettige wijze wordt opgelegd of wanneer door een over­plaatsing bijkomende voordelen van het ambt dat de overge­plaatste eerder bekleedde, verloren gaan.

Andere handelingen die onwettig schade toebrengen

Canon 128 gaat niet alleen over rechtshandelingen maar ook over “welke andere handeling ook met list of schuld gesteld” ( “quovis alio actu dolo vel culpa posito”).
Iedere vorm van onwettig schade toebrengen is hierbij ingesloten: handelingen die door het strafrecht worden geviseerd, zoals seksuele vergrijpen, laster; moord, ambtsmisbruik (vgl. canones 1729-1731), nalatigheid in het vervullen van de verplichtingen van het ambt en andere gevallen.

Door de interpunctie in de Latijnse codex heeft de vermelding van list of schuld alleen betrekking op het “quovis alio actu”. In het wetboek voor de oosterse Kerken is deze interpunctie weggelaten, waardoor de woorden “dolo vel culpa posito” ook op rechtshandelingen betrekking hebben. Dit betekent echter niet dat voor de gelovigen die tot de Oosterse Kerken behoren, bewezen moet worden dat de rechtshandeling met list of schuld is gesteld wil een schadevergoeding kunnen worden toegewezen. Verschillende commentatoren betrekken deze woorden in de Latijnse codex toch ook op de rechtshandeling omdat bij rechtshandelingen van een kerkelijke overste er altijd van wordt uitgegaan dat zij opzettelijk en bewust zijn gesteld en dat er dus altijd van list of schuld sprake wordt geacht te zijn wanneer de handeling onwettig schade berokkent. Wanneer iemand boven de zestien jaar de wet schendt, wordt de toerekenbaarheid trouwens gepresumeerd al blijft bewijs van het tegendeel mogelijk (canones 1321 §3; 15 §2). In beginsel geldt dit ook voor iedere handeling van het openbaar bestuur. Waar het gaat om een handeling van het openbaar bestuur, wordt de schuld dus verondersteld, maar het tegendeel kan worden bewezen. Wellicht kan het in een bepaald geval toch enig verschil uitmaken of de woorden “met list of met schuld” wel of niet op de rechtshandeling worden betrokken. Dan is in ieder geval duidelijk vast te houden dat het bij het beoordelen van de schadelijke rechtshandeling volgens canon 128 gaat om de vraag of die handeling onwettig schade heeft toegebracht.

Opzet (dolus) en culpa (schuld)

Dolus, bedrog, heeft hier de brede betekenis van “opzet” (vgl. canon 1321 §§1 en 2); er is niet alleen sprake van dolus indien een ander misleid wordt, maar ook al wanneer met opzet door welke handeling dan ook een ander schade wordt berokkend.

Culpa, schuld, betekent het nalaten van de vereiste zorgvuldigheid of verwaarlozing waardoor een ander wordt geschaad. Volgens Rota-rechtspraak uit het begin van de twintigste eeuw is een diocesane Bisschop of andere kerkelijke overheid niet aansprakelijk voor eventuele schade als het gaat om een handeling in het kader van de uitoefening van zijn ambt en hem slechts zeer lichte schuld treft (culpa levissima) bij het stellen van een handeling. Het is echter de vraag in hoeverre deze jurisprudentie staande te houden is bij de huidige wetstekst die geen enkele uitzondering kent op de verplichting de schade te herstellen wanneer die een ander onwettig, met list of met schuld, berokkend is, terwijl voor rechtshandelingen zelfs de voorwaarde van list en schuld niet wordt gesteld. Zoals Huysmans terecht stelt gaat het in canon 128 er niet om de mate van opzet en schuld te wegen opdat een strafmaat kan worden bepaald (vgl. canon 1321), maar om de vraag of iemand schuldig is aan het berokkenen van schade. In de mate dat het toebrengen van schade iemand kan worden aangerekend, moet die persoon de schade herstellen. Die toerekenbaarheid kan meer of minder zijn, maar voor zover iemand die schade onwettig berokkend heeft, dient hij die te herstellen.

