Arsacal
button
button
button
button


Een uitweg voor gescheidenen?

Bijdrage aan het debat in het kader van de Synode

artikel_canoniekrecht - gepubliceerd: maandag, 9 maart 2015
God schiep hen als man en vrouw....
God schiep hen als man en vrouw....

Onderwerp van de Synode over Huwelijk en Gezin is allereerst de roeping en zending van het gezin, maar in de marge van dit thema is veel gesproken over de barm­har­tig­heid waarmee mensen in levenssituaties die kerkelijk niet geordend zijn, tegemoet getreden moeten worden en over mogelijke 'oplossingen' voor hun situatie, waardoor zij kunnen biechten en communiceren. In verband met de Synode over Huwelijk en Gezin komen dan ook veel thema's opnieuw naar voren, die in het verleden reeds onderwerp waren van debat en studie.

Eén van deze onderwerpen betreft de vraag of een huwelijk tussen twee gedoopten altijd een sacrament moet zijn en de vraag of er niet een minimum aan geloof aanwezig moet zijn om het huwelijk als sacrament te ontvangen. Dit thema is actueel vanwege het feit dat een niet-sacramenteel huwelijk niet absoluut onontbindbaar is. Als dus een huwelijk van een gedoopte in bepaalde gevallen mogelijk geen sacrament zou zijn, zou dat huwelijk kunnen worden ontbonden 'ten gunste van het geloof'. Voor sommigen lijkt dit een uitweg te zijn in de discussie over het toelaten van hertrouwde gescheidenen tot de heilige communie en het zou de mogelijkheid bieden mensen die aan het sacramentele huwelijk nog niet toe zijn, een niet-sacramenteel huwelijk te laten sluiten. Maar kan dat eigenlijk wel? En waarom heeft de kerk dit dan niet al toegestaan?

Om enige achtergrond te bieden bij de nu opnieuw ontstane discussies, geef ik hieronder een gedeelte weer uit mijn commentaar op het Huwelijksrecht, waarvan de Nederlandse uitgave al in 1995 is verschenen.

De katholieke Kerk heeft overigens het burgerlijk huwelijk in het verleden altijd als een echt huwelijk gezien, al stelt zij de eis dat katholieken een huwelijk voor de geldigheid in de kerkelijke vorm moeten sluiten. Een terechte vraag is hoe lang de Kerk daar nog mee door moet gaan nu het burgerlijk huwelijk zo sterk van inhoud is veranderd: in feite gaat het intussen bij een burgerlijk huwelijk over een heel andere werkelijkheid dan bij een katholiek kerkelijk huwelijk het geval is. Moet iemand die voor de burgerlijke stand getrouwd is, in principe ook voor de kerk gebonden zijn?

Hieronder dus de tekst van een gedelte uit ‘Huwelijksrecht’:

DE SACRAMENTALITEIT VAN HET HUWELIJK

Canon 1055 § 1 stelt:
"Het huwelijksverbond...is door Christus de Heer tussen gedoopten verheven tot de waardigheid van sacrament".
En § 2 voegt daar aan toe:
"Daarom kan er tussen gedoopten geen geldig huwelijks­con­tract bestaan zonder dat dit door dit feit zelf sacrament is".

Altijd onontbindbaar en sacramenteel?

Hier wordt de tekst van canon 1012 van de codex van 1917 herhaald. De veranderingen in de eerste paragraaf van het geciteerde gedeelte, betreffen alleen de zinsbouw, omdat een definitie van het huwelijk is ingevoegd die in het oude wetboek ontbrak.

Het besluit tot het handhaven van deze teksten werd reeds in het begin van de werkzaamheden van de voor­be­rei­dings­com­mis­sie (die de tekst van het kerkelijk wetboek moest voor­be­rei­den) genomen. De suggestie van een bischoppen­con­fe­ren­tie en een uni­ver­si­teit om de onlosmakelijke band tussen contract en sacrament opnieuw te bezien of die zelfs niet opnieuw te bevestigen, werd door de commissie niet overgenomen. De commissie was unaniem van mening dat het haar taak was te werken binnen de algemeen aanvaarde theologische vooronder­stel­lingen.

De Inter­nationale Theologische Commissie en het Huwelijksrituale

Toch had deze suggestie een achtergrond. In 1977 keurde de Inter­nationale Theologen­com­mis­sie zestien stellingen van G. Martelet over het sacrament van het huwelijk goed in forma generica. Bovendien publiceerde zij zelf een document over dit thema. In dit laatste document stelde de commissie dat enig per­soon­lijk geloof nodig is om een geldig sacramenteel huwelijk aan te gaan, een stelling die bevestigd lijkt te worden door de Praenotanda van het huwelijksrituale. Wel erkende de commissie, dat op een huwelijk lijkende verbintenissen van gedoopten zonder per­soon­lijk geloof dan ook geen huwelijk zijn, al leek zij er enige plaats voor in te ruimen.

