Arsacal
button
button
button
button


Betekenis van het Godgewijde leven in de Kerk

Vrouwelijke religieuzen bijeen in Heiloo

Nieuws - gepubliceerd: zaterdag, 11 april 2015 - 3499 woorden
groepsfoto na afloop van de vbespers (1) en de kapel (2)
groepsfoto na afloop van de vbespers (1) en de kapel (2)

In het kader van het jaar van het gewijde leven orga­ni­seer­den de blauwe zusters (de zusters van het mens­ge­wor­den Woord) op zater­dag 11 april in Heiloo een dag voor een groep vrouwe­lijke reli­gi­euzen over de roe­ping van de reli­gi­euzen. Er waren zusters van ver­schil­lende commu­ni­teiten uit ons bisdom, zoals de Bene­dic­ti­nessen van Aalsmeer, de Au­gus­ti­nessen van Heem­ste­de, de Julianazusters, de karme­lie­tes­sen van het God­de­lijk Hart en uit Dordrecht zusters van Maria Stella Matutina, een nieuwe con­gre­ga­tie. Bij deze gelegen­heid heb ik de volgende lezing gehou­den.

De bete­ke­nis van het God­ge­wijde Leven in de Kerk

Inlei­ding

Het God­ge­wijde leven hoort wezen­lijk bij het leven van de Kerk. Dat leert het tweede Vati­caans concilie in de dog­ma­tische con­sti­tu­tie over de Kerk Lumen Gentium. Het zesde hoofd­stuk van dit do­cu­ment gaat over de reli­gi­euzen en dit gedeelte gaat on­mid­del­lijk naar de kern van dat reli­gi­euze leven (LG 43): het is een bele­ving van de evan­ge­lische raden van de aan God gewijde kuis­heid, de armoede en de ge­hoor­zaam­heid, die gebaseerd is op de woor­den en het voor­beeld van de Heer zelf en een God­de­lijke gave is. De Kerk heeft deze gave aanvaard en zij bewaart die met de hulp van Zijn genade. De Kerk kan de bele­ving ervan regelen en bepaalde vormen goed­keu­ren, maar zij zou het God­ge­wijde leven nooit kunnen afschaffen. Het God­ge­wijde leven - waar­van het reli­gi­euze leven een zeer be­lang­rijke vorm is - bestaat wezen­lijk uit een beleven van de drie evan­ge­lische raden en behoort tot het leven en de hei­lig­heid van de Kerk (LG 44,5).

Het God­ge­wijde leven is dus een wezen­lijk onder­deel van de Kerk en op het wel­zijn van de Kerk, Lichaam van Christus, gericht, hoewel niet hië­rar­chisch. Het God­ge­wijde leven ver­te­gen­woor­digt één van de twee centrale en fun­da­men­tele aspecten - hiërarchie en hei­lig­heid - van het ker­ke­lijk leven.

1. De bete­ke­nis van het God­ge­wijde leven in de ge­schie­de­nis van de Kerk

Het God­ge­wijde leven heeft steeds een be­lang­rijke plaats ingeno­men in het leven van de Kerk. De vernieu­wing van het ker­ke­lijk leven is vele malen geko­men door het God­ge­wijde leven. Kloos­ter­lingen bewerkten vaak een keer­punt in de ge­schie­de­nis van de Kerk.

Bijna aan de oorsprong van het God­ge­wijde leven staat de H. Antonius Abt (251-356), in Midden-Egypte geboren uit wel­ge­stelde chris­te­lijke ouders. Hij moet ongeveer acht­tien jaar oud zijn geweest toen hij - na de dood van zijn beide ouders - de zorg kreeg voor zijn jon­gere zus. Op een dag hoorde hij in de kerk het evan­ge­lie voorlezen van de rijke jonge man. Hij besloot te doen wat die rijke jongeling niet had gedaan en trok zich buiten het dorp waar hij woonde terug om zich daar aan ascese te wij­den, samen met enkel andere kluize­naars die daar leef­den. Gelei­de­lijk trok hij zich steeds ver­der terug en leefde uit­ein­delijk meer dan twin­tig jaar in de woes­tijn op een berg niet ver van de rode zee. Tweemaal is hij uit de verlaten­heid naar Alexandrië geko­men: de eerste keer om tij­dens de christen­ver­vol­ging van 311 de gevangen en ter dood ver­oor­deelde chris­te­nen moed in te spreken en een tweede keer in 337 om op verzoek van de gees­te­lijk­heid in het open­baar tegen de Arianen op te tre­den, die de Godheid van Christus loochen­den. Het gezag van die beroemde en hoogbe­jaarde kluize­naar droeg ertoe bij om het Arianisme te over­win­nen! Hiermee gaf Antonius een voor­beeld dat door andere kluize­naars werd nage­volgd: zij leefde verstorven en terugge­trok­ken, maar als de nood hoog was kwamen zij uit hun een­zaam­heid om de Kerk en haar gelo­vi­gen te hulp te komen. Zij waren zich ervan bewust dat hun roe­ping uit­ein­delijk Ecclesiaal was...

