Arsacal
button
button
button
button


Vijftig jaar “Lumen Gentium”: De Kerk is ‘communio’

Overwegingen over de Kerk - 3

Overweging Bezinning - gepubliceerd: woensdag, 26 november 2014 - 3055 woorden
De Kerk, herders en leken, één volk van God
De Kerk, herders en leken, één volk van God

Vrij­dag 21 no­vem­ber was het precies vijf­tig jaar gele­den dat het hoofd­do­cu­ment van het tweede Vati­caans concilie, de dog­ma­tische con­sti­tu­tie over de Kerk “Lumen Gentium” door dit concilie werd aan­ge­no­men. De vernieuwende en verdiepende visie van deze tekst heeft de katho­lie­ke Kerk diep­gaand beïn­vloed en moet nog steeds meer verwer­ke­lijkt wor­den.

In het kader van de vijf­tigste ver­jaar­dag van dit do­cu­ment, wor­den bezinnende teksten ge­pu­bli­ceerd op de web­si­te van Arsacal die eerder gehou­den zijn als inlei­ding bij de retraite voor pries­ters en diakens in het bisdom Roermond.

De Kerk is ‘communio’, Volk van God

Als we mensen zou­den vragen wat zij onder “Kerk”verstaan, zullen zij ant­woor­den dat zij aan het gebouw denken of dat hun gedachten uit­gaan naar paus, Bis­schop­pen, pries­ters, diakens mis­schien en reli­gi­euzen. Met name wordt het woord “Kerk” vaak gebruikt in samenhang met een van buitenaf uit­geoe­fende, autoritaire macht. Nogal eens een keer is er een negatieve conno­ta­tie mee verbon­den in de rich­ting van een wereldvreemd afgesloten mannenbol­werk, hoewel het optre­den van paus Fran­cis­cus dat beeld voor veel mensen gelukkig heeft bij­ge­steld. Wij zijn er dus aan gewend geraakt de Kerk te zien als een structuur en een men­se­lijk geheel waarop het nodige valt aan te merken. Toch spreekt de Con­sti­tu­tie Lumen Gentium in geheel andere termen over de Kerk. De Kerk is Gods volk, waar­van Christus het Hoofd is en de heilige Geest de ziel en Degene die woont in het hart van de kin­de­ren van God (LG 9). De Con­sti­tu­tie ziet uit­ein­delijk meer de kracht van Gods genade waardoor de Kerk zich telkens weer kan vernieuwen, dan de zwak­heid, de men­se­lijke kanten - waarover het in de vorige afleve­ring is gegaan -, zozeer zelfs dat Lumen Gentium 9 ein­digt met de tekst:

“Voort­gaand door­heen de be­proe­vingen en weder­waar­dig­he­den, wordt de Kerk gesterkt door de kracht van Gods genade, die haar door de Heer is beloofd, opdat zij in de zwak­heid van het vlees niet afwijkt van de vol­ko­men trouw, maar de waar­dige bruid van de Heer blijft en onder de wer­king van de heilige Geest, niet ophoudt zich te vernieuwen, totdat zij door het kruis komt tot het licht dat geen ondergang kent”.

Het beeld van de Con­sti­tu­tie verschilt dus in twee be­lang­rijke opzichten van het beeld dat in de publieke opinie dominant is: Kerk is héél het volk van God, een ge­meen­schap waar allen deel van uitmaken en met geloof bezien is de ziel van die ge­meen­schap de heilige Geest.

Kijk naar de binnen­kant

De Kerk ziet er aan de buiten­kant vaak niet goed uit en lijkt een kleine kudde, miserabel en zwak, maar zij ís “de krach­tigste kiem van een­heid, hoop en heil”. De Kerk is het werktuig van de verlos­sing voor allen, licht van de wereld en zout der aarde. Dat zijn de verheven termen die Lumen Gentium 9 gebruikt. Hier wor­den bijna dezelfde woor­den over de Kerk gezegd als over Christus in de tekst waar­mee het do­cu­ment begon: “Lumen Gentium Christus” - (LG 1) Christus is het Licht der volkeren - en de Kerk wordt door Hem uitgezon­den om “lux mundi” - licht van de wereld - te zijn. De Con­sti­tu­tie wil dus dat we oog hebben voor dat mysterie­volle karakter, die god­de­lijke kant van de Kerk, dat we haar niet alleen maar men­se­lijk bekijken. We wor­den dus uit­ge­no­digd om naar de Kerk te kijken als instru­ment van heil én als ge­meen­schap en om deze twee aspecten te over­we­gen in samenhang met elkaar. Daarom begint Lumen Gentium haar be­schou­wingen over de Kerk in het eerste hoofd­stuk met een over­we­ging over de Kerk als mysterie, als geloofsgeheim, en begint zij het tweede hoofd­stuk over het volk van God met de kracht van Gods genade, de wer­king van de heilige Geest, die maakt dat dit volk de Kerk van Christus is, ondanks alle “be­proe­vingen en weder­waar­dig­he­den”.