Herstel van schade

Rest nog de vraag wat canon 128 onder schade verstaat en wat de verplichting inhoudt om deze te herstellen.

Schade (damnum) betreft iedere vorm van nadeel, niet slechts financieel, maar ook fysiek, psychisch, geestelijk, moreel, spiritueel, en sociaal. Het kan gaan om de schending van een specifiek belang of goed dat door het recht wordt beschermd. Waar het wetboek doelt op aan­ge­richte schade wordt dus niet alleen aan materiële bezittingen gedacht, maar ook aan andere waarden zoals gezondheid, vrijheid, reputatie of geestelijke goederen zoals bij­voor­beeld het ontvangen van de sacramenten.

Het herstel van de aan­ge­richte schade moet zo volledig mogelijk zijn. Zo mogelijk moet de oor­spron­ke­lijke situatie hersteld worden door restitutio of reparatio, wanneer dit niet mogelijk blijkt, kan een schadevergoeding worden toegekend (compensatie). De codex heeft een voorkeur voor het herstel van de vroegere situatie. Herstel van de schade kan bestaan in het zuiveren van iemands naam, teruggave van goederen, herstel van iemand in zijn ambt, publieke erkenning van een fout of toekenning van een financiële schadeloos­stel­ling. Ook al wordt de toestand hersteld zoals die was voor het aanbrengen van de schade, toch kan er sprake zijn van bijkomende schade die eveneens moet worden vergoed, zoals teruggave van verloren inkomsten en herstel van goede naam van een pastoor die op onwettig wijze verwijderd was (vgl. canon 1515). Hieromtrent wordt in canon 128 niets naders geregeld, maar de jurisprudentie en de commentaren zijn het erover eens dat het herstel van de schade zo volledig mogelijk moet zijn: de negatieve gevolgen van de schadelijke handeling moeten ongedaan gemaakt worden en het herstel van de schade moet even publiek zijn als het toebrengen van de schade was geweest. Deze mening beantwoordt bovendien het best aan de verplichting die in canon 128 wordt opgelegd, om de aan­ge­richte schade te herstellen.

3. DE PROCEDURE

Het wetboek bepaalt in canon 221 dat het de christen­ge­lo­vigen toekomt “de rechten die zij in de Kerk genieten, wettig op te eisen en te verdedigen voor een bevoegde kerkelijke instantie volgens het recht”. Een eis tot herstel van de aan­ge­richte schade op basis van de verplichting die in canon 128 wordt geformuleerd, moet worden gedaan met behulp van de wettige middelen van de Kerk. Deze middelen verschillen al naar gelang de aard van de handeling waaruit de schade is voortgevloeid.

