Arsacal
button
button
button
button


Armoede in de school. In Nederland? Ja, in Nederland

Bezinning op de Verus Identiteitsdag katholiek onderwijs

Artikel Onderwijs - gepubliceerd: donderdag, 8 november 2018 - 2163 woorden
met de winnaars van de identiteitsprijs
met de winnaars van de identiteitsprijs

Je zou het mis­schien niet zeggen maar armoede is een probleem in Neder­land, ook op school: één op de negen kin­de­ren leeft op of onder de armoede­grens. Die armoede is vaak verborgen, dus voor leraren is het een uit­daging om die te traceren. De Verus iden­ti­teits­dag ging hierover en op die dag heb ik de be­zin­ning gehou­den die hier­on­der wordt weerge­ge­ven.

M25

Als het erom gaat mensen bewust te maken hoe essentieel het is om te zien naar anderen, wordt vaak verwezen naar woor­den van Jezus over het laatste oor­deel, die heel in­spi­re­rend zijn. Jon­ge­ren­groepen die met caritas, inzet voor de naaste, bezig zijn, wor­den zelfs kortweg aangeduid met “M25”, een ver­wij­zing naar Matteüs 25, 31-46 waar die woor­den zijn te vin­den: de Mensen­zoon vergezeld van al zijn engelen maakt er een schei­ding onder de volkeren, zoals een herder dat doet tussen bokken en schapen. De mensen die aan de ene kant wor­den geplaatst - de bokken - hebben de hon­ge­ren­den niet te eten gegeven, de dors­tigen niet te drinken gegeven, de zieken niet bezocht, de vreem­de­lingen niet opgeno­men, de naakten niet gekleed, de ge­van­ge­nen niet bezocht, terwijl die aan de andere kant dat wél hebben gedaan. Het gaat hier om de werken van barm­har­tig­heid. De crux van dit verhaal is dat het de Heer zelf was die ze wel of niet hebben bijgestaan, omdat ze in feite aan Hem had­den gedaan, wat ze voor de minsten had­den verricht.

Nooit bij nage­dacht..,

Maar de mensen die in dit stukje evan­ge­lie voor de Heer staan reageren allemaal onwetend en met verba­zing: ze had­den er nooit bij stil gestaan dat het de Heer zelf zou zijn geweest voor wie ze wel of niet iets had­den betekend. Je doet de goede dingen gewoon omdat je goede hart je ingeeft dat het zo goed is, vaak zonder er diep over na te denken of de reikwijdte van je han­de­len te zien. Die mensen uit Matteüs 25 had­den het gewoon gedáán. Maar het is na­tuur­lijk wél zo dat de waar­den die we in ons dragen - ons mens­beeld, onze geloofs­over­tui­ging, in­spi­re­rende voor­beel­den, alles wat we hebben mee­ge­kre­gen - sterk bepalend zijn voor hoe we han­de­len. Het komt ergens vandaan bij­voor­beeld dat een men­sen­le­ven in onze cultuur meer waard is dan in vele andere culturen, dat we er bij ons pol­de­rend samen uit willen komen als er verschillen van inzicht zijn en dat iets willen betekenen voor een mede­mens nog steeds een basis­waarde is in onze maat­schap­pij.

Welke school is katho­liek?

Wanneer is een school katho­liek? Er zijn katho­lie­ke scholen in soorten en maten en ze zijn in bijna alle lan­den van de wereld wel te vin­den, maar het zijn meestal geen scholen voor katho­lie­ke leer­lin­gen. Het tweede Vati­caans concilie, de be­lang­rijk­ste kerk­ver­ga­de­ring van de vorige eeuw (1962-1965), sprak zijn waar­de­ring al uit voor katho­lie­ke scholen die voor niet-katho­lie­ke leer­lin­gen open staan (GE 9, 1). Een katho­lie­ke school is zich­zelf, zeker, maar zij sluit niemand uit. Toen het concilie in die we­reld­wijde veel­vormig­heid probeerde te om­schrij­ven wat een katho­lie­ke school nu eigen­lijk is, kwam die kerk­ver­ga­de­ring uit bij een milieu dat bezield wordt door de evan­ge­lische geest van vrij­heid en liefde, bij een sterk accent op men­se­lijke vor­ming en persoons­ont­wik­ke­ling, bezield door de bood­schap van het evan­ge­lie (GE 8), waarbij bij­zon­dere aan­dacht werd gevraagd voor kin­de­ren die ge­han­di­capt zijn, arm zijn of geen fijne gezinsach­ter­grond hebben.

