Arsacal
button
button
button
button


Eerherstel, ons antwoord op Zijn barmhartigheid

Op het Hoogfeest van het Heilig Hart

Overweging Bezinning - gepubliceerd: vrijdag, 3 juni 2016 - 3530 woorden

Op het hoog­feest van het Heilig Hart vieren en gedenken we Jezus’ barm­har­tige liefde voor ons. Op woens­dag 1 juni heb ik in ’s Hertogen­bosch de volgende lezing gehou­den voor het Apos­to­laat van Eerherstel

Eerherstel, ons ant­woord op Zijn barm­har­tig­heid

Deze lan­de­lijke dag van hulde en eer­her­stel aan het heilig Hart van Jezus vieren we tij­dens het jubileum van de barm­har­tig­heid, dat door paus Fran­cis­cus is uit­ge­roe­pen, een heilig jaar dat nauw verbon­den is met de intentie waarvoor wij zijn samen­ge­ko­men.

In deze inlei­ding zullen we daarom stilstaan bij ver­schil­lende bijbelse woor­den die de god­de­lijke barm­har­tig­heid tot uitdruk­king brengen.

Misericordia

Het Latijnse woord voor barm­har­tig­heid, Misericordia, is samen­ge­steld uit de woor­den miseria, dat ellende en een lij­den aanduidt, en cor, dat ‘hart’betekent. De heilige Au­gus­ti­nus vermeldt dat al in zijn Confessiones (3,2,2), het boek van de belij­denissen waarin hij over zijn beke­ringsweg schreef. Daar betrekt hij miseria op het lij­den om eigen lij­den, de narig­heid die we om onze eigen ellende ervaren – en dat leidt tot zelfmedelij­den - en misericordia betrekt hij op het lij­den om het lij­den van anderen. Barm­har­tig­heid is dan een vorm van medelij­den, een harte­lijke be­trok­ken­heid op het lij­den van anderen. Het wezen van Gods barm­har­tig­heid is Zijn harte­lijke be­trok­ken­heid op ons lij­den; dat lij­den van ons mensen is fun­da­men­teel ontstaan door de erfzonde, waardoor het bestaan van de mensen niet meer op het leven en het eeuwig geluk was gericht, maar op dood en ondergang. De drijfveer voor die erfzonde was het verlangen om gelijk aan God te wor­den (Gen. 3,5). De verlos­sing door Jezus is uitdruk­king van Gods harte­lijke be­trok­ken­heid op ons lij­den. Daardoor komt ook al het lij­den in een ander per­spec­tief te staan: als wij lij­den is dat niet het laatste woord, het is niet het eind­sta­tion van ons leven, maar een poort; het is als de poort die Jezus zelf is door­ge­gaan naar de ver­rij­ze­nis, de opstan­ding tot nieuw leven.

Weder­liefde

Dat wij ons laten betrekken in Zijn lij­den uit liefde voor de mens­heid, dat is de kern van eer­her­stel: wij bie­den Hem iets van ons lij­den aan en onze offers en gebe­den, als dank voor wat Hij voor ons heeft gedaan, wij bid­den en offeren met Hem mee en proberen iets te stellen tegen­over al het kwaad dat we in de wereld zien. Eerherstel is een ant­woord op Zijn god­de­lijke barm­har­tig­heid en een manier om ons die barm­har­tig­heid eigen te maken: wat heeft Hij gele­den en hoeveel liefde zit hier achter? Toen ik nog op het semi­na­rie zat, lag er vaak een dwaal op het hoofdaltaar met een geborduurde rand. Op die rand stond de tekst: “Quis non amantem redamet?”: wie zou Degene die liefheeft niet terug-beminnen? Dat zagen we als we naar het ta­ber­na­kel keken. Het is de uit­no­di­ging om Hem terug te beminnen uit dank­baar­heid en dat ook te doen door Hem ons gebed en ons lij­den aan te bie­den. “niet klagen, maar dragen en vragen om kracht”. Laten wij iets goedmaken door onze weder­liefde.

Wij moeten lij­den...