Vele kerk­va­ders volg­den dit voor­beeld. Johannes Chrysostomos (349/350-407) bij­voor­beeld leefde vier jaar als cenobi­tisch kloos­ter­ling en twee jaar als anachoreet voordat hij diaken en pries­ter werd. Basilius van Caesarea (329/330-379), die als monnik leefde op een land­goed van zijn familie, wordt wel de vader van het oosters monnikendom genoemd. Nog steeds leven vele kloos­ter­lingen volgens de regel die hij schreef. Ook hij werd bis­schop en net als Chrysostomos en eer­der Antonius keerde hij zich tegen het Arianisme en trachtte hij de een­heid van de Kerk te dienen.

Het zijn de monniken die in deze periode van de kerkge­schie­de­nis een grote invloed hebben gehad op het behoud van de orthodoxie, met name in de strijd tegen het Arianisme.

Bene­dic­tus van Nurcia (rond 480 - 547) is één van de patronen van Europa, door paus Paulus in 1964 als zodanig uit­ge­roe­pen. Paus Johannes Paulus II voegde daar later andere patronen bij: de heilige Cyrillus en Methodius als ver­te­gen­woor­digers van Oost-Europa (1980) en de heilige Birgitta van Zweden, de heilige Catharina van Siëna en de heilige Theresia Benedicta a Cruce (Edith Stein) in 1999. Zij zijn gekozen omwille van hun diep­gaande invloed op en uit­ne­mend belang voor de Europese cultuur. Op­val­lend is dat allen kloos­ter­lingen zijn! Deze heilige patronen maken tevens dui­de­lijk dat de grote gees­te­lij­ke impulsen niet alleen van mannen afkoms­tig zijn; vrouwen hebben hierin een grote rol gespeeld. Dat zien we ook in het leven van de heilige Bene­dic­tus, naast wie zijn zus Scholastica stond, en in de ge­schie­de­nis van de Bene­dic­tijner kloosters.

Bene­dic­tus leefde even­eens op een keer­punt van de ge­schie­de­nis. Op jonge leef­tijd kwam hij naar Rome om te stu­de­ren. Hij beleefde daar sterk de deca­dentie, het gees­te­lijk verval van de stad en kwam tot beke­ring. Daarna sloot hij zich bij een groep asceten aan, leefde drie jaar als kluize­naar in een grot in Subiaco en stichtte ver­vol­gens een twaalftal kloosters voor monniken die hem volg­den. Daarna trok hij naar Montecassino, waar hij in een nieuwe geest begon en de regel schreef die tot op de dag van vandaag aan het leven van vele abdijen ten grond­slag ligt. Vanuit die bene­dic­tijnse abdijen kwam de grote impuls die het ker­ke­lijk leven en heel de samen­le­ving vernieuwde: mis­sio­ne­ring, onder­wijs, land­bouw, cultuur, de invloed die van de Bene­dic­tijner­ab­dijen is uit­ge­gaan, kan moei­lijk te hoog wor­den geschat.

De heilige Norbertus van Gennep (of van: Xanten, omdat Gennep toen tot het aartsdiaconaat Xanten behoor­den, 1080/85-1134)) was kanun­nik in Xanten en daarna in Keulen. Deze kanun­niken leef­den in de wereld en leid­den vaak een werelds, weel­derig leven. Zij maakten deel uit van een Kerk die sterk onder invloed van wereldse heersers stond en zelf ver­we­reldlijkt was. Hier komt opnieuw een nieuwe impuls door het God­ge­wijde leven: Norbertus komt met een nieuwe vorm van regulier canonicaal leven, dat wil zeggen dat zij een klooster­regel volg­den en de ge­meen­schap hun gees­te­lij­ke basis was. Tege­lijk namen zij afstand van rijkdom en werelds leven en trokken zij rond als een arme van Christus, predikend en in pas­to­raal contact met de mensen; zo her­vorm­den zij het ker­ke­lijk leven, ruim­den mis­bruiken uit de weg en evangeliseer­den.