Wie is competent om een vordering tot herstel van aan­ge­richte schade te beoordelen? Geschillen die ontstaan uit een beschikking van een administratieve overheid, kunnen alleen voor een Overste of voor een administratieve rechtbank gebracht worden (canon 1400 §2). Tegen administratieve decreten bestaat de mogelijkheid van hiërarchisch beroep, over­een­komstig de canones 1732 en 1734-1739. Voor de procedure bij verwijdering of ver­plaatsing van een pastoor zijn tevens de canones 1740-1752 van toepassing. Dit beroep loopt van de Bisschop naar de voor het betreffende onderwerp bevoegde Romeinse con­gre­ga­tie of de Raad voor de Leken en tegen de beslissing van deze curie-instantie naar de Apos­to­lische Signatuur, die krachtens artikel 123 §2 van de Apos­to­lische Constitutie Pastor Bonus tevens de bevoegdheid heeft de - materiële en immateriële - schadevergoeding vast te stellen. De bevoegdheid van de Signatuur is iets anders geformuleerd dan de tekst van canon 128. Gaat het in canon 128 om onder meer een rechtshandeling die onwettig schade berokkent, de Signatuur heeft de bevoegdheid te oordelen over het herstel van de schade die voortvloeit uit een onwettige rechtshandeling. De Signatuur is bevoegd om een schadevergoeding vast te stellen wanneer zij een beroep ontvangt tegen een administratieve beschikking-voor-een-afzonderlijk-geval, die gegeven of bekrachtigd is door een dicasterie van de Romeinse curie, indien zij heeft vastgesteld dat deze beschikking onwettig was door een schending van de wet, wegens een onwettige procedure of een onwettige beslissing. Dit lijkt een juridisch-formele competentie die louter de wettigheid toetst. Toch biedt deze bevoegdheid de mogelijkheid dat de administratieve rechtspraak van de Signatura zich ook bezig houdt met de inhoud en niet slechts met de vorm, dat wil zeggen: met de vraag of de wet is geschonden door deze beslissing op deze manier te nemen. Het herstel van de schade betekent immers in de opvatting van het canoniek recht bij voorkeur een herstel van de vroegere situatie.
Het aantal zaken dat aan de Signatuur wordt voorgelegd is in feite gering. Op de gewone kerkelijke rechtbanken wordt vrij zelden een beroep gedaan voor andere zaken dan voor de nietig­ver­klaring van huwelijken en de roep om een netwerk van administratieve rechtbanken op alle niveau’s wordt niet veel meer gehoord. Kardinaal Zenon Grocholewski, voorheen prefect van de Signatura, concludeerde hieruit dat de behoefte aan dergelijke rechtbanken dus niet zo groot zou zijn. Bovendien zou het opzetten van zo’n gerechtelijk systeem voor zeer vele lokale Kerken een buitensporige last betekenen. Het zou voldoende kunnen zijn het huidig systeem te perfectioneren. In het algemeen is belangrijk dat de regeling van de beroepsprocedures - ook van het hiërarchisch beroep - beter wordt uitgewerkt en bekend gemaakt. Het is echter bepaald niet uit te sluiten dat in de toekomst een systeem van administratieve rechtbanken zal worden ingesteld. Een belangrijke stap is dat de huidige prefect van de Signatura, kardinaal Mario Pompedda een systematische en volledige publicatie van de jurisprudentie van deze hoogste rechtbank en een vervollediging van het systeem van administratieve rechtspraak voor noodzakelijk houdt.

Wanneer het gaat om schade die geleden wordt door het afkondigen van wetten die niet met de universele wet van de Kerk in overeenstemming zijn, kan een beroep worden gedaan op de Raad voor de In­ter­pre­ta­tie van Wetsteksten die bevoegd is te beoordelen of particuliere wetten en algemene decreten van wetgevers onder de hoogste wetgever, in overeenstemming zijn met de universele wetten van de Kerk. De Raad beperkt zich tot een oordeel over de wettigheid van een bepaling en over de overeenstemming daarvan met de universele wetten van de Kerk, zodat men voor een schadevergoeding daarna nog een beroep moet doen op de Signatuur.

Daarnaast zijn er nog enkele vormen van procedures waarbinnen men zich een verzoek om herstel van de aan­ge­richte schade kan voorstellen. Wanneer het een delict betreft, is een strafzaak mogelijk. Wanneer het gaat om een zaak tegen een Bisschop, zijn enkele bijzondere regels van toepassing: strafzaken tegen Bis­schop­pen blijven echter voorbehouden aan de Paus zelf, zoals dat ook was onder de vigeur van het wetboek van 1917 (canon 1405 §1 nr. 3; CIC 1917 canon 1557 §1, n. 3). Deze oude reservatie heeft nieuwe gevolgen: zo kan volgens het huidige recht een eis tot schadevergoeding in het strafgeding zelf worden ingesteld (canon 1729 §1), al komt logischerwijze de bepaling van de schadevergoeding na de vast­stel­ling dat het delict inderdaad is gepleegd. Wanneer de Paus tot een proces besluit, kan een benadeelde partij “een contentieuze vordering tot vergoeding van de schade haar door het misdrijf berokkend, in het strafgeding zelf instellen” (canon 1729 §1). Dit is dus niet automatisch mogelijk wanneer een Bisschop wordt aangeklaagd, ook niet wanneer te voorzien is dat een straf voor het leven zal moeten worden opgelegd of verklaard (vgl. canon 1343 §2). Nieuw is ook de uitdrukkelijke bepaling dat het opleggen van de straf geenszins betekent dat recht gedaan is aan de benadeelde partij, tenzij de eis tot schadevergoeding over­een­komstig canon 1729 is ingebracht (canon 1731). De vordering tot schadevergoeding kan dan op andere wijze worden gedaan. Dit geldt ook wanneer het in feite niet mogelijk blijkt de eis tot schadevergoeding in een strafproces voor te leggen, vanwege de reservatie of omdat anderszins wettig een administratieve procedure is gekozen (canon 1342 §§1-2).

