Arsacal
button
button
button
button


‘Communio’: zoek wat je verbindt....

Overwegingen over de Kerk - 4, bij de 50e verjaardag van Lumen Gentium

Overweging Bezinning - gepubliceerd: woensdag, 3 december 2014 - 3109 woorden
Bij het portret van mgr. Van Dodewaard, de Haarlemse conciliebisschop
Bij het portret van mgr. Van Dodewaard, de Haarlemse conciliebisschop

Dat de Kerk een ge­meen­schap is en de pries­ter en diaken die­naars zijn van die ge­meen­schap, betekent dat pries­ters en diakens mensen van ‘communio’ moeten zijn. De volgende over­we­ging bij een gedeelte van het tweede hoofd­stuk van Lumen Gentium, de Con­sti­tu­tie over de Kerk, gaat hierover.

Het is het vierde deel in een serie over­we­gingen over deze Con­sti­tu­tie van het tweede Vati­caans concilie, die eerder tij­dens een retraite voor de pries­ters en diakens van het bisdom Roermond gehou­den zijn.

Dienaar van (de) ge­meen­schap

Een pries­ter of diaken is op een bij­zon­dere wijze ge­roe­pen om die­naar van ge­meen­schap, van communio te zijn. Het tweede Vati­caans concilie heeft ons geleerd om naar andere mensen te zien niet op een schei­dende en veroor­de­lende manier maar op een verbin­dende wijze: wat geeft mij een band met andere gelo­vi­gen, met andere mensen? Hoe kan ik hen uit­no­di­gen, erbij betrekken? Dat is een vraag die het concilie ons keer op keer probeert te laten stellen door te wijzen op ele­menten die mensen en gelo­vi­gen met elkaar verbin­den. De communio-gedachte die als zodanig meer na het tweede Vati­caans concilie is gegroeid en die tenslotte is uit­ge­werkt in het reeds vermelde do­cu­ment van de Con­gre­ga­tie voor de ge­loofs­leer, Communionis Notio (1992), is daar een mooie uitdruk­king van: de ecclesio­lo­gie van het tweede Vati­caans concilie kan zeer goed wor­den samen­ge­vat en uitgedrukt door dit begrip communio, ge­meen­schap.

Verwel­ko­mend: wat hebben we gemeen?

Zo ziet Lumen Gentium gradaties in communio. De Kerk-con­sti­tu­tie en andere do­cu­menten van het concilie - denk bij­voor­beeld aan het decreet Unitatis Redin­te­gratio over het oecumenisme - kijken niet zozeer naar andere, niet-katho­lie­ke gods­diensten vanuit de gedachte: wat is daar niet goed, wat klopt er niet met de katho­lie­ke leer; zij kijkt niet vanuit het “ana­the­ma sit” (“hij zij in de ban”), maar vanuit de gedachte: wat bindt ons met hen, zonder uit het oog te verliezen dat er ook verschillen zijn. Zo begint Lumen Gentium 15 met de woor­den: “Met de gelo­vi­gen die de erenaam van chris­te­nen dragen, doch het volle­dige geloof niet belij­den, of de een­heid van ge­meen­schap onder de op­vol­ger van Petrus niet in stand hou­den, voelt de Kerk zich op velerlei wijze verbon­den”. De Latijnse tekst zegt het mis­schien nog iets sterker, daar staat “Ecclesia semetipsam novit... coniunctam”: de Kerk weet zich verbon­den.... Eerder zagen we dit bij de bespre­king van Lumen Gentium 8 over de bestand­de­len van heili­ging en waar­heid die er ook buiten de katho­lie­ke Kerk te vin­den zijn. Deze benade­ring geeft niets prijs, zij geeft zelfs dui­de­lijk aan dat er verschillen zijn en die wor­den geenszins gerelati­veerd tot een mening of een vrije kwestie, maar de tekst is tege­lijk respect­vol en getuigt van open­heid naar deze andere chris­te­nen. Hier geeft het concilie ons allen een pas­to­rale hou­ding aan die voor ieder van ons ken­mer­kend moet zijn en die paus Fran­cis­cus tot uitdruk­king heeft gebracht in zijn reeds aangehaalde wapen­spreuk “miserando atque eligendo”: het gaat erom iedere mens en - waarom niet? - iedere groep tegemoet te tre­den met harte­lijke open­heid, niet veroor­de­lend of oor­de­lend, maar verwel­ko­mend, uit­no­di­gend. Een weg van beke­ring en levens­ver­nieu­wing begint vrijwel altijd met je aanvaard en bemind te weten. Haal je neus niet op voor die of die maar probeer hem of haar te leren kennen met een inner­lijke kennis en die persoon wer­ke­lijk “af te halen” en hopen­lijk mee te nemen op de weg van Jezus Christus: “Volg mij”. We kennen dit uitgangs­punt vanuit de biecht en de gees­te­lij­ke lei­ding: het is ons geleerd in dat kader verwel­ko­mend en harte­lijk te zijn en we hebben het hopen­lijk ook zelf ervaren: een pries­ter - gees­te­lijk leidsman, biecht­va­der - die ons begreep, die begrip had voor wie wij waren, voor wat wij had­den doorstaan, voor hoe wij gegroeid waren en hoe we waren gewor­den tot wie we nu zijn. De gees­te­lij­ke lei­ding begon in zeker zin daar waar wij begrepen wer­den, ons begrepen voel­den en waar een zekere open­heid in ons hart aanwe­zig was om de genade welkom te heten.

