Arsacal
button
button
button
button


We zijn allemaal bedelaars....

Wat doen we met de vluchtelingen?

Overweging Preek - gepubliceerd: zondag, 30 augustus 2015 - 1293 woorden
In gesprek met de pelgrims
In gesprek met de pelgrims

Op de 22e zon­dag door het jaar (30m au­gus­tus) was ik in Banneux waar de dio­ce­sane bede­vaarten van Haar­lem-Am­ster­dam en Utrecht een ziekentriduum hiel­den. Gees­te­lij­ke leiders zijn voor ons bisdom pastoor Jules Dresmé en voor Utrecht vica­ris Hans Pouw. Het is altijd een mooi en in­spi­re­rend gebeuren daar in Banneux waar Maria als Maagd der Armen wordt vereerd. In dat kader ben ik tij­dens de Inter­na­tio­nale Mis ook even inge­gaan op het vraag­stuk van de vele vluch­te­lingen die naar Europa komen.

Hier­on­der vindt U de homilie. ’s Middags om 15.00 uur was de zieken­ze­gen waarbij de zieken meer per­soon­lijk wer­den gezegend met het heilig Sacra­ment. Het was een mooie, warme dag en we hebben heel wat zweetdruppeltjes in Banneux achter gelaten. Een dag van uitersten ook, want op weg erheen wer­den we overvallen door enorme regenval en een zo hef­tige hagelbui als ik nog niet eerder had mee­ge­maakt...

Homilie

Voeding

Beste pelgrims,

Ik ben blij U hier in Banneux te mogen begroeten.
Velen van U komen hier al zoveel jaren
en krijgen bij Maria
nieuwe kracht en overgave.
Te­gen­woor­dig zie je
aan de kant van de weg vaak
elektrische auto’s staan
die verbon­den zijn met een oplaad­punt
om elektrische voe­ding te krijgen.
Daarna kunnen ze weer verder.
Zo is het ook met ons.
Een bezoek aan Maria in Banneux
is een bezoek aan een oplaad­punt.
We staan hier even stil
en wor­den gees­te­lijk gevoed,
zodat we weer verder kunnen,
want het is be­lang­rijk
dat we af en toe let­ter­lijk
even afstand nemen.

Een bekertje water van een van de vele vrijwilligers
Een bekertje water van een van de vele vrij­wil­li­gers

Doordat we even weg gaan
naar een bete­ke­nis­volle plaats,
kijken we weer anders tegen ons leven aan
met nieuwe gedachten, met nieuwe moed
en de kracht voor de kruisen en kruisjes
die op onze weg zijn geko­men.
We komen hier als arme bede­laars
en Maria is de Maagd der Armen.
We hou­den ons hand op
en ons hart open:
“Zegen ons, Maria,
zegen mij uw kind.
Dat ik hier de vrede,
ginds de hemel vind.
Zegen al mijn werken,
zegen vreugd' en pijn,
breng, o Moeder zegen,
diepe vrede in mij”.

Bede­laars

Ik heb gezegd:
we komen hier als bede­laars.
Een bede­laar heeft zelf niet veel
en is af­han­ke­lijk van een milde gave
die iemand hem geeft.
Zo staan wij tegen­over God,
zo staan wij tegen­over Maria.

Vluch­te­lingen

Als we ons­zelf als zo’n bede­laar zien
als iemand die uit­ein­delijk een af­han­ke­lijke mens is,
kunnen we daarin ook verbon­den weten
met al die mensen in de wereld,
die zoveel slechter af zijn dan wij:
overal zijn mensen die wer­ke­lijk niets bezitten
en in nood verkeren;
zij hebben hulp hard nodig.
Nee, we mogen onze ogen niet sluiten,
ons hart niet verhar­den
als we horen van de nood
van zo vele vluch­te­lingen.
We mogen niet zeggen:
‘Dat gaat mij niets aan,
ben ik mijn broeders hoeder?’
Dat was het ant­woord van Kaïn,
weet U nog?

