Arsacal
button
button
button


Sacramenteel merkteken en zending

De leer van “Lumen Gentium” en de toepassing ervan in het kerkelijk wetboek

artikel_vaticanumii - gepubliceerd: vrijdag, 9 december 2011

In de Apos­to­lische Con­sti­tu­tie Sacrae disciplinae leges, waar­mee de Codex Iuris Canonici is af­ge­kon­digd, heeft paus Johannes Paulus II dit wet­boek geroemd als de aanvulling op de leer van het tweede Vati­caans concilie, met name op de dog­ma­tische Con­sti­tu­tie Lumen gentium en de pas­to­rale Con­sti­tu­tie Gaudium et spes en hij heeft het wet­boek geprezen als een grote in­span­ning om de leer van het concilie, met name de ecclesio­lo­gie, in canoniek­rechte­lijke taal uit te drukken.1 Ook in de toe­spraak die deze paus hield bij de pre­sen­ta­tie van het nieuwe wet­boek op 3 fe­bru­ari 1983 be­klem­toonde hij het belang van het wet­boek als aanvulling op en vertaling van het Concilie: “Naast het boek dat de han­de­lin­gen van het Concilie bevat, is er nu het nieuwe canoniek wet­boek en dit schijnt mij inder­daad een terechte en bete­ke­nis­volle koppeling”.2 Of, in de woor­den van de Vlaamse canonist mgr. dr. W. Onclin, die als toe­ge­voegd secretaris van de Pau­se­lijke Com­mis­sie voor de her­zie­ning van het ker­ke­lijk wet­boek een bij­zon­der be­lang­rijke rol speelde in de totstandko­ming ervan: “De eerste en meest be­lang­rijke kentrek is ontegenspreke­lijk de overeenstem­ming van de Codex met de theo­lo­gische doctrine over de Kerk zoals die door Vaticanum II wordt bepaald”.3 De Codex Iuris canonici is zelfs “het laatste concilie­do­cu­ment” genoemd.4 Wordt met deze woor­den van degenen die zeer nauw bij de totstandko­ming betrokken waren, het con­ci­liaire karakter van het wet­boek overdreven? Wat maakt dit wet­boek dan tot een zo con­ci­liair do­cu­ment?

Het con­ci­liaire karakter van de Codex

Paus Johannes Paulus II heeft in dit verband met name op de volgende ele­menten gewezen: de leer over de kerk als volk van God en over het hië­rar­chisch gezag als dienst, de leer over de kerk als communio en de daaruit voort­vloei­ende betrek­kingen tussen de par­ti­cu­liere en de universele kerk, tussen collegiali­teit en primaat; de leer over de deelname van alle leden van het volk van God aan de drie­vou­dige taak van Christus (drie munera: de pries­ter­lijke, profe­tische en koninklijke taak) en de ver­plich­tingen en rechten van alle christen­ge­lo­vigen evenals de zorg voor de oecumene.5 In de toe­spraak bij de plechtige pre­sen­ta­tie van het wet­boek wees de paus voorts op de fun­da­men­tele gelijk­heid van alle gelo­vi­gen door de weder­ge­boor­te in Christus en de verschei­den­heid of onge­lijk­heid door de ver­schil­lende gaven en ambten, op een begrip van de pas­to­rale ac­ti­vi­teit waarin de leken-gelo­vi­gen een groter aan­deel hebben en op een verstaan van de kerk als missio­nair van nature (Ad Gentes 2).6 De paus nodigde daarbij met name uit tot een vergelij­king van het derde hoofdstuk van Lumen Gentium over de hië­rar­chische inrich­ting van de kerk en in het bij­zon­der over het Episcopaat met het tweede boek van de Codex Iuris Canonici dat dezelfde titel draagt.7

Zonder meer zou­den vele gedeelten van concilie­do­cu­menten hier kunnen wor­den besproken die het huidige canoniek recht diep­gaand beïnvloed hebben: in het ker­ke­lijk huwe­lijks­recht in het vierde boek van de Codex (cc. 1055-1165) vin­den de antropo­lo­gie en de visie op het huwe­lijk van de pas­to­rale con­sti­tu­tie Gaudium et Spes een uit­wer­king; struc­tu­ren die in de decreten Presbyterorum Ordinis en Christus Dominus in het leven zijn geroepen als concrete uit­wer­king van de kerk als communio - zoals de Pries­ter­raad, Dio­ce­sane Pas­to­rale Raad, pen­synode en pen­con­fe­ren­tie - hebben een plaats en een wette­lijke regeling gekregen in het tweede boek van de codex; de ver­hou­ding van kerk en staat die wordt aangestipt in de eerste canones van het derde boek van de Codex (cc. 747-748), is sterk ge­wij­zigd door de inzichten van de ver­kla­ring Dignitatis Humanae en Gaudium et Spes; de plichten en rechten van alle gelo­vi­gen en van de leken­ge­lo­vigen (cc. 208-232) zijn ge­for­mu­leerd op basis van met name het vierde hoofdstuk van Lumen Gentium (m.n. LG 33-38) en het decreet Apostolicam Actuositatem;8 het vereni­gings­recht is ge­wij­zigd eveneens op grond van het decreet Apostolicam Actuositatem. Onder katho­liek onder­wijs en een katho­lie­ke school wordt in het huidige wet­boek iets (heel) anders verstaan dan in de codex van 1917 het geval was, opnieuw onder invloed van ver­schil­lende concilie­do­cu­menten.9 Op al deze punten meer inhou­de­lijk ingaan, gaat echter het kader van dit artikel te buiten, reden waarom hier slechts het vermoe­de­lijk meest fun­da­men­tele aspect van het derde hoofdstuk van Lumen Gentium wordt behandeld, name­lijk de samenhang van het sacra­ment (doopsel, vormsel, wij­ding) dat wordt ontvangen en de zen­ding of benoe­ming die wordt toe­ver­trouwd. In die context komen de meeste thema’s die paus bij de pre­sen­ta­tie van de Codex noemde, aan de orde.