Geen Yuppen-school

Een katho­lie­ke school is dus geen yuppen-school al komt het daar soms een beetje op neer in lan­den waar de bekosti­ging van de ouders moet komen, omdat het belas­ting­geld alleen naar open­ba­re scholen gaat. Datzelfde concilie heeft die eenzij­dige bekosti­ging van alleen open­ba­re scholen dan ook als onrecht­vaar­dige last gezien voor ouders die andere scholen kiezen (DH 5). 

Het gaat bij katho­liek onder­wijs om de vor­ming van mensen, het gaat om mensen en het gaat om de liefde. Het gaat erom Jezus te herkennen in wie arm zijn of in nood. En dat “Jezus herkennen” in deze mensen, betekent dat die mensen juist respect en aan­dacht waar­dig zijn.

Ouders

Een ander kenmerk van een katho­lie­ke school is dat die aan­slui­ting probeert te vin­den bij het gezin, de ouders probeert te betrekken bij het school­ge­beu­ren, omdat die tenslotte de eerstverant­woor­de­lijken voor de opvoe­ding zijn. Zij bepalen in eerste instantie wat voor opvoe­ding zij hun kin­de­ren willen geven (DH 5; GE 6). Vandaar dat vrije school­keuze en ouderbe­trok­ken­heid be­lang­rijk wor­den gevon­den. Ook dat is een ele­ment dat steeds weer terug komt in de ker­ke­lijke teksten.

Aandacht...

Die missie van een katho­lie­ke school is zeker in onze tijd niet ge­mak­ke­lijk, omdat die spe­ci­fie­ke opdracht aan­dacht vraagt voor de mens achter de leer­ling, voor de context waarin hij of zij leeft; dat is een aanpak die vraagt om rust, tijd, empathie, per­soon­lijke aan­dacht en dat bij alle bureaucratie die óók moet, bij alle targets die óók gehaald moeten wor­den, bij de eisen die passend onder­wijs stelt, bij het tekort aan leraren en de steeds grotere pro­ble­ma­tieken die er in gezinnen spelen en de groeiende diver­si­teit aan culturen en ach­ter­gron­den in de klas waar een leraar ook iets mee moet.... Hoe krijg je daar über­haupt een dialoog op gang waarin leer­lin­gen elkaar ontmoeten als persoon, met een weder­zijds verstaan en een open­heid waardoor niemand uit­ge­slo­ten wordt? Het doel is niet dat ie­der­een het met elkaar eens is, wél dat mensen elkaar zien staan, begrip voor elkaar krijgen en elkaar res­pec­teren. Maar in dat hele verhaal is het niet altijd degene die de grootste mond heeft, die ook de meeste aan­dacht behoeft. Armoede maakt eerder stil.

