Arsacal
button
button
button
button


Als het even tegenzit... terug naar de Vader

Orientatieweekend en vriendendag in Heiloo

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 31 maart 2019 - 1247 woorden
Blik op de vriendendag
Blik op de vriendendag
De tot bedienaar van de communie aangestelden
De tot bedienaar van de communie aangestelden

Op zon­dag 31 maart was ik in Heiloo voor de Eucha­ris­tie­vie­ring, het ori­ën­ta­tie­week­end van het semi­na­rie en de vrien­den­dag. Gelukkig zijn er veel mensen verbon­den met het hei­lig­dom van Onze Lieve Vrouw ter Nood.

Ori­ën­ta­tie­week­end

De dag begon met een gesprek met de twee mannen die voor het ori­ën­ta­tie­week­end waren geko­men (een derde was ziek): een gesprek over pries­ter wor­den en de weg ernaar toe. Be­lang­rijk is de onder­schei­ding van de roe­ping en na­tuur­lijk verbon­den daar­mee de vraag of een pries­ter­lijk, celi­ba­tair leven bij je kan passen; want al zal (bijna) iedere ge­roe­pene op dit punt ook strijd moeten voeren, een se­mi­na­rist moet wel het gevoel en de erva­ring krijgen dat hij - met Gods hulp - zo’n leven kan lei­den. Het gebed, een goede dagorde, trouw aan en zoeken naar vernieu­wing van de roe­ping zijn daarbij be­lang­rijk. Aan de andere kant moet iemand die ge­roe­pen is, ook niet te vreesach­tig wor­den. Ga op weg met ver­trouwen!

Aan­stel­lingen

Om 10.30 uur was de Eucha­ris­tie­vie­ring in de bede­vaart­ka­pel waar onder meer de vrien­den van het hei­lig­dom bij aanwe­zig waren. De homilie vindt U hier­on­der.

Tijdens de heilige Mis wer­den drie personen door mij aan­ge­steld als bui­ten­ge­woon be­die­naar van de heilige communie. Het zijn Ber­na­dette, Rob en Theo Masten­broek. Rob Masten­broek is als bestuurslid bij­zon­der voor on­der­houd van de gebouwen verant­woor­de­lijk en assis­teert bij de liturgie; de andere ge­zins­le­den zetten zich in voor de aanbid­ding op het hei­lig­dom en zullen ook de heilige communie aan de zieken brengen. Van harte proficiat met jullie aan­stel­ling en Gods zegen gewenst!

Vrien­den­dag

Daarna werd de vrien­den­dag in het Juliana­kloos­ter (gas­ten­huis) voort­ge­zet met een pre­sen­ta­tie van rector Jeroen de Wit, de maal­tijd en een lezing van mij over Maria, de bruiloft van Kana en Maria's woor­den: "Doe maar wat Hij u zeggen zal". De vrien­den­dag wordt gehou­den voor de mensen die zich bij­zon­der met het hei­lig­dom verbon­den voelen. Zij krijgen een nieuws­brief en steunen het hei­lig­dom. Bij de receptie van het gas­ten­huis of via de web­si­te van het hei­lig­dom kan men zich als virend opgeven.

 

Homilie

Als het tegenzit...

Als we terug denken aan de momenten van ons leven
dat we God hebben ontmoet,
als we - met andere woor­den -
denken aan die keren
dat we spon­taan en met ons hart
hebben gebe­den
en de aanwe­zig­heid van Jezus of Maria
hebben ervaren,
zal dat vaak verbon­den zijn geweest
met een nood die we hebben gevoeld:
bij het verdriet om een over­lij­den,
bij een onmacht of leegte die we ervaren,
als we niet weten wat te doen,
enzo­voorts,
dan komen het gebed
en het verlangen naar contact met God, met Maria
ge­mak­ke­lijker naar boven,
dan wanneer we ons helemaal goed voelen
en niemand nodig hebben.

Terug gaan...


Dat was ook zo bij die weggelopen jongen,
die verloren zoon
die met het geld van zijn vader
aan de zwier was gegaan.
Hij kwam tot be­zin­ning
tot een verlangen naar contact met zijn vader,
toen hij in nood en ellende zat.

Nood leert bid­den.

Want na­tuur­lijk had U al wel begrepen:
die vader in de parabel die Jezus ver­telt,
is in feite een beeld van God.
God is die barm­har­tige Vader
die al op de uitkijk staat
om die verloren zoon
weer in zijn armen op te nemen.