In contentieuze zaken is het in het huidige recht aan de Rota voorbehouden over Bis­schop­pen en bisdommen te oordelen (canon 1405 §3, nr. 1 en 3), behalve wanneer het gaat over rechten of tijdelijke goederen van een rechts­persoon die door de Bisschop wordt vertegen­woor­digd, want dan oordeelt in eerste instantie de rechtbank van beroep (canon 1419 §2). Het wetboek maakt hier niet langer onderscheid tussen diocesane (residentiële) en titulaire Bis­schop­pen, zoals in het wetboek van 1917 (canon 1557 §2). Dat de beroepsrechtbank, gewoonlijk die van het aartsbisdom, een zaak moet behandelen over­een­komstig canon 1419 §2 is nieuw (vgl. CIC 1917 canon 1572 §2).

In contentieuze zaken is het aan de Rota voorbehouden over Bis­schop­pen en bisdommen te oordelen (canon 1405 §3, nr. 1 en 3), behalve wanneer het gaat over rechten of tijdelijke goederen van een rechts­persoon die door de Bisschop wordt vertegen­woor­digd, want dan oordeelt in eerste instantie de rechtbank van beroep (canon 1419 §2). In geval van schade uit contractuele verplichtingen en het beëindigen ervan zal het burgerlijk recht moeten worden gevolgd, tenzij dat tegen het goddelijk recht is of het canoniek recht iets anders voorschrijft (canon 1290 vgl. CIC 1917 canon 1529). Als met dit gegeven rekening is gehouden, kan de zaak door een gewone kerkelijke rechtbank worden behandeld want de canonizatio legis civilis heeft alleen betrekking op de substantiële normen, niet op de rechtsgang.

Wanneer de partijen dit overeenkomen, kan een geschil dat voor een geding in aanmerking komt, aan het oordeel van een of meerdere scheidsrechters toevertrouwd worden of kan een minnelijke schikking worden overeengekomen (canones 1713-1714). Een rechter dient deze mogelijkheid vooral te onderzoeken wanneer het geschil over private goederen van partijen gaat (canon 1446 §3, vgl. §2), maar wanneer het publiek welzijn in het geding is of wanneer het gaat om andere zaken waarover de partijen niet vrij kunnen beschikken, is geen minnelijke schikking of compromis mogelijk (canon 1715). Een poging tot een dergelijke schikking met name voor wat betreft de vergoeding van de schade kan in aanmerking komen wanneer het gaat om rechtshandelingen of andere handelingen van een Bisschop die onwettig schade hebben berokkend. Met goedvinden van de partijen kan langs deze weg de schade worden hersteld. Ook in geval van benadeling door administratieve decreten van de Bisschop of andere dragers van kerkelijke be­stuurs­macht, is een dergelijk zoeken naar minnelijke oplossingen als mogelijkheid en wenselijkheid voorzien (canon 1733). Dit overleg kan plaatsvinden tussen degene die zich benadeeld acht en de auteur van het decreet, waarbij eventueel gezaghebbende personen worden betrokken (canon 1733 §1) of binnen een vastgestelde procedure voor een dienst of raad (bureau voor geschillen) die de taak heeft billijke oplossingen te zoeken en aan te reiken (canon 1733 §2). Het spreekt vanzelf dat de billijke oplossing die wordt aangereikt een voorstel bevat over de wijze waarop kan worden voldaan aan een verplichting de aan­ge­richte schade te herstellen.