De leer van het concilie over de ver­hou­ding van sacra­ment en zen­ding

Het meest be­lang­rijke ele­ment van het onderricht van het tweede Vati­caans concilie is waar­schijn­lijk wel de leer dat door de sacra­menten van staat een deelname wordt verleend aan de zen­ding van Christus, die in de dog­ma­tische con­sti­tu­tie Lumen Gentium wordt omschreven aan de hand van de drie munera, een Latijns woord dat zowel met gaven als met taken kan wor­den vertaald. Een eigen en bij­zon­dere deelname aan de drie munera wordt volgens de con­sti­tu­tie verkregen door het ontvangen van de ver­schil­lende sacra­menten die een merkteken verlenen. Zo hebben al wie door doopsel en vormsel herboren zijn uit water en heilige Geest (LG 9-13), de bis­schop­pen (m.n. LG 21; vgl. LG 25-27), de priesters (LG 28), de diakens (LG 29) en de leken (LG 34-36) op een bepaalde manier deel aan de drie munera, over­een­komstig de sacra­menten die zij hebben ontvangen. Uit­druk­ke­lijk wordt bij­voor­beeld over de leken vast­ge­steld dat zij door het doopsel en vormsel door de Heer zelf wor­den af­ge­vaar­digd voor het apos­to­laat en dat zij daar­mee deel hebben aan de heilszen­ding van de kerk (LG 33).

Het concilie heeft tevens op tame­lijk plechtige wijze vast­ge­steld dat door de bis­schops­wij­ding de vol­heid van het wij­dings­sa­cra­ment wordt meege­deeld (“Docet ... Sancta Synodus episcopali consecratione plenitudinem conferri sacra­menti Ordinis...”, LG 21,2) en het heeft de sacra­mentali­teit van de diaken­wij­ding bevestigd (LG 29). In de Nota Explicativa Praevia (voor­af­gaande verklarende nota) die bij Lumen Gentium is gevoegd, wordt gesproken van een onto­lo­gische deelname aan de sacra munera die door de bis­schops­wij­ding wordt verleend.10 De tekst van de con­sti­tu­tie zelf stelt dat de bis­schops­wij­ding, waardoor de vol­heid van het wij­dings­sa­cra­ment wordt meege­deeld, met de heili­gingstaak ook de ver­kon­di­gings- en be­stuurs­taak verleent, welke verle­ning wordt ge­ka­rak­te­ri­seerd als een gees­te­lij­ke gave (donum spirituale), als genade van de heilige Geest (gratiam Spiritus Sancti) en als een heilig merkteken (sacrum characterem) waardoor de bis­schop de rol van Christus als Leraar, Herder en Hoge­pries­ter vervult en in Zijn persoon handelt (LG 21). Het is dus langs sacra­men­tele weg dat deze gaven/taken wor­den verleend en dat geldt niet alleen voor de taak om sacra­menten te bedienen - waarvoor de ‘wij­dings­macht’ (potestas ordinis) onontbeer­lijk is -, maar ook voor de ver­kon­di­gings- en be­stuurs­taak. Bij de beschrijving van de taak van de  priesters wordt eveneens vermeld dat zij krachtens de wij­ding (“vi sacra­menti Ordinis”) aan de ver­kon­di­gingstaak en de herder­lijke taak van Christus hebben deel gekregen (LG 28). In LG 29 wordt over de diakens opnieuw vermeld dat zij hun taken uitoefenen gesterkt door de sacra­men­tele genade (“gratia... sacra­mentali roborati”), waarbij de liturgie, de ver­kon­di­ging en - op de plaats van de herder­lijke taak - de caritas wor­den genoemd. De leken hebben door hun doopsel en vormsel eveneens deel aan de drie munera, waarbij wat betreft de ver­kon­di­gingstaak de klemtoon ligt op evangeli­sa­tie in de gewone omstandig­he­den van de wereld (LG 35, 2; vgl. 31,2). De deelname aan de drie taken van Christus door de leken is wezen­lijk anders dan die door het wij­dings­sa­cra­ment wordt verleend: het priester­schap als dienst­werk (sacerdotium ministeriale) verschilt van het algemeen priester­schap doordat het wij­dings­sa­cra­ment de gewijde macht (sacra potestas, vgl. LG 18) mee­deelt ten dienste van de gelo­vi­gen, zo vat de Cate­chis­mus van de Katho­lie­ke Kerk de leer van het concilie samen; door het wij­dings­sa­cra­ment oefenen de bis­schop­pen en priesters de taak van Christus, herder en hoofd uit (vgl. LG 28).11 Hiermee wordt dus de sacra­men­tele oorsprong van de drie taken van Christus onder­streept.