De bis­schop­pen­synode van 1980

De bis­schop­pen­synode over huwelijk en gezin (1980) vroeg vervolgens om nader te onderzoeken in hoeverre een per­soon­lijk geloof noodzakelijk is voor de geldigheid van het sacrament van het huwelijk. De intentie om te doen wat de Kerk doet, scheen de synodevaders niet aanwezig te kunnen zijn, tenzij er sprake is van tenminste een minimale intentie om ook met de Kerk te geloven. De synode stelde voor, dat in het kerkelijk wetboek rekening zou worden gehouden met de noodzaak van geloof om een geldig sacramenteel huwelijk aan te gaan en dat zou worden onderzocht of een geldig huwelijk tussen gedoopten altijd een sacrament moest zijn. Dit waren suggesties met vérstrekkende gevolgen. Wanneer huwelijken van gedoopten zonder voldoende per­soon­lijk geloof van beiden, niet sacramenteel zouden zijn maar wel geldig, zou een gelovige partner in een moreel aanvaardbare situatie leven, die huwelijksverkeer niet uitsloot, terwijl toch de mogelijkheid van ontbinding van de huwelijksband open zou blijven.

De codex-commissie

Ook in de plenaire zitting van 1981 van de commissie voor de herziening van de codex kwamen enkele vragen aan de orde over de band tussen contract en sacrament. De canon zou iets moeten zeggen over het geloof dat voor de viering van een sacramenteel huwelijk is vereist, zo stelden enkele bis­schop­pen onder verwijzing naar de synode. Het antwoord van het secretariaat en de consultoren hierop was, dat de canon de traditionele leer tot uitdrukking brengt zoals die verschillende malen door het pauselijk leergezag is uiteengezet en die terecht als katholieke, dat is: theologisch zekere, leer wordt gezien. Deze katholieke leer kan niet door de wetgeving worden gewijzigd, tenzij nadat een uitdrukkelijke verklaring van het autenthiek leergezag van de Kerk daarover is gegeven. De canon geeft overigens alleen aan, dat contract en sacrament bij het huwelijk tussen gedoopten niet kunnen worden gescheiden; de voorwaarden voor het ontvangen van het sacrament worden daar echter niet aangegeven. In deze reactie werd er bovendien op gewezen dat men een sacrament geldig en toch onvruchtbaar kan ontvangen. In de codex van 1983 zou derhalve de tekst van het wetboek van 1917 worden overgenomen.

Familiaris Consortio

Omstreeks dezelfde tijd verscheen de apos­to­lische exhortatie Familiaris consortio als vrucht van de bovengenoemde synode. Daarin beantwoordt de paus de suggesties van de synodevaders ten aanzien van het huwelijk van niet-gelovige gedoopten:

"Door het doopsel zijn man en vrouw inderdaad definitief ingelijfd in het nieuwe en eeuwige verbond, in het verbond van de bruiloft van Christus met de Kerk. En het is wegens deze onverwoestbare inlijving dat de intieme gemeen­schap van leven en huwelijks­liefde, die ingesteld is door de Heer, wordt verheven en opgenomen in de huwelijks­liefde van Christus en wordt bevestigd en verrijkt door haar verlossende kracht." (nr. 13).

"Onder de sacramenten heeft het sacrament van het huwelijk de specifieke eigen­schap dat het sacrament is van een realiteit die reeds in het scheppingsplan bestaat, dat hetzelfde echtelijke verbond is dat de Schepper 'in het begin' heeft ingesteld. (...) Men moet echter niet vergeten dat deze verloofden krachtens hun doopsel reeds werkelijk ingelijfd zijn in het verbond van de bruiloft van Christus met de Kerk en dat ze door de recht­schapenheid van hun intentie het plan van God met het huwelijk hebben aanvaard en derhalve minstens stilzwijgend instemmen met wat de Kerk bedoeld te doen, wanneer zij het huwelijk sluit. (...) Het brengt bovendien ernstige risico's mee nadere criteria te willen vaststellen voor de toelating tot de kerkelijke sluiting van het huwelijk, criteria die de mate van geloof van de huwenden zouden moeten betreffen. (...) Wanneer daarentegen de huwelijkskandidaten, niettegenstaande alle pogingen, blijk geven op uitdrukkelijke en formele manier af te wijzen wat de Kerk bedoelt te doen als zij het huwelijk van gedoopten viert, dan kan de zieleherder hen niet toelaten tot de sluiting. (...)...dat, als de zaken zo staan, het niet de Kerk is maar zijzelf die de kerkelijke sluiting verhinderen waarom zij vragen"(nr.68).