4. ENKELE VOORBEELDEN

Waar iemand benadeeld is door een rechtshandeling of andere handeling, is schade ontstaan. Zoals hierboven is aangegeven, kan de schade zowel materieel als immaterieel zijn. Allerlei rechten ten aanzien waarvan men schade heeft geleden, kunnen voorwerp zijn van een procedure om herstel van schade te verkrijgen, zoals het recht van iemand op zijn goede naam of op privacy (canon 220; vgl. canon 1717 §2; canon 1390 §§ 2 en 3; canon 982). Een verplichting om schade te vergoeden die uit zwijgen van de Bisschop voortkomt (canon 57 §3), kan voorwerp zijn van een recursus, evenals de verplichting om ergernis weg te nemen en de recht­vaar­dig­heid te herstellen (canon 695 §1; vgl. canon 1347 §2; 1357 §2; 1515).
In de voorbeelden die hieronder worden genoemd, blijkt duidelijk dat de ten onrechte berokkende schade allerlei vormen kan aannemen. In deze gevallen is niet steeds een schadevergoeding vastgesteld. Daar de schade moet worden hersteld, waar die onwettig is berokkend, geven de voorbeelden echter een indicatie van omstandigheden waarin een schadevergoeding kan worden gevraagd.

Onwettige wetten

De Pauselijke raad voor de in­ter­pre­ta­tie van wetsteksten heeft in haar tijd­schrift Communicationes een decreet gepubliceerd waarin een oordeel wordt gegeven over de conformiteit van een particuliere wet met de universele wet van de Kerk. Hoewel het oordeel was dat de particuliere wetgever in zich niet incompetent was deze wet uit te vaardigen, werd deze wetgever veroordeeld tot het aanbrengen van verschillende wijzigingen in de wetstekst, omdat die onduidelijk waren en gemakkelijk aanleiding gaven tot tegenspraken met de universele wet. De Raad geeft in dit decreet aan zich te beperken tot de vraag of de wet wettig is en in overeenstemming met de universele wetten van de Kerk, zodat de schadevergoeding door de Signatuur moet worden vastgesteld.

Verwijdering van een pastoor

Het beroep tegen een decreet van wegzending van een religieus en de bevestiging daarvan door de Con­gre­ga­tie voor het gewijd leven, en het beroep tegen de verwijdering van een pastoor, zijn de thema’s die het meest onderwerp zijn van een hiërarchisch beroep. Als de Signatuur verklaart dat de verwijdering van de pastoor onwettig was en het decreet nietig, is de priester in kwestie ipso facto opnieuw pastoor met alle rechten en plichten. Hoe het herstel van de aan­ge­richte schade moet plaatsvinden is nog een andere vraag. Montini noemt enkele voorbeelden van problemen die dan kunnen ontstaan: in het meest eenvoudige geval krijgt de pastoor de gederfde vergoedingen uitbetaald, vermeerderd met de rente, ook al moet de Bisschop worden gemaand het vonnis sneller en beter uit te voeren. Moeilijker wordt het als het niet mogelijk is of door de pastoor niet gewenst om in de parochie terug te keren. In dat geval kan de pastoor nog andere vormen van herstel van de schade vragen, zoals publicatie in het bisdomblad van de uitspraak in de beroepsprocedure, uitbetaling van een symbolisch bedrag als vergoeding voor de geleden immateriële schade of een benoeming in een gelijk­waar­dige parochie als die waaruit hij onterecht is verwijderd.