Opvallend is nog dat de dog­ma­tische con­sti­tu­tie Lumen Gentium 10 over alle gelo­vi­gen en in nummer 21 over de bis­schop­pen in dit verband het woord consecratio gebruikt, waardoor zowel de sacra­menten van doopsel en vormsel als het wij­dings­sa­cra­ment wor­den ge­ken­merkt als een toe­wij­ding van de mens aan God.

 

Wellicht dat dit alles voor de huidige lezer volstrekt vanzelf­spre­kend lijkt, maar dat was het tot het tweede Vati­caans concilie niet. De meest bekende Neder­landse pre-con­ci­liaire theoloog van de twintigste eeuw, mgr. dr. G. van Noort, wiens hand­boeken in heel Europa wer­den gebruikt, omschreef bij­voor­beeld het priester­schap als de heilige wij­ding waardoor de macht werd meege­deeld om de heilige han­de­lin­gen te verrichten - vooral om het lichaam van Christus te consacreren en te offeren en de zon­den te ver­ge­ven - én de genade om deze taken goed te vervullen.12 De taken die buiten de “potestas ordinis” lagen, wer­den beschouwd als voort­ko­mend uit de jurisdictie-macht, die als “andere bron van bevoegd­he­den” tegen­over de wij­dings­macht werd geplaatst. Zo stelde de Gentse canonist mgr. F. Claeys Bouuaert dat de wij­dings­macht betrek­king heeft op de bevoegd­heid sacra­menten en sacra­mentaliën te bedienen en bepaalde li­tur­gische functies te verrichten die door Christus aan een graad van het wij­dings­sa­cra­ment verbon­den zijn, en dat de jurisdictie­macht alles omvat wat met ker­ke­lijke lei­ding en bestuur te maken heeft. “Het is door deze macht dat de wetten wor­den gemaakt, oor­de­len wor­den gegeven, straffen wor­den opgelegd, gunsten wor­den verleend, de leer wordt onderwezen, het bestuur wordt uitgevoerd”.13 De bron van deze jurisdictie­macht werd uitsluitend bij de be­stuurs­macht van de ker­ke­lijke over­heid en met name bij het Petri­nisch ambt gelegd.

Het tweede Vati­caans concilie heeft de band van de sacra­menten, in het bij­zon­der de heilige wij­dingen, met de ver­kon­di­ging en met het uitoefenen van herder­lijke en bestuur­lijke taken gelegd op een wijze die voordien in de Latijnse kerk zeker geen gemeengoed was.

 

Deze concilie-uit­spra­ken zijn overigens ook van grote oecu­me­nische bete­ke­nis, omdat zij ener­zijds de bete­ke­nis van het paus­schap en van de hië­rar­chische ge­meen­schap met het hoofd en de leden van het bis­schop­pen­col­lege volledig res­pec­teren, ander­zijds echter de sacra­men­tele basis van het gewijde ambt en van alle andere taken en zen­dingen binnen de kerk in het licht stellen, waardoor een verle­ning van bevoegd­he­den door de paus, die het ju­ris­dic­tie­pri­maat bekleedt, in het juiste per­spec­tief wordt geplaatst. Jurisdictie­ver­le­ning staat niet los van een sacra­men­tele wer­ke­lijk­heid die daaraan bij de ontvanger ten grond­slag ligt. Bis­schop­pen wor­den in de Latijnse kerk benoemd door de paus en zij ontvangen van hem hun specifieke zen­ding, terwijl in Oosterse kerken die in volledige ge­meen­schap zijn met de Apos­to­lische Stoel op andere wijzen wordt veilig gesteld dat een bis­schopsbenoe­ming binnen de communio met de paus geschiedt (vgl. LG 24,2). De bis­schop­pen vervullen hun bis­schop­pe­lijke taken echter vanuit de gees­te­lij­ke gaven die zij in de bis­schops­wij­ding hebben ontvangen. Deze uit­druk­ke­lijke erken­ning van het sacra­men­tele fun­dament is van groot belang tegen­over de oosterse kerken die (nog) niet in volledige ge­meen­schap zijn met de op­vol­ger van Petrus en waar toch wer­ke­lijke be­stuurs­macht wordt uitgeoefend (vgl. UR 16).