Ook de huidige canon stelt derhalve dat er geen geldig huwelijk kan bestaan tussen twee gedoopten dat niet tegelijkertijd een sacrament is.

Achtergrond van de discussie: de vragen

Welke zijn nu de bezwaren tegen deze onscheidbaarheid van contract en sacrament, die na het concilie tot deze vragen en suggesties hebben geleid?

De pastorale achtergrond van deze discussie was meestal de zorg een oplossing te vinden voor de gedoopten die niet gelovig zijn, en voor het groeiend aantal huwelijken dat stuk loopt. Als hun verbintenis een natuurlijk huwelijk zou kunnen zijn, zou de Kerk het huwelijk nog kunnen ontbinden. Deze gedoopten die niet gelovig zijn, zouden door de onscheidbaarheid van contract en sacrament worden verplicht een sacrament te ontvangen, wat zij niet wensen, of geen geldig huwelijk kunnen aangaan. De vrijheid van geweten en het recht om te huwen lijken hierdoor te worden aangetast. Bovendien is een sacrament een geloofsteken. Men vroeg zich af hoe men dit zonder geloof kon ontvangen? En moet de Kerk zich dan laten gebruiken en mensen terwille zijn die alleen om oneigenlijke redenen in de kerk willen trouwen? De uitspraken die de pausen in de loop der geschiedenis over de onscheidbaarheid van contract en sacrament hadden gedaan, zouden tegen hun politieke achtergrond moeten worden gezien.

In Frankrijk kwam het tot experimenten met niet-sacramentele huwelijks­vieringen voor gedoopten die niet praktizeerden, maar hun verbintenis wel met een religieus gebaar wilden beginnen. Op 2 juni 1978 ontkende de H. Stoel hiervoor toestemming te hebben gegeven.

Met het verschijnen van het wetboek van canoniek recht in 1983 werd enigszins aan deze bezwaren tegemoet gekomen: katholieken die de katholieke kerk door een formele akt hebben verlaten, zijn sinds het van kracht worden van deze codex niet meer tot een huwelijkssluiting in de canonieke vorm gehouden (c. 1117). Zij kunnen derhalve een geldig huwelijk sluiten zonder tussenkomst van de kerk. Dit huwelijk is echter, wanneer het tussen twee gedoopten wordt aangegaan, wèl sacramenteel. De geciteerde tekst van Familiaris consortio 68 was eveneens een antwoord op een aantal van de bezwaren.

Ont­wik­ke­ling van de kerkelijke leer

Tot aan de 18e eeuw bestond er geen duidelijke uitspraak van het kerkelijk leergezag over de "onscheidbaarheid van contract en sacrament". Na het concilie van Trente, dat had vastgesteld dat het huwelijk een sacrament is, verdedigden verschillende theologen de theorie van Melchior Cano volgens welke de zegen van de priester de "forma" was van het sacrament, terwijl het huwelijksverbond ("contract") daarvoor de "materia proxima" was. Zo brachten zij dus een zekere scheiding aan tussen contract en sacrament. Onder de theologen die met een zekere waardering over deze theorie spraken, bevond zich ook Benedictus XIV (+ 1758), die echter in een pauselijk document de eenheid van contract en sacrament leerde. In die tijd van de absolutistische vorsten begon men bovendien te verdedigen dat het huwelijk als contract onder de competentie van de Staat viel en alleen het sacramentele karakter als iets bijkomstigs tot de bevoegdheid van de kerkelijke overheid behoorde. De Kerk kon, na de juridische regeling van het huwelijk door de Staat, alleen toe­ge­voegde bepalingen geven die het bovennatuurlijk karakter van het huwelijk betroffen, aldus deze "regalisten" (exponenten van het gallicanisme en josephinisme). Zo had de paus geen recht om huwelijksbeletselen vast te stellen. Radicale regalisten zoals de later Anglicaan geworden aarts­bis­schop M. A. De Dominis (1560-1624), ontkenden zelfs de sacramentaliteit van het huwelijk in navolging van het protestantisme. Eerst vanaf het einde van de achttiende eeuw wordt het huwelijk door positivistische en rationalistische stromingen als een louter profane aan­gele­gen­heid gezien. Dan wordt ook het blijvend karakter van het huwelijk en de noodzaak van monogamie in twijfel getrokken. In de Synode van Pistoia (1786) kwamen de genoemde regalistische - naast febroniaanse - tendensen scherp tot uiting.