Ontslag van een uni­ver­si­teitsdocent; ontslag van een werknemer

In een beroepsprocedure afkomstig uit het bisdom Rome inzake het ontslag van een uni­ver­si­teits-docent, werd dit ontslag voor onwettig en onrechtvaardig verklaard en bepaald dat de schade die aan de professor was berokkend, vergoed moest worden. De Signatuur heeft daarop bepaald dat de docent in zijn ambt aan de Pauselijke Uni­ver­si­teit moest worden hersteld, tenzij een andere billijke oplossing in onderlinge overeenstemming door de partijen werd gevonden.
In een andere ontslagzaak was een arbeids­con­tract volgens burgerlijk recht (vgl. canon 1290) aanwezig, gesloten tussen eiser en de Bisschop als vertegen­woor­diger van het bisdom. De kwestie is door de Romeinse Rota behandeld, waarbij een uitspraak werd gedaan inzake een schadevergoeding wegens plotseling ontslag en gebrek aan waakzaam toezicht door de Bisschop.

Het recht de sacramenten te ontvangen

Het recht van de gelovigen om de sacramenten te kunnen ontvangen wordt vermeld in canon 213 en nader omschreven in canon 843 §1 waar staat: “De gewijde bedienaren mogen de sacramenten niet weigeren aan hen die er redelijkerwijze om vragen, de juiste gesteltenis bezitten en door het recht niet verhinderd worden ze te ontvangen. In een beslissing die de Con­gre­ga­tie voor de goddelijke eredienst en de discipline van de sacramenten heeft genomen in een hiërarchisch beroep, wordt deze bepaling zo verstaan dat het sacrament van het vormsel niet geweigerd mag worden aan een kind dat voldoet aan de voorwaarden die het Wetboek van canoniek recht stelt, ook niet als men in het bisdom gewend is dit sacrament op een latere leeftijd te bedienen, in overeenstemming met de toepassingsbesluiten van de bis­schop­pen­con­fe­ren­tie van dat land. Het kind zou anders, in strijd met canon 843 §1, verstoken blijven van de genade van dit sacrament gedurende een aanmerkelijke periode. Hoewel in dit kader in het geheel niet over schade en schadevergoeding is gesproken, kan men hieruit concluderen dat iemand onwettig (geestelijke) schade lijdt als hij of zij die aan de voorwaarden van canon 843 §1 voldoet, door een beslissing van de Bisschop ten onrechte verhinderd wordt de sacramenten te ontvangen.

Sluiting van een kerk

Nederlandse gelovigen zijn verschillende malen in beroep gegaan tegen de sluiting van een kerk­ge­bouw. Canon 1222 §2 schrijft voor dat de diocesane Bisschop een kerk aan de eredienst mag onttrekken en voor profaan en niet onwaardig gebruik mag bestemmen wanneer er ernstige redenen zijn, hij de priesterraad erover heeft gehoord, toestemming heeft van hen die wettig rechten op de kerk laten gelden en het zielenheil er geen schade door lijdt. In slechts enkele gevallen is de uitspraak van de Signatuur terzake gepubliceerd. Betreffende de Arnhemse Sint Eusebius­kerk luidde de uitspraak van deze hoogste rechtbank dat de gelovigen van een parochie geen rechtsgrond hebben om in een hiërarchisch beroep de sluiting van hun kerk aan te vechten omdat zij naar een andere kerk kunnen gaan en zij geen quasi-absoluut recht hebben op een bepaalde kerk. De schade die zij leden door de grotere afstand die zij nu naar de kerk moesten afleggen, was hun niet onwettig berokkend. Als gelovigen van een dorp dat ver van een andere kerk verwijderd ligt, de sluiting van hun kerk aanvechten, ligt dit anders. In zo’n geval kan de Bisschop worden verplicht de schade te herstellen door de kerk te heropenen of, wanneer dat niet mogelijk is, een andere ruimte voor de eredienst ter beschikking te stellen.