Sluit je niet op in de 'veilige groep'

Overigens moeten we ons niet te laten ont­moe­di­gen door de kleine kanten van de Kerk en al helemaal niet tot passivi­teit vervallen uit vrees dat we anders fouten zou­den maken. Paus Fran­cis­cus heeft al ver­schil­lende keren gezegd dat hij een Kerk wil met herders die de geur van de kudde aannemen. Of ook, even­eens met woor­den uit de Exhor­ta­tie Evangelii Gaudium:
“Ik geef de voor­keur aan een Kerk die gebutst is, gewond en smerig omdat zij erop uit gegaan is langs de straten, boven een Kerk die ziek is door haar gesloten­heid en door het gemak zich vast te klampen aan de eigen zeker­he­den. Ik wil geen Kerk die bezorgd is om het centrum te zijn en die ein­digt opgesloten in een web van obsessies en pro­ce­dures. Als iets ons een heilige onrust moet geven en op ons geweten moet wegen dan is het dat zo velen van onze broeders en zusters zonder de kracht, het licht en de troost van de vriend­schap met Jezus Christus leven, zonder een geloofs­ge­meen­schap die hen verwel­komt, zonder een horizon van zin en leven. Meer dan de angst om fouten te maken hoop ik dat de vrees ons beweegt dat we ons­zelf opsluiten in de struc­tu­ren die ons een valse bescher­ming geven, in de normen die ons ver­an­de­ren in onverzoen­lijke rechters, in ge­woon­ten waarbij we ons gerust voelen, terwijl zich buiten een uitgehongerde menigte bevindt en Jezus zonder ophou­den ons blijft zeggen: “Geeft gij hun maar te eten” (Mc. 6,37)”.

Dit impli­ceert dat we als pries­ters, diakens, als “echt ker­ke­lijke mensen”, “trouwe gelo­vi­gen” ervoor moeten oppassen niet te vervallen in klerikalisme en het opzoeken van de ‘veilige groep’, degenen bij wie we ons thuis voelen. De woor­den van de paus zijn een gevolgtrek­king uit de bood­schap van het tweede Vati­caans concilie, dat die open­heid suggereert op allerlei terreinen - daarop komen we terug - en dat ons in feite waar­schuwt dat we ons ook binnen de Kerk niet mogen opsluiten in het groepje “eigen volk”. We vormen een ge­meen­schap van gedoopten en daar ont­staat een vorm van “communio”, ook als die “communio” niet met iedere gedoopte vol­ko­men, volle­dig, volmaakt is. Hoe kunnen we die communio met alle gedoopten concreet beleven? Voor onze herder­lijke opdracht betekent het zeker dat het goed is te proberen de dingen niet alleen te doen, als “Einzelgänger”, maar dat het een meer­waarde heeft wanneer we ook de dingen waar­van we menen dat we die wel zelf kunnen, toch samen met anderen doen. De meer­waarde zit in ieder geval in het beleven van ge­meen­schap en in het delen van een zorg met mensen aan wie de Heer zelf die zorg toch ook in enige mate heeft toe­ver­trouwd, maar in het alge­meen zal het ook de vrucht­baar­heid verhogen en zal wat we doen mooier, rijker wor­den. Er zijn ook veel mensen met wie we ge­meen­schap alleen kunnen beleven door voor hen te bid­den, omdat we hen voor het overige niet kunnen bereiken . En daar zit mis­schien ook wel een stukje pijn: veel taken kunnen we niet goed delen, omdat er geen mensen zijn die vitaal en gelovig genoeg zijn en bovendien bereid om gevormd te wor­den. We moeten overigens niet te gauw deze con­clu­sie trekken. We hebben denk ik allemaal de erva­ring dat de beste weg om een nieuw kerk­bestuurslid te vin­den is: iemand per­soon­lijk bena­de­ren. Soms moeten we ook gewoon onze blik op iemand durven laten rusten “miserando atque eligendo”: een aan­vaar­dende, barm­har­tige blik die tege­lijk een uit­ver­kie­zing betekent, een uit­daging is. Soms blijken mensen die wor­den aan­ge­spro­ken ineens grote stappen vooruit te maken in hun leven, in hun geloof. Het hoeft dus niet altijd iemand te zijn die al helemaal goed is - de perfecte katho­liek - als het maar iemand is die zich laat uit­da­gen om stappen te zetten, nieuwe stappen op de weg van de navol­ging van de Heer.