Ieder mens moet lij­den, het hoort bij dit onvol­ko­men men­se­lijk bestaan dat wij moeten lij­den. Lijden hoort bij de liefde. Als we niet zou­den lief­heb­ben, zou­den we minder of niet om allerlei situaties en mensen lij­den. Maar we hebben lief en dat geeft het leven juist zijn glans en waarde. Sommige mensen krijgen veel, heel veel te dragen. Waarom zij? Het ant­woord daarop krijgen we niet; iedere uitleg van het waarom van een diep verdriet en van een groot lij­den dat we moeten onder­gaan, zou­den we trouwens ervaren als een soort goedkope smoes. Stel je voor dat iemand aan een moeder zou willen gaan uitleggen waarom haar kind gestorven is.... We zou­den geneigd zijn kwaad te wor­den als iemand dat zou doen. Het zal ons pas in het licht van de eeuwig­heid dui­de­lijk wor­den. God, mens­ge­wor­den, heeft uit liefde willen lij­den en de apostel Paulus heeft ons gezegd dat ons lij­den in dat mysterie van liefde een plaats heeft: wij mogen aanvullen wat aan het lij­den van Christus ontbreekt (Kol. 1,24).

Wreed?

Soms zeggen mensen dat het toch wreed is dat God Zijn Zoon zo laat lij­den; dat kan geen goede God zijn. Dat zien zij ver­keerd. Het gaat er niet om dat God een ander vre­se­lijk laat lij­den voor de uitboe­ting van de zon­den, maar dat Hijzelf mens wordt om dit lij­den op zich te nemen en het van ons af te nemen. Het is God die mens wordt en zich uit liefde tot het einde toe geeft.

De mens zonder God

Als wij met Gods hulp ons lij­den kunnen aan­vaar­den in een geest van eer­her­stel, wordt dat lij­den anders. De mens zonder God wil dat lij­den koste wat kost uit de weg gaan. Hij heeft name­lijk niets anders dan dit aardse leven, daaruit moet al het leuke en waarde­volle wor­den gepuurd. Als dit leven een flop wordt, is alles mislukt. Al het negatieve, al het lij­den doet afbreuk aan die korte tijd die de mens zonder God heeft om een beetje gelukkig te kunnen zijn. Daarom is die mens zonder God geneigd over grenzen heen te gaan om het leuk en het leven aanvaard­baar te kunnen hou­den: dan moet vooral het zwakke en weer­loze dat zich niet kan verde­digen of ver­zet­ten, het ontgel­den. Maar het kruis krijgt voor wie in Christus gelooft een andere bete­ke­nis, die niet alleen maar nega­tief is en afbreuk doet.

Frans

Tot besluit van dit gedeelte zou ik een voor­beeld willen geven van iemand die mij zeer heeft geïnspireerd en die uit miseria, uit be­trok­ken­heid op eigen lij­den, over­ging naar de bele­ving van barm­har­tig­heid, waardoor zijn eigen lij­den eer­her­stel werd, een geschenk aan de Heer.

Mijn vader was tuinder en een van de personeelsle­den, die Frans heette, kwam uit een gezin van twee zussen en – ik meen – drie broers. De vader en de broers stierven allemaal, de één na de ander, rond hun 45e aan kanker, na een – men­se­lijker­wijs ge­spro­ken - vre­se­lijk ziek­bed. Frans was de laatste. De zussen en de oude moeder bleven in leven. Na­tuur­lijk was dit voor de moeder een eigen­lijk bovenmen­se­lijk lij­den. Maar zij was iedere ochtend in de Mis, ’s morgens om acht uur; dat maakte wel iets dui­de­lijk van waar zij haar kracht uit putte. Van Frans had ie­der­een gedacht dat hij nogal luch­tig leefde. Hij had niet veel scholing gehad. Frans schreef vlak voor zijn dood een brief aan zijn moeder en beide zussen met deze inhoud: “Ik weet dat mijn heen­gaan voor jullie zwaar valt, maar dit afscheid is maar kort want we hopen elkaar spoe­dig terug te zien in de hemel. In de tijd van mijn ziek-zijn hebben wij dikwijls ge­spro­ken: heb geen angst voor de dood; het was de weg die God heeft uit­ge­zet en wij mogen daar niet tegen in opstand komen. Daarom, lieve moeder en lieve zussen: bedankt voor de hulp en de steun die ik heb gehad. Dank ook alle vrien­den en kennissen voor de steun en hulp. Het was een lange en moeizame weg met veel duistere dagen en toch was er altijd een licht­punt, dat was de Heer die altijd weer troost bracht. Hij riep mij en nu ben ik op mijn bestem­ming. Er zullen voor jullie nog veel moei­lijke dagen komen. Kijk dan naar boven en luister naar de stem in de woes­tijn, want Hij is er die naar je luistert. Ik ga ein­digen, ik wens u allen veel goeds en kracht. Ik zal voor U allen bid­den. Dag lieve moeder, lieve zussen, veel kracht en tot later in de hemel. Rozen verwelken, tij­den ver­gaan, maar Gods liefde voor de mensen zal altijd blijven bestaan”. Zo is Frans gestorven.