Er is armoede in Neder­land

Ik denk dat voor ons allen dui­de­lijk is dat er in Neder­land inder­daad armoede is. Het bewust­zijn van dit probleem is de afgelopen jaren sterk gegroeid. Eén op de negen kin­de­ren op onze scholen zijn arm, zeggen de sta­tis­tie­ken, meer dan 290. 000 kin­de­ren in Neder­land. In sommige wijken en plaatsen ligt dat percentage nog bedui­dend hoger. In een stad als Oss bij­voor­beeld zijn 2100 kin­de­ren arm. In Neder­land heeft één op de vijf gezinnen proble­ma­tische schul­den. De kin­de­ren die arm zijn komen uit gezinnen die op of onder de armoede­grens leven, vaak in schuldsane­ring zitten, door de voedsel­bank wor­den onder­steund. Zij zijn fi­nan­cieel niet in staat om met de ac­ti­vi­teiten mee te doen, kle­ding of schoeisel te kopen of gewoon een cadeautje te geven voor een ver­jaar­dag. Gelukkig zijn in vele gemeenten ini­tia­tie­ven om daar iets aan te doen en ook allerlei andere instanties zijn met gezins- en kinderarmoede bezig. En er zijn al flink wat scholen die maat­regelen hebben geno­men om kin­de­ren te helpen, soms met hulp van der­den.

Uitslui­ting

Armoede betekent uit­slui­ting: je kunt niet meedoen, je hoort er niet of veel minder bij. We weten wat voor impact dit op kin­de­ren heeft. Het gaat vaak om gewone dingen: geen vriendjes mee naar huis nemen, kleren die niet goed passen, met kapotte schoenen blijven lopen. En soms betekent het dat kin­de­ren niet naar school komen, bij­voor­beeld om pijn­lijke situaties te vermij­den. Als kin­de­ren van school weg­blij­ven - spijbelen - is er meestal meer aan de hand.
De armoede heeft na­tuur­lijk vaak te maken met andere factoren die in het gezin spelen, zoals een schei­ding, arbeids­on­ge­schikt­heid, psy­chi­sche pro­ble­ma­tiek en noem maar op. Bovendien speelt de uit­slui­ting - omdat het gezin fi­nan­cieel niet mee kan doen met anderen - ook een rol in het contact naar de ouders toe. Daardoor (en door andere factoren) is het las­tig juist deze ouders bij het school­ge­beu­ren te betrekken.

Mach­te­loos?

Ik heb niet een zak met oplos­singen bij de hand, maar het bewust­zijn van een probleem is het begin van een oplos­sing en daarom is het goed dat we rond dit thema samen zijn, ook al kunnen we niet alles oplossen.
Want er moet vaak ook nog eens zoveel en er zijn te weinig mensen om alles gedaan te krijgen wat zou moeten.... Soms kunnen we zelf iets doen, soms kunnen we een instantie waar­schu­wen, soms kunnen we een be­ge­lei­ding aanbie­den. Maar de toegang tot instanties is vaak ook een probleem en we kunnen dus niet alles. We kunnen niet alles oplossen en hebben niet op elke impliciete of expliciete hulp­vraag een passend ant­woord. Ook het gevoel van mach­te­loos te staan in bepaalde situaties, hoort erbij.

Bidden en een kaarsje

En er zijn veel mensen die bid­den. Het won­der­lijke is altijd dat in enquêtes meestal meer mensen zeggen te bid­den, dan dat er zeggen gelovig te zijn! Dat maakt ons - denk ik - dui­de­lijk hoe diffuus geloof en geloven gewor­den zijn. Mensen zijn niet gewend dat heel dui­de­lijk te benoemen. Maar als je kunt bid­den, laat dan ook die leer­ling onder­deel zijn van je gebed. Of steek eens een kaarsje op voor een leer­ling. Het is een uiting van ver­trouwen dat we uit­ein­delijk niet alleen zorgen, dat wij onze leer­lin­gen niet voor alles kunnen behoe­den en hun leven niet kunnen lei­den en het is een toe­ver­trou­wen van die leer­ling, van dat kind, die jongere aan de zorgen van een hemelse Vader; dat haar/zijn leven ten goede moge wor­den geleid.... Dat is in ieder geval ook mijn gebed voor hen.

Hoe kunnen ze gezien wor­den?