Leken zijn geen 'klanten'van de Kerk, zij zijn Kerk!

De Kerk is dus de Kerk van alle gedoopten. Een heel be­lang­rijke rol voor de onder­bou­wing van dit inzicht spelen de indeling van de Con­sti­tu­tie en de uit­spraak dat alle gelo­vi­gen - ook de leken - deel­heb­ben aan de heilszen­ding van de Kerk. Deze laatste uit­spraak wordt in Lumen Gentium 33 gedaan: door het doopsel en vormsel wor­den de gelo­vi­gen door de Heer ge­roe­pen tot apos­to­laat, dat is iedere inzet voor de uitbrei­ding van het rijk van God en de navol­ging van Jezus Christus (vgl. AA 2). De sacra­menten, vooral de heilige Eucha­ris­tie, geven en voe­den de liefde voor God en de mensen, die de ziel is van elk apos­to­laat (LG 33). Deze benade­ring roept fun­da­men­teel het beeld van ‘ge­meen­schap’ op: allen hebben wij tot taak de zen­ding van de Kerk die de zen­ding van Christus is, voort te zetten. Dat is niet een taak van sommigen alleen. De Kerk is niet ver­deeld in gevers - de pries­ters - en ont­van­gers - de leken -; leken zijn geen klanten van de Kerk, maar allen staan voor dezelfde taak, zij het ook met ver­schil­lende gaven, opdrachten, verant­woor­de­lijk­he­den. De Con­sti­tu­tie heeft dit be­klem­toond door de opbouw van het do­cu­ment: aller­eerst wordt over de Kerk als geheel ge­spro­ken, over de gehele ge­meen­schap, alle gelo­vi­gen (hoofd­stuk II). Daarna pas gaat het over afzon­der­lijke groepen binnen die ge­meen­schap. De Con­sti­tu­tie maakt dui­de­lijk dat er ver­schil­lende aspecten zijn aan de hand waar­van je de ge­meen­schap van de Kerk kunt bezien en indelen; er is een indeling moge­lijk van hiërarchie - bestaande uit de paus, Bis­schop­pen, pries­ters en diakens (hoofd­stuk III) - en leken - de andere gelo­vi­gen (hoofd­stuk IV); en er is een moge­lijk­heid tot indeling naar roe­ping tot hei­lig­heid, die op veel ver­schil­lende wijzen gestalte kan krijgen (hoofd­stuk V) en bij­voor­beeld vorm kan krijgen in het reli­gi­euze leven (hoofd­stuk VI). Er zijn dus ver­schil­lende facetten aan ieders roe­ping en plaats binnen de Kerk, maar niets is alleen maar voor het individu, ook de hei­lig­heid niet: niemand wordt alleen gered, de hei­lig­heid wordt door de Con­sti­tu­tie genoemd “een lichtend voor­beeld en ge­tui­ge­nis”; ook het pries­ter­schap of het diaconaat is niet iets voor ons­zelf, reden waarom het onder meer in Lumen Gentium 10 “sacerdotium ministeriale”, dienst­baar pries­ter­schap wordt genoemd, waarbij dat dienst­ka­rak­ter - zoals gezegd - dus met name op de bedie­ning van het heils­werk van Christus betrek­king heeft, dat vooral in de bedie­ning van de sacra­menten plaats­vindt.

We vullen elkaar dus aan door de verschei­den­heid van onze roe­ping en plaats binnen de Kerk: een pries­ter of diaken of leek kan reli­gi­eus zijn of seculier. Daar­naast heeft ieder van ons zijn eigen cha­risma. We hebben eigen gaven van God ont­van­gen en met ons eigen cha­risma geven we een eigen spe­ci­fie­ke bijdrage: de één heeft een gave voor jon­ge­ren­werk, een ander juist voor ouderen; de één is artis­tiek en crea­tief, een ander is weer heel syste­ma­tisch en goed in lei­ding geven en het uit­zet­ten van beleidslijnen. Het een is niet beter dan het ander. Soms zijn wij geneigd om iets wat een ander minder goed doet dan wij, erns­tig aan te rekenen, terwijl we uit het oog verliezen dat wij­zelf onze beper­kingen hebben en die ander wellicht bepaalde talenten heeft op een terrein waarop wij ons ge­mak­ke­lijk excuseren en het heel be­grij­pe­lijk achten dat wij dat niet kunnen.