 Eleyson!

Het Griekse woord voor barm­har­tig­heid is eleos, dat we kennen uit het Kyrie eleyson, Heer, ontferm U over ons waarin we steeds weer opnieuw de barm­har­tig­heid van God over ons afroepen met de woor­den van de moeder van de bezeten dochter (Mt. 15, 22), de vader van de bezeten zoon (Mt. 17, 15), de blin­den (Mt. 9, 27; Mc. 10, 47; Lc. 18, 38-39) of de melaatsen (Lc. 17, 13). Wanneer wij die­zelfde woor­den overnemen, erkennen we onze eigen armzalig­heid, onze gees­te­lij­ke won­den en het feit dat we al te vaak onder­deel zijn van een maat­schap­pij die van zoveel zaken bezeten is, die van God weglei­den.

De geest van Narcissus

Van wat voor geest zijn we vervuld en waar is onze maat­schap­pij vol van? Welke afgo­den vereren we? Dat is vaak niet erg ver­schil­lend van wat Narcissus bezielde. Deze goden­zoon uit de Griekse mytho­lo­gie zag er fan­tas­tisch uit en toen hij eens in het stilstaande water van een meer keek, zag hij hoe mooi hij was, hij wilde zich­zelf omarmen en verdronk. Dat is de tragiek van eigen­liefde en zelfver­heer­lij­king, die een typisch kenmerk is van onze tijd. Narcisme wordt de nei­ging genoemd van iemand die zich­zelf op een voet­stuk plaatst, die denkt recht te hebben op geluk en voorspoed en op vere­ring en aan­dacht. Een narcist is iemand die altijd meer rechten meent te hebben dan anderen, die vindt dat hij­zelf heel bij­zon­der is. In feite cirkelt het bij zo’n persoon allemaal om hem- of haar­zelf en het heeft dus alles met ego­cen­tris­me en indi­vi­dua­lis­me te maken. In feite zit daar vaak een minder­waar­dig­heids­ge­voel achter, een gevoel niet in liefde aanvaard te zijn. Niet lang gele­den is in de Verenigde Staten opnieuw een onder­zoek gedaan naar persoons­ken­merken onder stu­den­ten met vragen die ook waren gebruikt in een onder­zoek dat enkele tien­tal­len jaren gele­den was gehou­den. Narcis­tische kenmerken waren enorm toe­ge­no­men. Waar de mid­del­eeuwse mens zich vooral heeft ervaren als onder­deel van een groter geheel, van een samen­le­ving en kerk­ge­meen­schap, is de moderne mens op zich­zelf gericht. Dat is een bewe­ging die eigen­lijk al sinds de vijf­tien­de eeuw herken­baar is in het nominalisme bij­voor­beeld en die vaak de “Antropo­lo­gische wen­ding” wordt genoemd: de mens staat centraal en dat leidt in onze tijd tot een ver­ster­king van de narcis­tische kenmerken.