Een eeuw later werd Fran­cis­cus van Assisi (1181/1182-1226) geboren. Hij leefde in een tijd dat het - weer - niet al te goed ging met de Kerk: rijkdom, ver­we­reldlij­king, een groeiende afstand tussen hiërarchie en volk. Het is de tijd van de kruis­tochten, de katharen - een volks­be­we­ging die een zuiver chris­ten­dom wilde beleven tegen de Kerk en haar hiërarchie en dualis­tisch een goede en een boze macht in de schep­ping zag - en een armoede­be­we­ging die zich gelei­de­lijk ook tegen de kerk ging keren. In deze tijd hoorde Fran­cis­cus de woor­den: “Zie je niet hoe mijn huis tot een ruïne vervalt. Herstel mijn kerk”. Aanvanke­lijk verstond hij deze woor­den als een opdracht om het kerkje van San Damiano te her­stel­len, maar gelei­de­lijk werd hem dui­de­lijk dat het om een veel bre­dere opdracht ging. Fran­cis­cus stond met de stich­ting van zijn orde aan de ene kant in een traditie die al eer­der was be­gon­nen en die zich bij­voor­beeld ook in de kruis­beel­den uitdrukte: een arme, men­se­lijke, lij­dende Christus navolgen, was Fran­cis­cus’ ideaal. Daarbij kwamen andere contemporaine idealen bij hem terug, zoals die van de kruis­tocht­spi­ri­tua­li­teit: Fran­cis­cus ging in Noord-Egypte de kruisvaar­ders bezoeken, maar alles kreeg in Fran­cis­cus’orde ook een nieuwe kant, een andere optiek: zo ging hij vreed­zaam naar de sultan in Marokko toe om hem Christus te ver­kon­di­gen, hij voelde zich één met heel de schep­ping die hij echter als goed zag en niet dualis­tisch zoals de Katharen dat zagen en hij zag de hiërarchie - ook al was hij bepaald niet blind voor haar fouten - als door God gewild. Met zijn broe­ders vernieuwde hij het kloosterleven: zij wer­den rondtrekkende, predikende armen. De impuls die Fran­cis­cus heeft gegeven, gaat tot op de dag van vandaag door. Ook onze hui­dige paus laat zich door hem in­spi­re­ren om van de Kerk een Kerk van de armen te maken.

In de re­for­ma­tie werd door de grote her­vormers als Luther en in zekere zin ook Calvijn de nadruk gelegd op de per­soon­lijke ver­hou­ding van de mens met God. Volgens hen wordt het heil niet doorge­ge­ven door de Kerk en door de sacra­menten en de primaire gericht­heid is dus niet op de ge­meen­schap. Het gaat om de per­soon­lijke band van de mens met God: het is God die de zon­den van de mens bedekt en die mens wordt door het geloof gerecht­vaar­digd. Luther noemde de katho­lie­ke Kerk met de paus de hoer van Babylon; de ware kerk waren de harten en zielen verenigd in Christus. Men keert zich dus in zekere zin af van de sociale kerk­ge­meen­schap en keert zich naar het individu, een ver­schijn­sel dat ook wel de antropo­lo­gische wen­ding is genoemd en dat zich in zekere zin doorzet in het indi­vi­dua­lis­me van de hui­dige maat­schap­pij. In deze ver­an­de­ringen zitten min­der goede en goede ele­menten. Juist in de spiri­tua­li­teit van de in­sti­tu­ten van God­ge­wijd leven die na de re­for­ma­tie gingen ontstaan, vin­den we een katho­liek-gelovig ant­woord op deze antropo­lo­gische wen­ding. Aan de in­spi­ra­tie waar­mee de heilige Ignatius van Loyola de Jezuiëten-orde stichtte ligt bijvor­beeld een inzicht over de onder­schei­ding der geesten die aan de basis staat van zijn Gees­te­lij­ke Oefe­ningen: onder­zoekt de geesten of ze uit God zijn, had de heilige apostel Paulus al gezegd. Dat werd door Ignatius heel direct-per­soon­lijk toegepast: hij merkte dat het lezen van rid­der­ro­mans hem uit­ein­delijk leeg achterliet en dat het lezen van een heiligenleven ook na het lezen een vrede en vreugde achterliet. Vanuit de onder­schei­ding der geesten ont­wik­kelde hij de Gees­te­lij­ke Oefe­ningen die bij­zon­der helpen om de per­soon­lijke band met Christus te ont­wik­ke­len, Hem te volgen en te dienen. Opnieuw stond het cha­risma van een orde aan de wieg van een nieuwe fase in en een opbloei van het leven van de Kerk. Nu komt het God­ge­wijde leven geheel in dienst te staan van het apos­to­laat. De Jezuïeten kennen zelfs een verbod op het ge­za­men­lijk bid­den van de getij­den! Deze orde is sterk in­di­vi­dueel - daarin volg­den de Jezuïeten in feite een ten­dens van de tijd - maar dat indi­vi­dua­lis­tische staat in dienst van en is gericht op het apos­to­laat. Hun klooster is veeleer een huis waar zij samen­wo­nen om gemeen­schap­pe­lijk de voor­zie­ningen te hebben die het apos­to­laat moge­lijk maken.