 

Dit betekent niet nood­za­ke­lijk dat de ver­kon­di­gings- en be­stuurs­taak alleen kunnen wor­den vervuld door wie de heilige wij­dingen hebben ontvangen, wél houdt het in dat in de wij­ding van Godswege een gees­te­lij­ke gave en merkteken wor­den verleend die maken dat de gewijde be­die­naar deze taken vervult in de persoon van Christus, gesterkt door de genade van de heilige Geest die hem tot deze taken heeft toegerust. Na­tuur­lijk betekent dit wel dat zeer goed moet wor­den afgewogen of de taak die iemand binnen de kerk zou moeten gaan vervullen, past bij de sacra­menten die hij heeft ontvangen.

Ook betekent dit alles niet dat het ontvangen van de sacra­menten alleen voldoende is om specifieke taken binnen de kerk te kunnen vervullen. Lumen Gentium 21,2 en de Nota Explicativa Praevia wijzen erop dat de drie munera waaraan door de bis­schops­wij­ding deel is gekregen, krachtens hun aard alleen in hië­rar­chische ge­meen­schap met het hoofd en de leden van het bis­schop­pen­col­lege kunnen wor­den uitgeoefend. De Nota geeft aan dat de concilie-tekst met opzet het woord “munus” (taak/gave) gebruikt en niet “potestas” (macht), omdat bij de in het sacra­ment ontvangen gave een canonieke, juri­dische bepaling moet komen om deze “munus” ‘gebruiksklaar’ (“ad actum expedita”) te maken (NEP 2º). De munus wordt tot potestas wanneer die bepaling erbij komt. Deze visie brengt met zich mee dat de juri­dische bepaling in beginsel een relatie heeft tot de munera, de gees­te­lij­ke gaven die in de sacra­menten zijn ontvangen. Die relatie kan variëren van een verlof om een bevoegd­heid uit te oefenen die in de wij­ding feite­lijk al is ontvangen (bij­voor­beeld: biechthoren) tot de verle­ning van een bevoegd­heid, die weliswaar niet on­mid­del­lijk aansluit bij de sacra­men­tele staat van deze gelo­vi­ge, maar door die staat ook niet is uitgesloten (bij­voor­beeld: de benoe­ming - indien nodig - van een leek als rechter in de ker­ke­lijke recht­bank of een opdracht aan leken om bepaalde taken te vervullen bij gebrek aan voldoende priesters).

De toepas­sing van de con­ci­liaire leer in het ker­ke­lijk wet­boek

De visie van het tweede Vati­caans concilie heeft grote invloed gehad op het Wetboek van canoniek recht. Op tal van punten is de sacra­men­tele basis onder­streept van de taken die moeten wor­den vervuld. We noemen de be­lang­rijk­ste voor­beel­den.

 

De codex van 1983 stelt dat degenen die de heilige wij­ding (“ordo sacer”) hebben ontvangen bekwaam zijn ker­ke­lijke be­stuurs­macht, ook jurisdictie-macht genoemd, te ontvangen (c. 129 §1). De uitdruk­king ‘heilige wij­ding” heeft alleen betrek­king op de wij­dingen die tot het wij­dings­sa­cra­ment (sacra­mentum ordinis) behoren. De canon zelf is onder de algemene normen geplaatst. Het wet­boek van 1917 gaf in de parallelle canon 196 daarentegen geen nadere aandui­ding over de dragers van de ker­ke­lijke be­stuurs­macht, maar de bepaling was geplaatst in het gedeelte over de clerici waaronder toenter­tijd allen wer­den verstaan die de tonsuur had­den ontvangen. De tonsuur was (en is) een sacra­mentale, van ker­ke­lijke instelling dus, waardoor een juri­dische staat werd verleend. Het clericaat is dus niet langer verbon­den aan een ker­ke­lijk-ju­ris­dic­tio­nele maar aan een sacra­men­tele han­de­ling.

Het gaat in de wijzi­ging van deze bepaling dus om een fun­da­men­tele band die wordt gelegd tussen het wij­dings­sa­cra­ment en het uitoefenen van ker­ke­lijke be­stuurs­macht, maar die sluit een uit­oefe­ning van be­stuurs­macht door leken in bepaalde gevallen niet uit, zoals blijkt uit de plaat­sing van deze canon onder de algemene normen en de moge­lijk­he­den die aan leken wor­den gebo­den om in bepaalde gevallen aan de uit­oefe­ning van die be­stuurs­macht deel te nemen (c. 129 §2; vgl. c. 1421 §2) . 