Experi­menten met embryo's

Narcisme is eigen­lijk een per­soon­lijk­heids­stoor­nis maar het is meer een volksziekte gewor­den. Wat groot is, is in tel, wat klein is, telt niet mee: opnieuw kan ik wijzen op wat ik zojuist al heb genoemd toen ik erover sprak wat het kan betekenen als mensen hun geluk helemaal uit het aardse leven moeten halen: het kleine en het zwakke moeten het ontgel­den. Dat wordt na­tuur­lijk nog versterkt wanneer mensen heel erg op zich­zelf en hun eigen riante plaats in het leven zijn gericht: denk aan prenatale diagnos­tiek om kin­de­ren met Down-syndroom op te sporen en te kunnen abor­te­ren, denk aan het gebrek aan eerbied voor het men­se­lijk leven dat klein is, ongeboren of heel zwak. Dezer dagen was in het nieuws dat de minister het creëren van embryo’s voor het doen van experi­menten wil goed­keu­ren. In onze maat­schap­pij mag je men­se­lijk leven creëren om er experi­menten mee te doen en het ver­vol­gens te vernie­tigen. Dit men­se­lijk leven telt niet mee, zelfs niet in sta­tis­tie­ken van slacht­of­fers, want zij mogen geen mens of men­se­lijk leven wor­den genoemd. Dat hoort bij een narcis­tische samen­le­ving waarin de stralende, mooie, grote, zich­zelf ver­heer­lij­kende mens centraal staat. In feite zijn we hier bij de kern van de erfschuld geko­men waar­van de grote verlei­ding is dat je gelijk zult wor­den aan God en zelf zult kunnen bepalen wat goed is en kwaad (Gen. 3,5).

Gods ant­woord

Het ant­woord van God hierop is geweest dat Hij zich klein maakte, zo klein als een mens maar zijn kan: wer­ke­lijk groeiend in de schoot van Zijn Moeder, van wie Hij waarach­tig de Zoon is gewor­den en volwassen gewor­den werd Hij - in de kracht van Zijn leven - ver­wor­pen, ver­oor­deeld, als een mis­da­diger aan het kruis geslagen, niet als een noodlot dat Hem zomaar overkwam, maar als een weg voor ons tot verlos­sing, als een paas­mys­te­rie ten behoeve van de mensen zodat zij bevrijd zou­den wor­den van de gevangen­schap van het eigen ik, vrij van de straf van het opgeblazen, narcis­tische ik.

Eerherstel brengen

Een be­lang­rijk deel van die verlos­sing is de erken­ning dat ons “ik” inder­daad opgeblazen is, dat wij ons inder­daad te be­lang­rijk zijn gaan vin­den, dat wij in feite zelf klein zijn en verlos­sing nodig hebben. Dat brengen we tot uiting in het uit­spre­ken of zingen van woor­den die in het evan­ge­lie in de mond wor­den geno­men door mensen die zich dui­de­lijk bewust zijn dat ze hulp­be­hoe­vend zijn: “Heer, ontferm U over ons”, “Kyrie, eleison”. En tege­lijker­tijd belij­den we met deze woor­den de groot­heid en macht van God, die Heer is en ons telkens weer nieuw leven geeft, die het geheim van de verlos­sing door Zijn Zoon steeds weer in ons vernieuwt. Iedere keer dat wij die woor­den bid­den met geloof en over­tui­ging en ons aan Gods liefde­volle ontfer­ming toe­ver­trou­wen, geven we ook eer­her­stel: het is een daad van weder­liefde, een erken­ning dat Hij dit alles ook voor ons heeft volbracht. Wie eer­her­stel brengt, stelt niet zijn eigen lij­den als misère centraal, maar voegt zich in Jezus’ lij­den in. Eerherstel brengen is dus ook een keuze voor de weg van het dienen, van het geven, van de eenvoud, van het mede­wer­ker willen zijn van de verlos­sing. “Niet ons, Heer, niet ons, maar aan U komt de eer toe”.

Chesed

In het He­breeuws is chesed het woord voor barm­har­tig­heid, een uitdruk­king die de trouw van God in Zijn barm­har­tig­heid onder­streept. God blijft trouw aan Zijn barm­har­tig­heid, Hij kent geen berouw over Zijn genadegaven noch over Zijn roe­ping (Rom. 11, 29). Chesed is een lief­heb­bende harte­lijk­heid in trouw en wordt daarom op ver­schil­lende wijzen ver­taald. Het woord wordt alleen gebruikt wanneer er een erkende band is tussen de partijen, zoals tussen God en het volk van Israël. Het drukt dus ook de trouw aan het verbond uit. God blijft trouw aan de band die Hij met ons in het doopsel is aan­ge­gaan. Je bent Zijn kind.