Ver­bon­den­heid waar je de Geest aanwe­zig weet...

Daar komt nog iets bij. Er zijn mensen met wie wij inhou­de­lijk heel erg één zijn: zij staan volle­dig en met volle over­tui­ging achter het katho­lie­ke geloof. Zij zijn mis­schien zelfs onze vrien­den, we kunnen goed met hen overweg en kunnen met hen ge­mak­ke­lijk praten over tal van ker­ke­lijke on­der­wer­pen. Toch zal dat heel vaak slechts een uiter­lijk, in feite zake­lijk gesprek zijn waarin wij als gelo­vi­ge, als persoon met een inner­lijke geloofs­over­tui­ging, als iemand die geleid wordt door de heilige Geest, niet direct betrokken zijn. Het is een gesprek over koetjes en kalfjes, al zijn dat ook ker­ke­lijke koetjes en ker­ke­lijke kalfjes. De oor­zaak dat het gesprek op dat niveau gelegen is, kan gewoon zijn dat mannen nu eenmaal niet zo ge­mak­ke­lijk over hun diepste zielenroerselen spreken. Van mede-pries­ters of mede-diakens zullen we vaak alleen inci­denteel en in bepaalde omstan­dig­he­den ervaren dat zij echt gods­diens­tige mensen zijn. Eigen­lijk is dat na­tuur­lijk wel een beetje bij­zon­der: dat we niet com­mu­ni­ce­ren over wat ons ten diepste beweegt....

Dat inner­lijke contact, waarin we de wer­king van de heilige Geest in de ander mogen bespeuren, de goed­heid van diens mens-zijn, zijn geloof, hoop en liefde, zijn hart, is daar­en­te­gen niet altijd zozeer aan de grenzen van een Kerk of ker­ke­lijke ge­meen­schap gebon­den. Dat werd ik bij­voor­beeld op bij­zon­dere wijze gewaar toen ik een paar jaar gele­den met een groep pries­ters op de pries­ter­va­kan­tie logeerde in een hotel in Zwitserland, dat toebehoorde aan een familie die lid was van de her­steld her­vormde kerk, een stevig re­for­ma­to­rische geloofs­ge­meen­schap. Buiten onze groep waren het vrijwel uit­slui­tend gezinnen van die deno­mi­na­tie die daar hun vakantie doorbrachten en zij wer­den vergezeld door een dominee, hoog­le­raar vanuit hun kerk­ge­noot­schap aan de vrije uni­ver­si­teit in Am­ster­dam. Iedere avond was er een avond­ge­bed met lange preek over een van de psalmen. Ondanks de verschillen in geloof die er onge­twij­feld waren en die door sommige deel­ne­mers uit en te na maar heel vriend­schap­pe­lijk wer­den bedis­cus­sieerd, kon­den we een grote inner­lijke ver­bon­den­heid ervaren.