Niet uitkiezen van een bepaalde kerk als parochiekerk van een nieuwe parochie

De diocesane Bisschop had besloten een nieuwe territoriale parochie te stichten en twee personele parochies één voor Polen en één voor Hongaren op te heffen. Tevens had hij besloten dat de kerk van de Hongaarse parochie de nieuwe parochiekerk van de territoriale parochie zou worden. Tegen deze beslissing is beroep ingesteld om de Poolse kerk als zodanig aangewezen te krijgen. Het beroep is niet aanvaard omdat het tot de bevoegdheid van een diocesane Bisschop hoort hier een afweging in te kunnen maken. Ook hier geldt dat niet ieder nadeel dat een groep of gemeen­schap ondervindt door een beslissing van de Bisschop, als onwettig berokkende schade kan worden aangemerkt.

Seksueel misbruik

Veel is er te doen geweest rond seksueel misbruik door priesters bedreven. In tegen­stel­ling tot de wet in onder meer de Verenigde Staten van Amerika, waar per­soon­lijke verant­woor­de­lijk­heid niet van doorslaggevend belang hoeft te zijn voor het toekennen van een schadevergoeding, is dit in het canoniek recht wel het geval. Alleen bij per­soon­lijke verant­woor­de­lijk­heid “ex dolo vel ex culpa” is er naar canoniek recht sprake van mogelijkheid tot schadevergoeding. De bisschop is dus niet aansprakelijk voor fouten die priesters maken, tenzij er sprake is van opzet of nalatigheid van de Bisschop. Daarvan kan sprake zijn wanneer hij een priester die zich aan seksueel misbruik heeft schuldig gemaakt, opnieuw in een zielzorg-situatie benoemd, zonder dat de nodige voorwaarden vervuld zijn om herhaling te voorkomen.

Financiën

In 1988 werd voor de Romeinse Rota een zaak behandelt die een conflict betrof tussen de Bisschop van Latacunga in Ecuador en zijn vicaris-generaal aangaande de beloning voor de diensten van de vicaris. De vicaris was van mening dat het bisdom hem nog een bepaald bedrag schuldig was. Vanwege de aard van de kwestie kon deze in eerste instantie door de rechtbank van het aartsbisdom Quito worden behandeld (vgl. canon 1419 §2), die een schadevergoeding toekende. In tweede instantie werd dit bedrag verhoogd. De Bisschop legde deze kwestie uiteindelijk aan de Rota voor, terwijl de promotor iustitiae een eis indiende tot nietig­ver­klaring van de reeds gedane uitspraken en restitutio in integrum vroeg. De Rota bekrachtigde de geldigheid van de voorgaande vonnissen echter en bevestigde de uitspraak van de tweede instantie.

BESLUIT

Canon 128 regelt in algemene termen de verplichting de aan­ge­richte schade te herstellen ook wanneer die ontstaat door rechtshandelingen en andere handelingen met list of met schuld door de diocesane Bisschop gesteld. De canon past in de algemene doel­stel­ling van de herziening van het kerkelijk wetboek om de subjectieve rechten van de gelovigen beter te beschermen. Het gaat daarbij niet slechts om een financiële genoegdoening, maar om iedere vorm van herstel, ook immaterieel, waarbij het canoniek recht streeft naar een herstel van de situatie zoals die was voordat de schade werd aan-gebracht. De reikwijdte en betekenis van de canon maken duidelijk dat iedere schade die ten onrechte is aangebracht, moet worden vergoed, mogelijkerwijze door genoegdoening en herstel van de oor­spron­ke­lijke situatie. Er zijn verschillende procedures mogelijk al naar gelang de wijze waarop de schade is toegebracht en de weg die met name de benadeelde wenst te gaan: een minnelijke schikking, een vordering binnen een strafproces of een contentieus geding, een eis tot schadevergoeding binnen een hiërarchisch beroep en binnen het beroep op de Signatuur. Een verdere uitbouw van de administratieve rechtspraak ligt mogelijk in het verschiet. Op deze wijzen kan een herstel van door Bisschoppelijke handelingen aan­ge­richte schade worden verkregen.

Terug