Rachamim

Het Griekse woord Eleos, ontfer­ming, is ook een vertaling van het He­breeuwse rachamim dat de emoties in de liefde­volle trouw onder­streept (vgl. ps. 117 en 135). Dat woord rachamim is verbon­den met het woord rechem, dat moeder­schoot betekent. Zoals de moeder­schoot een ongeboren kind in liefde beschermt, zo be­scher­men Gods liefde en barm­har­tig­heid ons: “Zal een vrouw haar zuigeling vergeten, een lief­heb­bende moeder het kind van haar schoot? En zelfs als die het zou­den vergeten, ik vergeet U nooit! Zie, in mijn handpalmen heb ik u ge­schre­ven”(Jes. 49, 15-16). Rachamim is dus in het He­breeuws een heel emo­tio­neel woord om Gods barm­har­tig­heid aan te dui­den. Zo ongeveer als Jezus uitroept als men Hem komt waar­schu­wen dat men Hem wil vermoor­den: “Hoe dikwijls heb ik uw kin­de­ren willen verzamelen, zoals een kloek haar kuikens verzamelt, maar gij hebt niet gewild”. Deze emotie komt terug bij het laatste avondmaal als Jezus over Zijn gevoelens spreekt, dat Hij bedroefd is tot stervens toe, terwijl de door Jezus beminde leer­ling – Johannes, maar hij is eigen­lijk een beeld voor iedere leer­ling die Jezus wil volgen - aan Zijn borst rust (vgl. Jo. 13, 23). Deelname aan het paas­mys­te­rie, aan het lij­den, sterven en verrijzen van Jezus betekent dat wij opnieuw geboren wor­den. “Wanneer de vrouw gaat baren is zij bedroefd omdat haar uur geko­men is; maar wanneer zij het kindje ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan de pijn, van blijd­schap dat er een mens ter wereld is geko­men” (Jo. 16, 21). De pijn en de droefenis die Jezus bij het laatste avondmaal onder woor­den brengt is dus een soort moeder­schoot-emotie: de pijn van het baren tot nieuw leven. Denk in dit ver­band ook gerust aan de emoties van de vader bij de terug­keer van de verloren zoon: zijn hart wordt door medelij­den bewogen “...deze zoon van mij was dood en is weer levend gewor­den” (Lc. 15, 24). Zo is Gods barm­har­tig­heid voor ons. We moeten nooit aan Zijn barm­har­tig­heid wanhopen. Hij zal ons nooit vergeten.

De grootste fout van Judas

Het kan zijn dat er iets in ons leven is wat ons parten speelt, een ge­trok­ken­heid bij­voor­beeld naar iets waar­van we eigen­lijk wel weten dat het niet goed is, dat het niet past bij het mooie, gave beeld van ons­zelf dat we graag willen laten zien aan anderen. Als mensen die kant van ons zou­den kennen, zou­den we ons schamen. Ook daarin moeten we niet wanhopen, niet weg­stop­pen. We willen allemaal wel graag goed over­ko­men en we voelen dan de nei­ging om de minder mooie kanten weg te moffelen of om ze voor­taan maar goed te noemen en niet meer als ver­keerd te zien. Maar het is juist een be­lang­rijke weg naar waar­lijk mens zijn dat we onze kleine kanten in waar­heid aan­vaar­den, dat we erkennen en aan­vaar­den dat we moeite hebben met bepaalde dingen of mensen, dat er minder ideale kanten aan ons zijn. Ook het aan­vaar­den en erkennen van onze kleine kanten kan een vorm van eer­her­stel zijn, omdat we daardoor aan­vaar­den dat we wer­ke­lijk geheel af­han­ke­lijk zijn van Gods barm­har­tig­heid. En die barm­har­tige liefde voor ons is er altijd. De grootste fout van Judas is niet dat hij zijn Heer verra­den heeft, maar dat hij daarna gewanhoopt heeft aan Zijn barm­har­tig­heid en zich­zelf is gaan ver­han­gen.