Ik ga met zeven-mijls-laarzen door de ge­schie­de­nis. Dit over­zicht is alleen bedoeld om dui­de­lijk te maken en ons bewust te laten wor­den hoe Onze Lieve Heer Zijn Kerk door steeds nieuwe cha­risma’s heeft geleid en hoe die in­sti­tu­ten van God­ge­wijd leven de Kerk op cruciale momenten hebben vernieuwd.

In de negen­tien­de en twin­tigste eeuw kwam weer een nieuwe fase. De samen­le­ving ver­an­der­de dras­tisch. Niet lan­ger leefde de bevol­king groten­deels op het plat­te­land, waar het land werd bewerkt, maar woonde in ste­den en werkte in fabrieken en kantoren. Deze ver­an­der­de situatie maakte ook dat de mensen voor een be­lang­rijk deel van de dag niet meer bereik­baar waren voor gees­te­lij­ken kloos­ter­lingen. Zij ver­keer­den daar waar gees­te­lij­ken geen toegang had­den. Daarbij begon een proces van seculari­sa­tie: veel mensen vervreemd­den van het ker­ke­lijk leven en uit­ein­delijk ook van God. Zij leef­den ver van God en Kerk. Dit inspireerde tot tal van ini­tia­tie­ven: er wer­den vele reli­gi­euze con­gre­ga­tie gesticht die direct werk­zaam waren op plaatsen waar de mensen verbleven: in zieken­hui­zen, scholen, in de thuis­zorg enzo­voorts. Zo wer­den de mensen toch bereikt. Nog ging dat niet altijd ver genoeg. Er ontston­den God­ge­wijde in­sti­tu­ten die niet lan­ger uit­gingen van herken­baar­heid, afschei­ding van de wereld en anders-zijn. De leden van seculiere in­sti­tu­ten leef­den vanuit hun roe­ping en op basis van de drie evan­ge­lische raden met en onder de mensen in school, kantoor of fabriek of waar dan ook. De roe­ping en de toe­wij­ding aan God waren alleen aan de binnen­kant zicht­baar voor het oog van God, maar de leden leven als zuurdesem in en door de wereld, zon­der de bescher­ming van een ge­meen­schap of reli­gi­euze kle­ding. Deze vorm werd in 1947 door de paus goedge­keurd.

Gelei­de­lijk is in de twin­tigste eeuw meer besef geko­men van de Kerk als ge­meen­schap, waarin alle gedoopten met elkaar verbon­den zijn, ieder met zijn eigen roe­ping. De over­tui­ging groeide dat niet moest wor­den gedaan of de pries­ters en de reli­gi­euzen de Kerk waren en de andere gelo­vi­gen slechts “klanten van de Kerk”, maar dat de over­tui­ging dat alle gelo­vi­gen delen in de zen­ding van de Kerk, die uit­ein­delijk door het tweede Vati­caans concilie dui­de­lijk is uit­ge­spro­ken (LG 33,2), dui­de­lijk gestalte moest krijgen in het leven van de Kerk. Dit is met name gebeurd in de grote bewe­gingen die zijn ontstaan. Ook binnen die bewe­gingen - en harmo­nisch deel daar­van uitmakende - zijn nieuwe vormen van God gewijd leven ontstaan.

Daar­naast blijven ook de grote oude in­sti­tu­ten de bijdrage geven van hun rijke spiri­tua­li­teit en apos­to­lische inzet en komen er nieuwe reli­gi­euze in­sti­tu­ten op die eigen ant­woor­den geven op de grote gees­te­lij­ke noden van onze tijd.