 

Een opvallende wijzi­ging betreft de keuze van de paus en de voor­waar­den om het paus­schap te verwerven. Het wet­boek van 1983 stelt dat de paus de volledige en hoogste macht in de kerk verwerft door het aan­vaar­den van zijn verkie­zing én de bis­schops­wij­ding (c. 332 §1). De codex van 1917 geeft aan dat de nieuwe paus deze macht on­mid­del­lijk na het aan­vaar­den van zijn verkie­zing verwerft en dat nog wel krachtens god­de­lijk recht (CIC ‘17, c. 219). Het verschil is dui­de­lijk: het vorige wet­boek vermeldt de bis­schops­wij­ding in dit verband niet, hoewel de voor­af­gaande canon de macht van de paus “vere episcopalis” noemt (CIC ‘ 17, c. 218 §2); canon 332 §1 van de huidige codex maakt dui­de­lijk dat het bij de verkie­zing van de paus gaat om de keuze van de herder van de universele kerk, op­vol­ger van de apostel Petrus en bis­schop van de kerk van Rome en dat diens ambt behoort te wor­den uitgeoefend vanuit de genade en de ge­lijk­vor­mig­heid aan Christus die in de bis­schops­wij­ding zijn ontvangen. Deze zelfde canon bepaalt dan ook dat wanneer iemand wordt gekozen die nog geen bis­schop is, deze on­mid­del­lijk tot bis­schop moet wor­den gewijd (“statim ordinetur Episcopus”). In vroeger eeuwen kon men zich voor­stel­len dat de nieuwe paus de tijd nam om zijn bis­schops­wij­ding rustig voor te berei­den, maar wel al provisorisch het bestuur van de kerk op zich nam.14 De huidige canonieke bepalingen be­klem­tonen de sacra­men­tele basis voor het uit te oefenen ambt in navol­ging van het tweede Vati­caans concilie.

Een derge­lijke ont­wik­ke­ling heeft zich voorgedaan bij de bepaling van wie deel­ne­mers zijn aan een oecu­me­nisch concilie, waar het leer­ge­zag en de be­stuurs­macht van het bis­schop­pen­col­lege wor­den uitgeoefend ook al wor­den de besluiten bekrachtigd en af­ge­kon­digd door de paus. Het wet­boek van 1917 bepaalt dat kar­di­na­len die geen bis­schop zijn en dio­ce­sane bis­schop­pen die nog niet gewijd zijn, ter­ri­to­ri­ale abten en prelaten en ge­woon­lijk ook de abt primaat, de hogere abten van monas­tieke con­gre­ga­ties en hogere oversten van exempte clericale reli­gi­euze instituten met stem­recht wor­den uit­ge­no­digd voor het concilie, terwijl titulaire bis­schop­pen niet nood­za­ke­lijk wor­den geconvoceerd (CIC ‘ 17, c. 223). Dit betekent dat onder de vigeur van dat wet­boek vele niet-bis­schop­pen aan het concilie kon­den deelnemen vermoe­de­lijk vanwege hun bestuursverant­woor­de­lijk­heid, terwijl sommige bis­schop­pen niet behoefde te wor­den genodigd. De huidige codex bepaalt een­vou­dig dat het recht en de plicht om aan het oecu­me­nisch concilie deel te nemen toe­komt aan alle bis­schop­pen en uitsluitend aan hen (“omnibus et solis Episcopis”, c. 339 §1).

Uit deze bepalingen over de deel­ne­mers aan het concilie wordt tevens dui­de­lijk dat de codex van 1917 voorziet dat niet alle kar­di­na­len de bis­schops­wij­ding hebben ontvangen. Canon 232 van dat wet­boek bepaalt dat kar­di­na­len tenminste priester moeten zijn. Deze bepaling is reeds in 1962 door paus Johannes XXIII ge­wij­zigd, zodat kar­di­na­len heden ten dage de bis­schops­wij­ding moeten ontvangen (c. 351 §1).15 De paus blijkt echter bereid om degenen die bij hun kar­di­naalscreatie ouder dan tachtig jaar zijn, te dispenseren van deze ver­plich­ting. De kar­di­na­len die geen bis­schop zijn hebben vanwege hun leef­tijd geen recht om aan de paus­keuze deel te nemen en missen het recht om aan een oecu­me­nisch concilie deel te nemen. Ook hier lijkt de teneur dat het gepast is dat kar­di­na­len hun verant­woor­de­lijk­he­den vervullen uit kracht van de ontvangen bis­schops­wij­ding. In ieder geval wordt het kardinalaat meer met de sacra­men­tele bis­schops­wij­ding verbon­den.