In deze situatie reageerden de pausen en bevestigden de competentie van de Kerk in huwelijkszaken "omdat het huwelijks­con­tract werkelijk en in eigenlijke zin een van de zeven sacramenten van de evangelische wet is". Het accent ligt hier dus op de competentie van de Kerk in huwelijkszaken. Paus Pius IX (1846-1878) sprak zich verschillende malen over deze kwestie uit. In 1852 verklaarde hij, "dat er tussen gelovigen geen huwelijk kon bestaan zonder dat het tegelijkertijd een sacrament is; en dat daarom onder christenen iedere andere verbintenis van man en vrouw buiten het sacrament, ook als die krachtens de burgerlijke wet is aangegaan, niets anders is dan een schandelijk en verderfelijk concubinaat". In de Syllabus errorum veroordeelde hij de stellingen dat contract en sacrament konden worden gescheiden en dat het sacramentele karakter van het huwelijk alleen in de zegen van de priester gelegen was. Paus Leo XIII (1878-1903) had bij het eerste Vaticaans concilie al als wens geuit dat de con­ci­lie­vaders tegenover het invoeren van het civiele huwelijk op vele plaatsen, de leer zouden vaststellen dat een geldig huwelijk tussen twee gelovigen altijd een sacrament is en dat sacrament en contract niet zouden kunnen worden gescheiden. Op 10 februari 1880 publiceerde hij de encycliek Arcanum divinae sapientiae waarin hij verklaart dat in het christelijk huwelijk contract en sacrament niet van elkaar kunnen worden gescheiden en dat er dus geen werkelijk en wettig contract kan bestaan, zonder dat het door dit feit zelf een sacrament is ("... quin sit eo ipso sacramentum"), want Christus de Heer heeft het huwelijk verheven tot de waardigheid van sacrament. Ook in andere brieven en toespraken kwam de paus tot dezelfde stellingname. Canon 1012 van de codex van 1917 heeft deze leer overgenomen, die daarna door het Leergezag verschillende malen is herhaald.

Redenen voor de bevestiging dat huwelijk van gedoopten altijd sacrament is

Het is dus juist dat de onscheidbaarheid van contract en sacrament is bevestigd in reactie op stromingen die een scheiding wilde aanbrengen om het gezag van de burgerlijke overheden in deze materie te versterken. Vanaf paus Pius IX krijgt het duidelijk een breder dimensie. Het gaat niet meer alleen om het veroordelen van bepaalde regalistische theoriëen, de paus noemt bij­voor­beeld ook uitdrukkelijk het standpunt van de theoloog Melchior Cano.

De redenen waarom het huidige Wetboek van canoniek recht bevestigt dat een geldig huwelijk tussen gedoopten altijd een sacrament is, zijn vooral gelegen in de eigen aard van het huwelijks­sa­cra­ment: het is het natuurlijk huwelijk dat door Christus is gemaakt tot een sacramenteel teken, dat het verbond van liefde en trouw uitdrukt van Christus met Zijn Kerk. De mogelijkheid dat het huwelijk een sacramenteel teken is, wordt gegeven met het Doopsel. Die bovennatuurlijke dimensie van werkzaam teken te zijn van een heilswerkelijkheid, is een objectief gegeven: omdat man en vrouw door het doopsel een "nieuwe schepping" geworden zijn, is hun huwelijk een sacramentele realiteit. Ook als de genade van dit sacrament niet vruchtbaar kan worden, blijft het huwelijk sacramenteel wanneer man en vrouw huwen binnen de nieuwe scheppingsorde. Voor twee gedoopten blijft de roeping om hun huwelijk christelijk gestalte te geven dus altijd bestaan krachtens het sacramentele karakter van hun verbond. Voor de geldigheid van het huwelijk is voldoende dat de gedoopte huwenden de impliciete intentie hebben om een waarachtig huwelijk aan te gaan. Dit huwelijk is sacramenteel van karakter door het doopsel dat zij hebben ontvangen. De Kerk bevestigt de onscheidbaarheid van contract en sacrament dus niet uit opportuniteitsgronden maar op leerstellige basis. Ook bij andere sacramenten, zoals het doopsel en vormsel, is altijd de intentie bij de bedienaar nodig "om te doen wat de Kerk doet", maar niet altijd een per­soon­lijk geloof.

Terug