En zo zal het ver­der gaan: God ant­woordt in iedere tijd op de steeds ver­an­de­rende noden van de Kerk met nieuwe cha­risma’s, nieuwe ini­tia­tie­ven, nieuwe vormen van God­ge­wijd leven.

2. Het God­ge­wijde leven in het tweede Vati­caans concilie

Het tweede Vati­caans concilie heeft het belang van het reli­gi­euze leven in de Kerk onder­streept. Dat heeft het niet gedaan door het te karakte­riseren als een staat van volmaakt­heid, dus een weg die een volmaaktere levens­staat biedt dan het gewone leven en die dus ook een meer zekere weg naar de hemelse zalig­heid biedt. Het concilie heeft dui­de­lijk aange­ge­ven dat het reli­gi­euze leven niet een soort “tussenstand” is tussen leken en gees­te­lij­ken. Reli­gi­euzen zijn geen halve pries­ters, maar hun levens­staat gaat om een toe­wij­ding aan God en in die zin om een vernieu­wing en ver­die­ping van de doopgenade, om een roe­ping, een gave, een diepere verbin­ding met het mysterie van de Kerk en om een dienst aan de heilszen­ding van de Kerk (LG 43,2 en 44).

Reli­gi­euzen wor­den door hun toe­wij­ding dieper met het mysterie van de Kerk verbon­den en daaruit vloeit de ver­plich­ting om naar moge­lijk­heid en in overeenstem­ming van de eigen roe­ping van het instituut door gebed of ook door actieve apos­to­laats­werken het Rijk van Christus in de zielen te laten wor­telen en te ver­ster­ken (LG 44,2). De reli­gi­euze staat legt ge­tui­ge­nis af van het hemelse leven en tege­lijk van het een­vou­dige leven van Jezus die kwam om de wil van de Vader te doen (LG 44,3). Hoe reli­gi­euzen het leven van Jezus te­gen­woor­dig stellen, moet afhangen van de de geest van de stichter van het reli­gi­euze instituut (LG 45, 1: “secundum spiritum fundatorum crescant atque floreant”). Of zij nu Christus te­gen­woor­dig stellen die bidt en overweegt op de berg, of Christus die het rijk van God aan de menigten verkon­digt, of de zieken en gewon­den geneest, de zon­daars bekeert, de kin­de­ren zegent of allen weldoet, waar het accent ook op moge liggen, ieder instituut, iedere reli­gi­eus is ge­roe­pen Christus zicht­baar te maken aan gelo­vi­gen en ongelo­vi­gen (LG 46,1). Het tweede Vati­caans concilie be­klem­toont dus de bete­ke­nis van de geloften (of andere heilige ban­den) op de drie evan­ge­lische raden en de ker­ke­lijke dimensie van dat reli­gi­euze leven, met name dat de reli­gi­euzen bijdragen aan de zen­ding van de Kerk door het leven van Jezus te leven. Daarbij wordt dan ook de nood­zaak van een­heid met de bis­schop onder­streept en van de erken­ning van diens pas­to­rale gezag omdat er een­heid en een­dracht in het apos­to­laat moet zijn (LG 45, 2).

3. De bete­ke­nis van het God­ge­wijde leven voor de Kerk, nu en in de toe­komst

Wat kan de bete­ke­nis zijn van het reli­gi­euze leven in onze tijd en in de toe­komst? Veel reli­gi­euzen zijn oud gewor­den en hebben niet zoveel kracht meer. Veel apos­to­laats­werken die wer­den geleid door reli­gi­euzen zijn niet meer in han­den van een reli­gi­eus instituut.

Laten we aller­eerst nog even kijken naar de voor­naamste punten die paus Fran­cis­cus in zijn apos­to­lische brief aan dit bij­zon­dere jaar van het God­ge­wijde leven heeft meege­ge­ven en waar­mee hij de bij­zon­dere bete­ke­nis van het reli­gi­euze leven wil onder­stre­pen.

Die punten staan niet zover af van wat we op grond van het Concilie al even hebben aangestipt. God­ge­wij­den zijn ge­roe­pen in deze wereld een teken te zijn en we zien al wel aan Simeon en Hanna in de tempel, dat leef­tijd er daarbij absoluut niet toe doet, hoewel iedere leef­tijd zijn eigen gave heeft.