We hoeven ons dus nooit te schamen
om weer naar die Vader terug te gaan.
Ik heb het vaker mee­ge­maakt
met mensen die de kerk
al lang vaarwel had­den gezegd
dat die zich een beetje hypocriet zou­den voelen
om op hun sterf­bed terug te keren.
Maar deze parabel wil juist zeggen:
schaam je niet, vat moed
en doe het maar gewoon:
ga naar die Vader terug,
Hij is barm­har­tig en kijkt naar je uit.

Biechten


In feite doen we dat iedere keer
als we gaan biechten.
Voor veel mensen is dat ook een grote stap,
een stap die ze niet zo ge­mak­ke­lijk zetten.
Zoals het voor die jongste zoon
ook een hele stap moet zijn geweest
om met hangende pootjes terug te gaan
en te zeggen:
“Vader, ik heb misdaan...”.
Sommige mensen zetten die stap pas
als ze echt iets heel ergs hebben gedaan
en ze het gevoel hebben dat ze niet anders kunnen
- ook hier weer gedreven door nood -.
Maar we zijn gewoon altijd welkom
bij deze goede en barm­har­tige vader
en ook al hebben we niet direct een moord begaan,
hij is gewoon blij als wij komen
en een nieuw begin willen maken
in het sacra­ment van de biecht.

De twee zonen

De twee zonen in het evan­ge­lie
met de parabel die Jezus ver­telt,
waren heel ver­schil­lend:
de oudste was een brave jongen,
die altijd alles deed,
wat zijn vader zei.
De jongste was de opstan­dige,
die zijn eigen weg ging.
Toch hebben ze ook iets gemeen:
toen ze in goede doen waren
zagen ze hun vader allebei
als degene die hun cadeautjes moet geven,
ze willen wat krijgen.
De jongste zoon eist zijn erf­deel op
bij leven van zijn vader:
“het deel van het bezit waarop ik recht heb”.
De oudste zoon
die altijd zo zijn best had gedaan,
vindt dat hij tenminste weleens een bokje had ver­diend
om met zijn vrien­den feest te vieren.

Wat ver­wach­ten we van God?

Ook dat kunnen we mis­schien wel herkennen,
want veel mensen kijken zo naar God:
Hij is degene die hun mooie cadeaus moet geven:
ge­zond­heid, geld, geluk, een mooi gezin;
ze zijn teleur­ge­steld als het anders loopt.
Na­tuur­lijk hoop ik ook wel
dat God me bij zal staan,
maar toch is dat niet de kern waar het om gaat:
God wil dat wij levend zijn, niet dood;
Hij wil dat we gevon­den wor­den
en niet verloren zijn.
Dat wil zeggen dat Hij verlangt
met ons verbon­den te zijn
als een kind met zijn vader
en dat het geloof in ons mag leven,
waardoor wij bergen kunnen ver­zet­ten,
een kruisje kunnen dragen
en gericht zijn op de hemel.

Voorspoed

De voorspoed
doet ons niet altijd goed.

Hoe het kan gaan
als wel­vaart en voorspoed
te van­zelf­spre­kend wor­den,
zien we aan de jongste zoon:
Die jongen had zijn vader grof bele­digd.
Hij had hem behandeld alsof hij dood was:
hij had zijn erf­deel opgeëist.
Hij had bovendien met dat geld niks zinnigs gedaan;
hij had het gewoon verbrast,
hij had er op los geleefd,
gewoon maar gedaan wat hij leuk vond,
geen reke­ning gehou­den met anderen,
alleen aan zich­zelf gedacht.
Hij had gevon­den dat hij geen plichten had,
maar alleen maar rechten:
recht op dat geld,
recht op zijn eigen leven,
recht op vrij­heid,
recht om zelf te doen wat hij wilde,
recht om op eigen benen te staan.

De genade van de tegen­val­lers


Dan is het eigen­lijk een genade
als het even tegen zit
en hij daardoor tot be­zin­ning komt.
Zo was het in het leven
van die jongste zoon
en zo is het bij ons soms ook.
Zo gaan we na een moei­lijke tijd
alles veel meer waar­de­ren.

Die jongste zoon kwam op andere gedachten
toen hij gigan­tisch in de problemen zat:
hij had niks meer;
hij had geen eten;
en het enige baantje dat hij vin­den kon
was varkens hoe­den
- voor een Jood een grote schande,
want varkens zijn voor hen onreine dieren;
zij mochten geen varkensvlees eten -.
Pas dan, als hij zo'n honger heeft
dat hij de schillen van de varkens
wel zou willen eten,
als hij echt helemaal geen toe­komst meer ziet,
helemaal niet meer weet waar hij het zoeken moet,
ja, dan gaat hij pas terug naar zijn vader.
Die staat al op de uitkijk.

Dus laat niemand zich ervoor schamen
naar de Vader te gaan:
Hij staat al klaar
om ons in de armen te sluiten.

Terug