De Con­sti­tu­tie over de Kerk heeft dit herkend en aangeduid in nummer 14. Ener­zijds wordt daar het doopsel genoemd als basis voor een­heid en Kerk-zijn, zodat we kunnen zeggen dat er tussen ons en alle gedoopten een zekere communio bestaat, ook als die niet volle­dig is, door het doopsel. Maar voor veel mensen blijft het doopsel helaas een uiter­lijk stickertje dat op het voor­hoofd is geplakt, het heeft geen of nau­we­lijks gevolgen voor hun mens-zijn.

Drie ele­menten van communio...

Ver­vol­gens noemt de Con­sti­tu­tie drie structuur-ele­menten die maken dat de communio sterker of minder sterk is: dat zijn het geloof, de sacra­menten en het ker­ke­lijk bestuur, drie aspecten van geloofs­be­le­ving die be­ant­woor­den aan de drie munera, de gaven of taken van ver­kon­di­ging (de profe­tische taak), heili­ging (pries­ter­lijke taak) en bestuur (ko­nin­klij­ke of herder­lijke taak). Het zijn drie “ban­den”(“vincula”) die maken dat wij vole­dig zijn ingelijfd in de ker­ke­lijke ge­meen­schap. Op deze terreinen zullen we ons meer één weten met iemand anders in de mate waarin wij het katho­lie­ke geloof met die persoon kunnen delen. Zo staat een gelo­vi­ge van een oosterse Kerk - een oude oosterse Kerk of één van de orthodoxe Kerken - dichter bij ons dan iemand uit de Re­for­ma­tie.

... en het inner­lijk moment...

Tege­lijker­tijd is daar dat inner­lijke moment, dat vaak dwars door de meer of minder grote inhou­de­lijke verschillen heenloopt. Hier gaat het om de vraag of iemand met de Geest begif­tigd is, in de liefde volhardt, in de schoot van de Kerk met zijn hart aanwe­zig blijft. Tot drie maal toe wordt dat ‘inner­lijk moment’ in Lumen Gentium 14 aangeduid. Na­tuur­lijk geldt hier het evan­ge­lie-woord over het niet oor­de­len: wij kunnen de gradatie en de warmte van iemands geloof, de goed­heid van iemands persoon en intenties niet afmeten, dat oor­deel is aan God, maar het is wel de kern van de zaak. Farizeïsme, of - zoals paus Fran­cis­cus dat herhaal­de­lijk heeft genoemd: - een “wereldlijke spiri­tua­li­teit” is uit den boze! De Con­sti­tu­tie voegt dat er bijna als een waar­schu­wing aan ons adres aan toe: “Indien [de kin­de­ren van de Kerk] aan die genade niet be­ant­woor­den met gedachte, woord en werk, zullen ze geenszins gered, maar veeleer strenger ge­oor­deeld wor­den”. Formeel ben je wellicht - en hopen­lijk - helemaal in lijn met de ker­ke­lijke vereisten, maar geef je wer­ke­lijk je hart aan Hem in wat je doet voor Christus en de Kerk?