Hoe kunnen we nu zo’n teken van Christus zijn? Voor veel reli­gi­euzen zal het inder­daad niet meer moge­lijk zijn dat in apos­to­laats­werken te doen. Maar het eerste wat de paus heeft genoemd is niet dat, maar iets wat in ons zit: de vreugde. Laat onze kloosters en huizen plaatsen van vreugde zijn, laten wij allen mensen van vreugde zijn, niet somber, niet triest, zo zegt de paus, want de Kerk groeit niet door proselitisme maar door aantrek­kings­kracht. We zijn toch verlost? We hebben toch hoop? Wij zien toch toe­komst, een toe­komst die ligt in de hand van God? Dus: vreugde, een vreugde die sterker en groter is dan wat ons over­komt.

De bron van die vreugde is dat we het gelaat van Christus herkennen in alles, ook als we ons zwak voelen en pijn lij­den.“Wanneer ik zwak ben, ben ik sterk”, zei de apostel Paulus al (2 Kor. 12,10) en hoe we ook zijn en wat ons ook mag over­ko­men, we zijn geborgen in Gods hand, wij zijn mensen van hoop, wij kijken naar iets uit en naar Iemand, zoals Simeon en Hanna in de tempel.

We zijn dus ge­roe­pen een teken te zijn en dat noemt de paus tege­lijk onze profe­tische taak: maak de wereld wakker door plaatsen te scheppen waar de evan­ge­lische logica wordt geleefd. Dat is een andere logica dan die we om ons heen zien in de wereld van vandaag, die profe­tische wijze van leven vraagt om de gave van ons­zelf, om broe­der­lijk­heid, aanvaar­ding van elkaar, verdragen en weder­zijdse liefde.

Om dat te bereiken moeten we met Gods hulp proberen om - zoals de paus dat noemt - experts van ‘communio’ te zijn: erop gericht om mensen bij elkaar te brengen, te verenigen, samen te bin­den, één te blijven. Geen geroddel, geen afgunst, geen mentali­teit van kri­tiek, maar begrip en aanvaar­ding, in liefde open staan voor elkaar. Dat geldt niet alleen in onze eigen ge­meen­schap maar ook naar buiten toe: de profe­tische wijze van leven wil open staan voor ont­moe­ting met anderen en ge­meen­schap scheppen. Dus laten we in zoverre we kunnen en dat bij ons cha­risma past, naar buiten gaan.... naar de zieken, zwakken, ver­waar­loos­den, alleenstaan­den, jon­ge­ren, ge­zin­nen. Uit­ein­de­lijk nodigt paus Fran­cis­cus ons uit om ons­zelf te be­zin­nen - uit­gaande van ons verlangen om in dit leven, in de wereld, een teken van God te zijn - op deze vraag: Wat vraagt God van mij vandaag, vanuit het cha­risma van mijn Instituut? Hoe kan ik dat uitzien naar de Heer dat eigen is aan het God gewijde leven, in mijn bestaan gestalte geven?

Dit is wat paus Fran­cis­cus als een be­lang­rijke opdracht ziet voor de reli­gi­euzen in onze tijd.
Daarbij wil ik graag zijn woor­den onder­stre­pen met wat de heilige paus Johannes Paulus II eer­der heeft gezegd. Talloze malen heeft deze heilige paus op het belang van de nieuwe evangeli­sa­tie van Europa gewezen. Daarvoor bestaat geen uni­ver­seel recept, zo stelde deze paus. “Het is liefde wat de mannen en vrouwen van het gewijde leven aan hun tijd­ge­no­ten moeten geven. Het geheim van alle evangeli­sa­tie bestaat in de ontdek­king dat de liefde voor God omge­vormd moet wor­den in dienst aan de naasten. Dit is de reden waarom het geleefde ge­tui­ge­nis van zuivere en authen­tieke liefde de beste aanbevelings­brief is die een reli­gi­eus kan geven. Af en toe wordt deze brief gelezen en de getuige wordt waar­ge­no­men door iemand die Jezus Christus niet kent of die zich­zelf van de Kerk heeft verwij­derd” (17 nov. 2001).

Dus: de kern van het reli­gi­euze leven is het leven volgens de evan­ge­lische raden en het leven van Jezus lei­den, Christus te­gen­woor­dig stellen, die Gods liefde is tot het uiterste.

We moeten ons niet laten ont­moe­di­gen, de kerkge­schie­de­nis leert ons dat God in iedere tijd een nieuw ant­woord geeft op de noden van die tijd door nieuwe cha­risma’s te schenken.

Laten we ons er allen voor inzetten met vreugde en ver­trouwen dit concrete ge­tui­ge­nis van liefde in onze tijd te geven.

Terug