Eenzelfde invalshoek heeft geleid tot een wijzi­ging in de voor­schriften over de installatie van een dio­ce­sane bis­schop, die volgens het huidig recht niet mag gebeuren voordat hij de bis­schops­wij­ding heeft ontvangen (tenzij installatie en wij­ding in dezelfde plechtig­heid plaats­vin­den), terwijl het wet­boek van 1917 slechts bepaalt dat de wij­ding binnen drie maan­den en de inbezitne­ming binnen vier maan­den na ontvangst van de benoe­mings­brief moet plaats­vin­den zonder een volgorde vast te stellen (CIC ‘ 17, c. 333).16 De nieuw-benoemde herder mag heden ten dage de lei­ding van het diocees dus pas op zich nemen, nadat hij tot bis­schop is gewijd. In datzelfde licht is te verstaan dat degene die aan het hoofd staat van een par­ti­cu­liere kerk, zoals een bisdom, in meer gevallen dan vroeger bis­schop moet zijn (vgl. c. 369: “Episcopo... concreditur”). Ter­ri­to­ri­ale abdijen en prelaturen, apos­to­lische vicariaten en prefecturen, alsmede bestendig opgerichte apos­to­lische admi­ni­stra­ties zijn aan een par­ti­cu­liere kerk gelijk­ge­steld (c. 368). Het oude wet­boek kende een eigen regeling voor apos­to­lisch vicarissen en prefecten die vaak geen bis­schop­pen waren (CIC ‘17, cc. 293-311, m.n.. c. 294 §2), onder het huidige wet­boek wor­den tenminste degenen die aan het hoofd staan van een apos­to­lisch vicariaat of een ter­ri­to­ri­ale prelatuur tot bis­schop gewijd.

Ook waar het taken betreft die ge­woon­lijk door priesters wor­den uitgeoefend, wordt onder­streept dat die taken op basis van het ontvangen wij­dings­sa­cra­ment wor­den verricht. Zo wordt met meer nadruk dan in de oude codex gesteld dat alleen priesters tot kanun­nik kunnen wor­den benoemd (vgl. c. 509 §2 met CIC ‘17, c. 404 §1); een “morele persoon” (rechts­persoon) kan volgens canon 520 §1 niet langer pastoor zijn (CIC’17, c. 451 §1; vgl. CIC ‘83, c. 515 §1); volgens canon 764 heeft iedere priester of diaken heden ten dage in beginsel het recht om te preken met tenminste ver­on­der­steld verlof van de be­stuur­der van de kerk, terwijl dat in het wet­boek van 1917 van een bij­zon­der verlof van een over­heid afhing (vgl. bijv. CIC ‘ 17, cc. 1328 en 1341§1); de bevoegd­heid om biecht te horen wordt in de huidige codex niet meer aangeduid met het begrip potestas iurisdictionis (CIC ‘ 17, cc. 872 , vgl. cc. 209, 782 §2 en 1096 §1), maar met het begrip facultas (CIC ‘ 83, c. 966 , vgl. cc. 144 §2, 882, 883, en 1111 §1) - zoals dat al gold voor de bevoegd­heid om het vormsel toe te dienen -, waar­mee de bij­zon­dere aard wordt geaccentueerd van deze bevoegd­he­den, die de uit­oefe­ning van de sacra­men­tele wij­dings­macht betreffen.

Na­tuur­lijk mag hier niet onvermeld blijven dat ver­schil­lende bepalingen van het ker­ke­lijk wet­boek en andere post­con­ci­liaire do­cu­menten meer ruimte geven aan de plaats en de taak van de diaken, nadat de sacra­mentali­teit van diens wij­ding door het concilie bevestigd is (LG 29): de celibaatsver­plich­ting wordt bij de diaken­wij­ding aanvaard (vgl. CIC ‘ 83, c. 277 §1) en niet meer bij het subdiaconaat zoals vroeger het geval was (vgl. CIC ‘17, c. 132 §1); clericus wordt iemand nu bij de diaken­wij­ding (CIC ‘ 83, c. 266 §1) en niet meer bij de tonsuur (CIC ‘ 17, c. 108 §1), dispen­sa­tie in de celibaatsver­plich­ting kan alleen in stervens­ge­vaar door de bis­schop wor­den verleend en niet in andere dringende gevallen, zoals de oude codex toestond (vgl. CIC ‘83, cc. 291, 1079 §1 en 1087 met CIC ‘ 17, cc. 213, 214, 1043-1044, 1072) en de diaken heeft na het concilie vele bevoegd­he­den als gewoon be­die­naar toegekend gekregen, zoals de reeds genoemde predi­king (vgl. CIC ‘17, c. 1342), de assis­tentie bij de huwe­lijks­slui­ting (vgl. CIC ‘ 83, c. 1108 §1 met CIC ‘ 17, c. 1094), het uitreiken van de heilige communie (vgl. CIC ‘ 83, c. 910 §1 met CIC ‘17, c. 845) en het geven van de zegen met het heilig Sacra­ment (vgl. CIC ‘ 83, c. 943 met CIC ‘ 17, c. 1274 §2). Hij kan mee­werken in de pas­to­rale zorg, over­een­komstig canon 519. Bij gebrek aan priesters kan de diaken wor­den belast met een deelname in de uit­oefe­ning van de pas­to­rale zorg onder lei­ding van een priester, volgens c. 517 §2. Dit houdt in dat hij dan deelt in de lei­ding van de pa­ro­chie. Deze moge­lijk­he­den beston­den niet in het wet­boek van 1917.