Maar om even terug te keren naar het verhaal van Jezus uit M25, Matteüs 25: hoe kan het dat de ene helft van de mens­heid - de bokken - die armen, noodlijden­den, zieken, vreem­de­lingen niet ziet staan? Ook in onze Neder­landse maat­schap­pij zijn meer dan een miljoen mensen erns­tig een­zaam. Een paar procent van de bevol­king - en dat zijn toch nog heel veel mensen - heeft zelfs minder dan eens in de maand een sociaal contact. Zij horen er niet echt bij, er is geen aan­dacht voor hen, zij wor­den niet gezien. Juist de armen wor­den niet gezien.
Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze mensen gezien wor­den? Een vorm van een ant­woord vin­den we in het evan­ge­lie-verhaal van Bartimeüs, een blinde bede­laar, die langs de weg zit (Mc. 10, 46-52). Er staan veel mensen langs die weg omdat Jezus daar langs komt. Op het moment dat Bartimeüs Jezus te hulp begint te roepen - “Jezus.... Heb medelij­den met mij” -, snauwt ie­der­een hem toe dat hij zijn mond moet hou­den. Maar dan staat Jezus stil en Hij laat hem roepen; meteen, op dat zelfde moment keert de stem­ming om: nu zeggen de mensen tot Bartimeüs; “Heb goede moed. Sta op, Hij roept U”. 

Ver­an­de­ring door aan­dacht

Wat gebeurt hier? De aan­dacht die Jezus aan die blinde geeft, het feit dat Hij hem be­lang­rijk vindt, hem uit zijn isole­ment haalt, brengt deze ver­an­de­ring teweeg. Bartimeüs staat niet meer in de marge, hij is niet meer uit­ge­slo­ten, al is hij op dat moment nog blind. Dat betekent: de aan­dacht die wij aan iemand geven in een penibele situatie, het feit dat wij iemand be­lang­rijk vin­den die het niet zo best heeft, een leer­ling van wie we aanvoelen dat die arm is of het thuis niet zo fijn heeft: die aan­dacht kan een ver­an­de­ring teweeg brengen in de wijze waarop “men” die persoon ziet. Stil staan, aan­dacht geven is be­lang­rijk. Door een bepaalde vorm van po­si­tie­ve aan­dacht kunnen we eraan bijdragen dat iemand wordt bevrijd uit het isole­ment, er meer bij mag horen.

Zie je ze staan?

Toen ik pastoor was, hoorde ik veel verhalen van oudere mensen over hun school­tijd. Aan welke leraar - toen nog vaak en broeder of zuster - dachten zij met veel liefde terug? U raadt het al!

De eerste vraag is dus: zie je ze staan, zie je ze echt staan? Als we een hart voor mensen hebben en voor de vor­ming van alle kin­de­ren in heel hun mens-zijn, zullen er wondertjes gebeuren. Het is een te­rug­ke­rend refrein: het gaat om de mens, meer nog om de persoon dan om het vak en de kennis.

Het verlangen het kind als persoon te leren kennen is de kern. Om John Latijn te leren, moet je niet alleen Latijn kennen, je moet ook John leren kennen, zei paus Johannes Paulus I in de ene maand dat hij paus was (1978). Het kind mag gezien wor­den in zijn waar­dig­heid (daar ging het in om in het evan­ge­lie van M25: Jezus in het kind herkennen).

Uitslui­tings­me­cha­nismen

Dat betekent dat er op school een klimaat mag zijn waarin ie­der­een zich welkom weet, waarin we zo goed moge­lijk proberen te vermij­den dat uit­slui­tings­me­cha­nismen in wer­king tre­den, bij­voor­beeld door kin­de­ren niet publiek geld te laten betalen, door niemand uit te sluiten van ac­ti­vi­teiten en als er een ac­ti­vi­teit is die geld kost, proberen fi­nan­cie­ring te zoeken, om maar een klein aspect te noemen. Na­tuur­lijk is niet in elke situatie het­zelfde moge­lijk, maar ik wens U - ons - allen van harte toe dat we mogen bijdragen aan een school waar ieder kind gezien wordt en ge­res­pec­teerd, waar de mens centraal staat.

Terug