Door de indeling die de Con­sti­tu­tie geeft van volk van God, hiërarchie en leken loopt een rode draad: de zo­ge­naamde drie munera, een Latijns woord dat zowel ‘gaven’ als ‘taken’ betekent. Voor ieder lid van het volk van God wordt be­schre­ven dat dit lid deel heeft aan de drie taken van Christus, zij het dat iedere christen-gelo­vi­ge een eigen vorm van deelname heeft op basis van de sacra­menten die hij of zij heeft ont­van­gen. Die drie taken van Christus zijn: de ver­kon­di­gings­taak, de heili­gings­taak en de herder­lijke of ko­nin­klij­ke taak, de taken van Christus als profeet, pries­ter en herder of koning. Ieder lid van het volk van God heeft als taak te ver­kon­di­gen, te heiligen en te lei­den, maar ieder heeft op een eigen wijze aan deze taken deel, af­han­ke­lijk dus - onder meer - van de sacra­menten die hij heeft ont­van­gen: een gehuwde heeft een spe­ci­fie­ke taak in het gezin dat hij gesticht heeft, een diaken, pries­ter of Bis­schop heeft dat op een eigen wijze voor de ge­meen­schap waarvoor hij is aan­ge­steld. Ook een alleenstaande leek, evenals een God­ge­wijde heeft deel aan deze drie taken van Christus.

Zie het niet te ‘doenerig’

Heel de Kerk is dus volk van God, heel de Kerk heeft deel aan de zen­ding van Jezus Christus. De Con­sti­tu­tie leert ons dus heel breed en wijd te denken en te zien. We mogen die deelname aan de zen­ding van Christus en van de Kerk echter niet al te ‘doenerig’ zien, alsof het gaat om iets dat gedaan moet wor­den. Op de eerste plaats gaat het om ‘zijn’: christen-zijn; ons christen-zijn zelf werkt al ver­kon­di­gend doordat wij een ge­tui­ge­nis geven door ons leven; het christen-zijn met hart en ziel zal ons heiligen en door het levens­ge­tui­ge­nis dat wij geven heiligen wij anderen. En na­tuur­lijk is christen-zijn perse het uit­voeren van een ko­nin­klij­ke of herder­lijke taak, doordat we ons leven ordenen, richten, sturen en besturen zodat we niet verloren lopen en doordat wij in onze eigen omge­ving alles trachten in te richten naar billijk­heid en recht­vaar­dig­heid. Hier zien we ook dat we de drie taken van Christus niet kunnen schei­den: ze hangen nauw samen, wie verkon­digt, heiligt en leidt ook. Aan deze beschrij­ving zien we bovendien dat het aller­eerst gaat om ons eigen christen-zijn. Wij kunnen boos en verdrie­tig wor­den omdat andere mensen niet of niet meer naar de kerk gaan, hun kin­de­ren niet laten dopen, niet voor de Kerk trouwen enzo­voorts. Af en toe kom ik pries­ters tegen die met emeritaat zijn en “dus” geen Eucha­ris­tie meer vieren, omdat ze niet gevraagd wor­den. Ik vraag me dan af: Is een Mis door de pries­ter alleen gevierd dan geen dienst aan de Kerk en aan de gelo­vi­gen? En is pries­ter-zijn een werk een inzet voor anderen gedaan of is het ook een uiting en een concrete bele­ving van je eigen christen-zijn, een levens­wij­ze die uit een inner­lijke geloofs­over­tui­ging voort­komt. In zekere zin werd ik - voor mijn gevoel - pas echt pries­ter op de tweede dag na de pries­ter­wij­ding. De dag na de wij­ding was fees­te­lijk geweest met de eerste heilige Mis, maar daarna kwam er een maan­dag waarop niemand mij nodig had, niemand mijn pries­ter­lijke dienst vroeg. Ineens stond ik daar alleen aan het altaar, zelfs geen gelo­vi­gen in de kerk, helemaal alleen. Toen kwam het echt bij mij binnen: mijn pries­ter­schap is niet alleen iets wat ik voor de mensen doe, het is aller­eerst een genade en de gave van mij­zelf aan de Heer, munera voor Hem, want de hoogste munus van de Kerk is het opus divinum, de lof Gods en daaruit vloeit een vrucht­baar­heid voort. Uit­ein­de­lijk is ook de vrucht­baar­heid van ons pries­ter- of diaken-zijn een gave. Deel hebben aan de drie munera is eerst een gave en in dit geval dus een ‘zijn’; daarna is het ook een opdracht, een taak: “sommigen vervullen het gewijde dienst­werk tot wel­zijn van de broeders”(LG 13,4).