Dialoog

Wat verbindt mij met de persoon die voor mij staat? Dit is in feite een vraag naar iets gemeen­schap­pe­lijks, naar “common ground” en dus naar een vertrek­punt voor een dialoog. Het is deze dialoog die in het tweede Vati­caans concilie steeds opnieuw uitgangs­punt is voor de benade­ring van andere groepen en mensen met andere over­tui­gingen dan de onze. Paus Paulus VI heeft de waarde van de dialoog uit­ge­werkt in het derde deel van zijn pro­gram­matische En­cy­cliek Ecclesiam Suam van 6 au­gus­tus 1964. In deze En­cy­cliek over de Kerk riep de paus op tot een zelf­on­der­zoek dat er in zou moeten bestaan zich meer bewust te wor­den van het mysterie en het ideaal­beeld van de Kerk en dat zou ertoe moeten lei­den dit ideaal­beeld van de Kerk te ver­ge­lij­ken met de hui­dige situatie; zo zou­den de leden van de Kerk zich moeten vernieuwen om beter aan dat ideaal­beeld te be­ant­woor­den en zij zou­den zich moeten openen om in dialoog te tre­den met de mensen van hun tijd. Zelf­on­der­zoek, vernieu­wing en dialoog, zijn dus de drie grote thema’s van deze mooie En­cy­cliek, die tij­dens het tweede Vati­caans concilie is ge­schre­ven. Uit deze benade­ring blijkt al wel waar het de paus om gaat: de leden van de Kerk moeten reflec­te­ren op hun eigen leven en zich vernieuwen, wat dui­de­lijk maakt dat zij in een zekere be­schei­den­heid aller­eerst naar hun eigen zon­den en tekort­ko­mingen dienen te kijken. Dat wil niet zeggen dat zij hun eigen over­tui­ging prijs moeten geven noch dat ver­kon­di­ging niet meer nodig zou zijn: de paus noemt ver­kon­di­ging dui­de­lijk het eerste apos­to­laat, de eerste opdracht van de Kerk; en dialoog vereist helder­heid van uitdruk­king, zodat de dialogeren­den elkaar goed kunnen begrijpen; maar er moet ook sprake zijn van gema­tigd­heid, ver­trouwen en opvoed­kun­dige pru­dentie (n. 81). Dialoog ver­on­der­stelt wellevend­heid, hoogach­ting en respect voor de ander, welwillend­heid en goed­heid (n. 78).

Talenten

Verbin­dingen proberen te leggen en uit­gaan van wat ons verbindt. Na­tuur­lijk spelen hierin voor ieder van ons de spe­ci­fie­ke gaven een rol die wij van God hebben ont­van­gen. Lumen Gentium 13 be­klem­toont dit: wij hebben allen een eigen genade en roe­ping van God ont­van­gen. Daarbij gaat het niet alleen om de roe­ping om pries­ter of diaken te zijn of een andere levens­staat te aan­vaar­den, maar ook om de wijze waarop wij deze roe­pingen beleven en in de praktijk brengen. Allen hebben wij de roe­ping om de gaven die God ons heeft toe­ver­trouwd dienst­baar te maken om de on­der­lin­ge communio rijker te maken. Bepaalde talenten kunnen we ont­wik­ke­len, zoals ons vermogen om met andere mensen in contact te tre­den - en dat moeten we zeker proberen te doen -, maar ook dan blijft staan dat ieder van ons zijn sterkere en minder sterke punten heeft. We moeten ons niet fixeren op wat we wellicht minder goed kunnen, maar proberen de gaven die de Heer ons heeft ge­schon­ken te ont­wik­ke­len. Heel vaak heb ik mogen zien dat een pries­ter die in zijn semi­na­rie-tijd niet als bij­zon­der talent­vol werd gezien, omdat zijn talenten in die omge­ving minder in het oog sprongen, in de pas­to­rale praktijk juist succes­vol was.

Waar liggen Uw talenten? Gebruik ze om in contact te tre­den met mensen, mensen te verenigen, mis­schien langs in­for­mele wegen, maar uit­ein­delijk rond de Heer! De een heeft een cha­risma om met kin­de­ren of jon­ge­ren om te gaan, een ander is goed in het bezoeken van ouderen en zijn zorg voor hen heeft een uit­stra­ling naar de familie, nog een andere pries­ter voetbalt niet onver­diens­te­lijk en zet zich met zijn voetbal­team in voor projecten in Ethiopië, die zij ook hebben bezocht; die reis is voor hen allen een be­lang­rijke geloofs­er­va­ring gewor­den; een diaken zet zich vanuit Kerk en geloof in voor allerlei sociale, cari­ta­tieve projecten en heeft daardoor een flink aantal mensen verbon­den met het ker­ke­lijk leven; weer een ander zet zich in voor gezinnen of probeert ge­meen­schappen te vormen van mensen die stapje voor stapje het geloof samen willen beleven en elkaar daarin willen steunen. Allemaal mooie ini­tia­tie­ven, die te maken hebben met de gaven, het cha­risma van bepaalde personen dat op deze wijze vrucht­baar wordt.