Dat alle christen­ge­lo­vigen - en dus ook de leken - door de sacra­menten van doopsel en vormsel deel hebben aan de zen­ding van Christus en de kerk, komt eveneens op vele plaatsen in het huidige wet­boek tot uiting. De eerste canon van het tweede boek (c. 204 §1) geeft al meteen aan dat het doopsel deel geeft aan de drie munera Christi en dat de gelo­vi­gen daardoor deel krijgen aan de zen­ding van de kerk, “ieder volgens zijn eigen plaats”. De plichten en rechten van alle christen­ge­lo­vigen (cc. 208-223) en van de christen­ge­lo­vigen-leken (cc. 224-231) werken dit nader uit. Zo hebben alle gelo­vi­gen de plicht en het recht mee te werken aan de ver­kon­di­ging van het evan­ge­lie (cc. 211 en 225 §1). Het ker­ke­lijk wet­boek erkent het recht van alle gelo­vi­gen om daartoe vrije­lijk vereni­gingen te stichten en te lei­den (o.m. AA 18-21; c. 215, vgl. c. 299 §1). Gelo­vi­gen zijn rechtens bekwaam om door de gewijde herders voor ker­ke­lijke ambten en taken te wor­den aan­ge­no­men, indien zij geschikt bevon­den zijn en het gaat om een ambt dat zij volgens de voor­schriften van het recht kunnen vervullen (c. 228 §1). Zo kunnen zij docenten zijn in seminaries (c. 253 §1) en katho­lie­ke en ker­ke­lijke aca­de­mische instituten (cc. 812 en 818), rechter zijn ( zo nodig) in de ker­ke­lijke recht­bank (c. 1421 §2), aan­ge­steld wor­den als auditor (c. 1428 §2), promotor justititae of defensor vinculi (c. 1435), als kanselier en notarius (c. 483 §2), als econoom en lid van de raad voor eco­no­mische aan­ge­le­gen­he­den (cc. 492 §1 en 494 §1, vgl. CIC ‘17, 1520 §1). In uitzon­der­lijke omstandig­he­den kunnen leken deel hebben aan de pas­to­rale lei­ding van een pa­ro­chie, volgens c. 517 §2 en gedelegeerd wor­den om bij hu­we­lij­ken te assisteren (c. 1112). Leken kunnen deelnemen aan het provinciaal concilie met raad­ge­vende stem (c. 443 § 4) en dienen te wor­den gekozen in de dio­ce­sane synode (c. 463 §1, n. 5). Het wet­boek voorziet de moge­lijk­heid van een dio­ce­sane pas­to­rale raad (cc. 511-514), die door het concilie­de­creet Christus Dominus is gewenst (CD 27,5). Het kent de ver­plich­ting van een parochiële raad voor eco­no­mische aan­ge­le­gen­he­den, die onder het oude wet­boek optioneel was (c. 537; vgl. CIC ‘17, cc. 1183-1184, 1521), en de moge­lijk­heid van een parochiële pas­to­rale raad (c. 536). Ook wat betreft de ver­kon­di­gingstaak is de mede­wer­king van de christen­ge­lo­vigen op grond van hun doopsel en vormsel in beeld gekomen (c. 759), met name voor wat betreft het geven van catechese (cc. 774, 776, in CIC ‘17, c. 1333 §1 alleen indien nood­za­ke­lijk, “si necesse sit”, ), het mee­werken als leken-mis­sio­na­rissen (c. 784) en cate­chisten (cc. 776, 780, 785) en het mee­werken in de pas­to­rale zorg (c. 519). Voor wat betreft het  stichten en lei­den van katho­lie­ke scholen (CIC ‘83 cc. 800 §2 en CIC ‘17, c. 1379 §3) is in het huidige wet­boek de moge­lijk­heid opgenomen dat de ker­ke­lijke over­heid een school die door christen­ge­lo­vigen wordt opgericht en geleid, als katho­liek erkent (c. 803 §1). Leken kunnen in uitzon­der­lijke gevallen wor­den toe­ge­la­ten tot de predi­king, maar de homilie blijft aan priesters en diakens voorbe­hou­den (cc. 766, 767 §1).17 De bis­schop­pen­con­fe­ren­ties en dio­ce­sane bis­schop­pen dienen zorg te dragen voor de stich­ting van hogere instituten voor gods­dienstweten­schappen (c. 821), die vooral voor de theo­lo­gische vor­ming van leken en diakens zijn bestemd (vgl. c. 821). Deze moge­lijk­he­den beston­den over het algemeen niet onder het wet­boek van 1917.