De benade­ring van de Kerk als het volk van God geeft dus een grote een­heid aan tussen de leden van het volk van God. Het ker­ke­lijk wet­boek stelt dan ook op basis van Lumen Gentium 32 dat er een ware gelijk­heid bestaat wat betreft waar­dig­heid en han­de­len tussen alle christen­ge­lo­vigen, ook al heeft ie­der­een zijn eigen plaats en taak (c. 208). We zijn allen broeders en zusters. Beleven we dat ook zo?

Uni­ver­seel, met een breedte aan cha­risma's

De Con­sti­tu­tie vraagt ons ver­vol­gens om opnieuw onze ogen op te slaan en te zien hoe wijd en breed dat volk van God is: de universali­teit van de Kerk: één volk verspreid over de gehele wereld en door alle eeuwen heen (LG 13). Uit alle talen, volken, rassen, naties en culturen zijn mensen ge­roe­pen om deel uit te maken van die een­heid. Daarbij roept de Con­sti­tu­tie ons uit­druk­ke­lijk op oog te hebben en waar­de­ring voor de verschei­den­heid: ieder deel van de Kerk brengt zijn eigen gaven mee en biedt die aan de overige delen en aan heel de Kerk aan (LG 13, 4). Het gaat hier niet alleen om de eigen cultuur van de ver­schil­lende volkeren en de verschillen in geloofs­be­le­ving tussen Latijns-Amerikanen en Neder­landers, maar ook om de ver­schil­lende roe­pingen, cha­risma’s, taken, spiri­tua­li­teiten en wat dies meer zij. Al deze verschillen - na­tuur­lijk binnen de nood­za­ke­lijke een­heid van het geloof - dragen bij aan de veel­kleu­rig­heid van het rijke gewaad van de Kerk. Dit vraagt in het bij­zon­der van ons pries­ters en diakens een grote eerbied voor de ver­schil­lende bele­vingen van het ene katho­lie­ke geloof, ook al is iets mis­schien niet onze eigen weg of roe­ping. We mogen niet te snel denken dat iets niet goed is omdat het anders is. Verschil is juist rijkdom. Na­tuur­lijk geldt dit niet als de een­heid van de Kerk wordt geschaad - zoals LG 34, 4 vermeldt - en al helemaal niet als de gemeen­schap­pe­lijke bodem, het geloof van de Kerk, wordt verlaten. Maar het vraagt van ons wel een bepaalde manier van kijken naar andere gelo­vi­gen binnen de Kerk, zoals we eerder al hebben aange­ge­ven: niet klein-zielig, niet veroor­de­lend als het gaat om andere, nieuwe cha­risma’s. Het is een oud probleem: hoeveel “oorlogen” zijn er niet uitgevochten tussen wereldheren en paters? Vaak spelen afgunst en jaloezie hierin een rol. Anderen voe­den een geest van exclusivi­teit: wij zijn de echten, de ‘beteren’, wij die behoren tot deze bij­zon­dere groep of rich­ting. Paus Fran­cis­cus heeft het hierover in zijn Apos­to­lische Exhor­ta­tie Evangelii Gaudium (n. 98). Hij ver­wijst na­tuur­lijk naar het Johannes-evan­ge­lie waar de Heer zegt dat men zal herkennen dat wij leer­lin­gen van Hem zijn door onze liefde voor elkaar (Jo. 13,35; vgl. 17,12). “Laat ie­der­een met bewonde­ring zien hoe jullie voor elkaar zorgen en hoe jullie elkaar bemoe­digen en elkaar steunen”, zegt de paus.

De Con­sti­tu­tie ziet in de katho­lie­ke een­heid van het volk van God een vooraf­beel­ding van en een stimulans voor de wereld­vre­de.

Lezen: Lumen Gentium 9-13

Terug