Dikwijls ervaren we dat we niet veel kunnen, dat achteruit gaat waar we ons voor inzetten, dat we weinig vrucht­ba­re bodem vin­den. Het heeft geen zin meer geweld te gebruiken om een zaadje toch in een bodem te willen persen, die te ondiep is om het te kunnen ont­van­gen. Maar we moeten zaaien, veel zaaien, met gulle hand, waarbij het harte­lijk contact met de mensen ons voertuig is. Ook dat praatje op straat, in de super­markt, bij de school is van waarde; uit­ein­delijk doen we alles voor Onze Lieve Heer en Hij is degene die het beheer heeft over de genades! Of en hoe het vrucht gaat dragen is niet aan ons, maar we moeten geloven in de moge­lijk­heid dat het vrucht draagt, zelfs al is het na jaren.

Kortom, laten we mensen van communio, van verbin­ding zijn!

Verbin­dingen met niet-chris­te­nen

Ook waar het gaat om degenen die geen christen zijn, ziet het Concilie verbin­dingen: “Zij ... die het evan­ge­lie nog niet hebben aan­ge­no­men, staan niettemin om velerlei redenen naar het volk van God gericht”, lui­den de eerste woor­den van Lumen Gentium 16. Die relaties met de niet-chris­te­nen wor­den uit­ge­werkt in de Ver­kla­ring Nostra Aetate en voor wat de niet-gelo­vi­gen betreft in de pas­to­rale Con­sti­tu­tie Gaudium et spes 19-21. Aller­eerst wordt in Lumen Gentium 16 aan het Joodse volk gedacht met wie wij als chris­te­nen op een bij­zon­dere manier verbon­den zijn. Na­tuur­lijk gaan onze gedachten uit naar de ver­schil­lende tekens van respect en nabij­heid die de pausen na het concilie aan het Joodse volk hebben gegeven, zoals het bezoek van paus Johannes Paulus II aan de synagoge van Rome (13 april 1986), de bede om ver­ge­ving en het bezoek aan Israel in het jaar 2000, waarbij de paus ook de klaagmuur heeft bezocht; we kennen allen het beeld van paus Johannes Paulus II die een briefje met een bede om ver­ge­ving in de klaagmuur stopt. On­ver­ge­te­lijk blijven ook het bezoek van paus Bene­dic­tus XVI in 2009 en het bezoek van paus Fran­cis­cus in 2014. Deze bezoeken en de ver­schil­lende ont­moe­tingen tussen Joden en chris­te­nen alsmede de erken­ning van het leed dat de Joden is aan­ge­daan en de veroor­de­ling van anti­se­mi­tisme hebben veel bij­ge­dragen aan de goede ver­hou­dingen. Er is inder­daad nogal wat veranderd in de ver­hou­ding tussen de katho­lie­ke Kerk en de Joden. Toen de paus Neder­land bezocht was een bezoek aan een synagoge - gewenst door de paus - nog niet moge­lijk. Rabbijn A. Soeten­dorp heeft weleens gezegd dat deze weige­ring een van de weinige dingen in zijn leven is waar­van hij vindt dat hij zich daar tegen­over God voor moet verant­woor­den. Er is veel meer begrip gegroeid. In zekere zin is het allemaal be­gon­nen met de privé-au­diën­tie die paus Johannes XXIII ooit aan Jules Isaäc en een groep vooraanstaande Joden verleende. De paus - Angelo Giuseppe Roncalli - die in de oorlog veel voor Joden had gedaan, kwam binnen met de woor­den “Sono Giuseppe, vostro fra­tello” (“Ik ben Jozef, uw broeder”, Gen. 42,8). Het is die hou­ding van open­heid, van dialoog, van respect, van verbin­den die ons hier wordt voorgeleefd en die cruciaal is voor een pries­ter. Wij dienen iedere mens open en respect­vol te bena­de­ren. We zoeken verbin­dingen, geen schei­dingen, we willen uit­no­di­gen, niet afstoten.