De leer van het tweede Vati­caans concilie over de deelname van de gelo­vi­gen door de sacra­menten van doopsel en vormsel en door het wij­dings­sa­cra­ment aan de ver­kon­di­gingstaak, de heili­gingstaak en de koninklijke of herder­lijke taak van Christus (drie “munera”) - en daar­mee aan de zen­ding van de kerk - is dus op tal van terreinen in het huidige Wetboek van canoniek recht toegepast. Dit heeft ener­zijds geleid tot een verrui­ming van de moge­lijk­he­den met name voor de diakens en de leken, ander­zijds tot een nieuw bewust­zijn van de band die er intrinsiek-sacra­menteel bestaat tussen de sacra­menten die zijn ontvangen en de zen­ding die men uitoefent, ook buiten die gevallen waarin strikt wij­dings­macht vereist is, en dat dit met zich mee­brengt dat terug­hou­dend­heid en on­der­schei­dings­ver­mo­gen zijn vereist wanneer de omstandig­he­den ertoe nopen die band losser te maken. Op alle terreinen is een verschuiving merk­baar van een verle­ning van jurisdictie­macht “los” van de wij­ding naar een erken­ning en aanvaar­ding van het merkteken en de genade die in de sacra­menten verkregen is en waar de zen­ding of verle­ning van bevoegd­he­den bij aansluit.

Vo­ge­len­zang, 15 april 2011

Jan Hendriks


1 “Comple­mentum magisterii a Concilio Vaticano II propositi, peculiari modo quod attinet ad duas Con­sti­tu­tio­nes, dogmaticam nempe et pas­to­ralem”, in: Codex Iuris Canonici, auctoritate Ioannis Pauli Pp. II promulgatus, Vatican City, 1983, VII-XIV, hier: XI en XII.

2 “... accanto al Libro contenente gli Atti del Concilio c’è ora il nuovo Codice Canonico, e questo mi sembra un abbina­mento ben valido e significativo..... Con­clu­dendo vorrei disegnare a voi, a indicazione e ricordo, come un ideale triangolo: in alto, c’è la Sacra Scrittura; da un lato, gli Atti del Vaticano II e, dell’altro, il nuovo Codice Canonico” (PAUS JOHANNES PAULUS II, Toespraak bij de officiële pre­sen­ta­tie van het nieuwe Wetboek van Canoniek recht, 3 febr. 1983, in: Communicationes 15(1983),  9-16, hier 16).

3 W. ONCLIN, “Genese en krachtlijnen van de Codex Iuris Canonici 1983", in: R. TORFS (ed.), Het nieuwe ker­ke­lijk recht. Analyse van de Codex Iuris Canonici 1983, Annua nuntia Lovaniensia, deel XXVII, Leuven, 1985, 1-12, hier: 4; vgl. Sacrae disciplinae leges, cit.: “dilectum filium Villelmum Onclin, sacerdotem, qui assidua diligentique cura ad felicem operis exitum valde contulit” (p. X).

4J. BEYER, Dal concilio al codice. Il nuovo Codice e le istanze del Concilio Vaticano II, Il Codice del Vaticano II, deel 2, Bologna, 1984, 137.

5 Cit., XII.

6 Cit., n. 6, 13.

7 Ibidem, n. 8, 15.

8 J. HENDRIKS, Volk van God. Structuur en inrich­ting van de rooms-katho­lie­ke kerk volgens het Wetboek van Canoniek Recht (cc. 204-746), Oegstgeest, 2006, 31.

9 Met name de Ver­kla­ring Gravissimum Educationis, de Ver­kla­ring Dignitatis Humanae en het Decreet Apostolicam Actuositatem, zie hierover: J. HENDRIKS, De katho­lie­ke school, Brugge, 1987.

10 NEP 2º: “ In consecratione datur ontologica participatio sacrorum munerum...”.

11 Cate­chis­mus van de Katho­lie­ke Kerk, nn. 1547 en 1592; vgl. CONGREGATIO PRO CLERICIS ET ALII, Instructio interdicasterialis Ecclesiae de mysterio, 15 aug. 1997, in: AAS 89(1997), 852-877, hier 859-860.

12 G. VAN NOORT, J. VERHAAR, Tractatus de sacra­mentis, deel 2,  Hilversum, 1930², n. 208, 137.

13 “C’est par ce pouvoir que les lois sont faites, le juge­ments sont rendus, les peines infligées, les grâces concédées, la doctrine enseignée, l’administration exercée” (“Titre V. Du pouvoir ordinaire et du pouvoir délégué”, in: R. NAZ (ed.) Traité de droit canonique, deel 1, Paris, 1946, n. 478, 339-340.

14 Vgl. A. STICKLER, “De potestatis sacrae natura et origo”, in: Periodica 71(1982), 65-91, m.n. 74-79.

15 Motu proprio Cum gravissima, 15 April 1962, in: AAS 54(1962), 256-258.

16 HENDRIKS, Volk van God, o.c., 143-144.

17 Vgl. Ecclesiae de mysterio, cit., practicae dispositiones, art. 2 en 3; CONGREGATIE VOOR DE DISCIPLINE VAN DE SACRAMENTEN EN DE GODDELIJKE EREDIENST, Instr. Redemptionis Sacra­mentum, 25 maart 2004, nr. 161, in: Li­tur­gische do­cu­men­ta­tie, deel 3, Nationale Raad voor Liturgie, ‘s Hertogen­bosch, 2004,  203-281, hier: 269.


Terug