Misericordia is meedragen

Als de miseria, de ellende van anderen bij ons hart komt, wordt ons hart bewogen en de ellende mee-gedragen. De misericordia, de barm­har­tig­heid, merkt het leed op, oor­deelt niet, maar verwarmt en doet de ellende als het ware wegsmelten. Dat is onder mensen al zo: als iemand de ellende mee-draagt in harte­lijke ver­bon­den­heid, wordt de last lichter. De warmte van een barm­har­tig hart bewerkt een wonder. Liefde en barm­har­tig­heid, dat mee-dragen in liefde, bewerken vaak meer dan men­se­lijke beper­kingen en zelfs pijn ons kunnen aandoen. Ik vergeet nooit dat ik de oude moeder van een flink gezin met kin­de­ren en klein­kin­de­ren niet eerder zo gelukkig en opgewekt had gezien als toen zij in een verpleegtehuis terecht kwam. Het was gelukkig een ver­pleeg­huis met goede voor­zie­ningen en gees­te­lij­ke ver­zor­ging, maar wat haar vreugde gaf was het harte­lijk meeleven van haar kin­de­ren en klein­kin­de­ren in deze situatie. Dat deed haar meer goed dan haar licha­me­lijke situatie haar kwaad deed. Na­tuur­lijk is het hart van een mens maar beperkt, zodat ook dit effect beperkt zal zijn: wij kunnen niet alle ellende wegnemen, al kan de barm­har­tig­heid van mensen dus veel betekenen en ver­zachten. maar het hart van God is onein­dig barm­har­tig en die barm­har­tig­heid heeft een gezicht: Jezus Christus, die Zijn hart voor ons geopend heeft, die door Zijn lij­den ons barm­har­tig­heid betoont en die verrijst tot nieuw en eeuwig leven.

Eerherstel eisen

We zijn hier omdat we op een of andere wijze verlangen dat te doen, we willen eer­her­stel geven. Eerherstel wordt onder mensen heel be­lang­rijk gevon­den, het gaat dan vaak om iemand die zich in zijn eer voelt aangetast en vindt dat deze bele­diging, deze onte­rechte aantij­ging geheel recht gezet moet wor­den, zoals bij­voor­beeld bij professor George Maat die eer­her­stel wilde van de minister na onte­rechte verwijten over zijn MH-17 lezing, of bij Romano van der Dussen die vele jaren onte­recht in een Spaanse ge­van­ge­nis zat. Maar het eer­her­stel dat wij willen geven, gaat eigen­lijk niet zozeer van Hem uit die door het kwaad van de mensen wordt bele­digd. Het is niet omdat Hij het eist dat wij eer­her­stel geven. Het was niet zo dat Jezus heeft gezegd dat Hij in Zijn recht en eer her­steld moest wor­den, toen Hij aan het kruis hing. De reactie van Jezus op het kruis was: bid­den om ver­ge­ving voor degenen die Hem kwaad deden omdat die niet wisten wat zij deden (Lc. 23, 34). Hij verontschul­digde degenen die Hem van Zijn eer beroof­den. Hier komt het verlangen tot eer­her­stel van ons uit: niet Hij eist het, wij willen het, vanuit het verlangen om de nala­tig­he­den en bele­digingen aan Gods adres weer goed te maken, om eer­her­stel te geven voor onze eigen zon­den en tekort­ko­mingen, en die van anderen, vanuit het verlangen ons in te voegen in Zijn bete­ke­nis­vol en werk­zaam lij­den, vanuit ons verlangen om niet ons­zelf centraal te stellen maar Hem en de naaste in wie wij Hem mogen herkennen.

Mede-ver­los­sers

Eerherstel is het verlangen om de nala­tig­he­den en bele­digingen aan Gods adres weer goed te maken, onze eigen zon­den en tekort­ko­mingen, maar ook die van anderen. Door dat te doen werken we mee aan Christus’verlos­sings­werk, wor­den we mede-ver­los­sers, mogen we aanvullen wat ontbreekt aan het lij­den van Christus.

De hoogste vorm

De hoogste en meest volmaakte vorm van eer­her­stel is door Jezus Christus zelf gegeven, die ons heeft verlost door Zijn leven als zoenoffer te geven voor onze zon­den en die door Zijn ge­hoor­zaam­heid de gevolgen van de onge­hoor­zaam­heid teniet heeft gedaan en de zon­den van velen heeft gedragen (vgl. CKK 615). Hij die God en Mens was heeft uit liefde voor ons dit volmaakte offer gebracht. Die liefde, die ons door heiligen als Margaretha Maria Alacoque en zuster Faustina onder de aan­dacht is gebracht, mogen wij bij­zon­der vieren in dit heilig jaar van de barm­har­tig­heid. En als ant­woord op die barm­har­tig­heid bie­den wij Hem onze eigen kleine gave aan: eer­her­stel...

Terug