Ver­vol­gens wordt door de Con­sti­tu­tie aan de moslims gedacht. Wederom wordt uit­ge­gaan van wat ons met hen verbindt met name dat zij de Schepper, de éne, barm­har­tige God aanbid­den, die de mensen op de jongste dag zal oor­de­len. Daar­mee doet het Concilie geen uit­spraak over het Gods­beeld van de Islam, maar het geeft aan waar een aan­kno­pings­punt ligt. Dit maakt ons dui­de­lijk dat we als pries­ters en ver­te­gen­woor­digers van de katho­lie­ke Kerk ons niet moeten laten verlei­den respectloos over de Islam te spreken. Na­tuur­lijk is dui­de­lijk dat ter­ro­ris­ten en plegers van aan­slagen zich nogal eens op de Islam be­roe­pen en er helaas veel geweld wordt gepleegd met een beroep op Islami­tische waar­den. Dit moet ons voorzich­tig maken en alert om situaties te vermij­den en tegen te gaan waarin Islami­tisch fun­damentalis­tisch ge­dach­te­goed kan gedijen. Tege­lijk proberen we vanuit de katho­lie­ke Kerk de dialoog met de Islam aan te gaan en moeten we niet uit het oog verliezen dat er vele vrome, vrede­lie­vende moslims bestaan, die het geweld afkeuren. Juist het contact met gelo­vi­ge chris­te­nen kan aan hen dui­de­lijk maken dat het westen niet alleen een poel van goddeloos­heid is.

Uit­ein­de­lijk ziet het Concilie in Lumen Gentium 16 en in Gaudium et Spes 16 met name in het geweten iets dat ons met alle mensen van goede wil verbindt. De klassieke uitdruk­king “doopsel van begeerte” wordt in feite door het Concilie ingevuld als: een mens die zoekt naar de waar­heid, die eer­lijk en oprecht zijn geweten probeert te volgen en de stappen tracht te zetten die dit geweten ingeeft en zo op weg gaat naar Christus. Niet voor niets richten de Con­sti­tu­tie Gaudium et Spes en ver­schil­lende pau­se­lijke do­cu­menten zich tot alle mensen van goede wil (vgl. GS 2). Het geweten speelt dus een heel be­lang­rijke rol. Wie zijn eer­lijke geweten volgt zit subjec­tief altijd goed, al impli­ceert dat na­tuur­lijk een open­heid om dat geweten te vormen, te ont­wik­ke­len, te verdiepen.

Wel mis­sio­ne­ren...

Dit alles wil zeker niet zeggen dat we niet zou­den moeten mis­sio­ne­ren. De opdracht tot mis­sio­ne­ring is juist de primaire taak die de Kerk van haar Heer heeft gekregen: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leer­lin­gen...”. Lumen Gentium 17 wijst hierop. Hoe be­lang­rijk evangeli­sa­tie en mis­sio­ne­ring zijn onder­vin­den we in onze samen­le­ving waar zoveel chris­te­lijke waar­den ver­dwij­nen en we eigen­lijk dage­lijks de pijn ervaren om mensen die geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, die zoveel hebben ont­van­gen, maar hun Schepper en de Gever van al dat goeds niet kennen, noch de zin en het doel van hun leven en de weg naar het geluk, hier en in het hiernamaals....
Het is goed de liefde voor hen allen te voe­den en te beleven, onder meer door met grote harte­lijk­heid voor hen te bid­den.

Lezen: Lumen Gentium 14-17

Terug