Gezinnen, chris­te­nen

Honderd­dui­zen­den mensen zijn op de vlucht
voor oorlog en geweld
vanuit Afrika, Syrië, Irak.
Hele gezinnen zijn erbij,
mensen die alles verloren hebben,
geld en goed,
kin­de­ren die geen toe­komst hebben,
mensen die een uiterst gevaar­lijke reis ondernemen,
die velen met de dood moeten bekopen.
Bepaalde groepen hebben het extra moei­lijk,
onder hen zijn onze mede-chris­te­nen.
Zij moeten al jaren dis­cri­mi­na­tie
en achter­stel­ling onder­gaan
omdat zij christen zijn,
velen zijn als marte­laar gestorven voor hun geloof.

Al die vreem­de­lingen...

Honderd­dui­zen­den mensen
trekken nu naar onze westerse lan­den toe,
hopend op vei­lig­heid en wel­vaart, een toe­komst;
velen zijn ontheemd door het oorlogs­ge­weld
en kloppen aan onze deur.
We kunnen daarbij weleens angs­tig zijn
voor al die vreem­de­lingen,
maar uit­ein­delijk zijn het allemaal mensen,
zoals U en ik
en het ant­woord dat we geven
zal inge­ge­ven moeten zijn
door de liefde.

Wat zou God doen?

Eigen­lijk staan wij allemaal
op dezelfde manier tegen­over God:
wij kunnen de hemel niet kopen,
we kunnen ons geluk niet verdienen,
zelfs ge­zond­heid en voorspoed
zijn niet te koop;
wij kunnen de dood niet vermij­den,
de dood is voor ie­der­een gelijk,
niemand heeft hier het eeuwige leven,
tegen­over God staan we als bede­laars.
En wat is Gods reactie?
Soms wer­den mensen opgevoed met de gedachte:
God ziet je,
kijk uit dat je niets ver­keerds doet
want Hij zal je straffen,
alleen als je goed doet
kom je in de hemel.
Als je maar bepaalde dingen doet,
als je houdt aan wetten en gebo­den,
dan zwaait de hemelpoort wel voor je open.

Maar eigen­lijk is het zo helemaal niet,
dit klinkt alsof we de hemel kunnen verdienen.
dan zijn we meer koopman of hande­laar
dan bede­laar.
Maar God werd mens
toen Hij de zonde van de mensen zag,
Hij werd mens
om voor ons te lij­den en sterven,
uit liefde!

Mensen van het verdien-model

Zulke mensen van het verdien-model
- de hemel kopen door netjes binnen de lijntjes te blijven -
had je ook in Jezus’tijd.
We hoor­den erover in het evan­ge­lie:
het zijn mensen die heel precies
allerlei rituele afwas­singen ver­rich­ten,
rein­heidswetten onder­hou­den
en allerlei andere uiter­lijke dingen doen.
Maar zij vergaten
dat dit helemaal niet de kern was,
dat het gaat om iets anders:
het gaat om ons hart,
het gaat om het besef
dat wij allemaal kin­de­ren zijn en bede­laars,
dat wij alles krijgen,
zonder het te verdienen,
dat God meer kijkt naar onze goede wil,
naar ons verlangen om een goed mens te zijn,
dan naar het feite­lijke re­sul­taat,
niet of je het allemaal haalt,
maar of je verlangt en je best doet
om een goed mens te zijn
vanuit de liefde tot God en de liefde tot de naaste,
dat telt.

Wie is heilig, wie is perfect?

Iemand die heel veel fouten maakt en zon­den doet,
kan een heiliger mens zijn
dan iemand die heel perfect is
en bij wie er geen rimpeltje of vlekje is.
Want het gaat om de liefde, onze inzet,
om onze ont­vanke­lijk­heid, onze overgave,
met het hart van een kind,
zoals Maria dat heeft voorgeleefd;
Een kind mag best een keer een foutje maken,
het krijgt mis­schien een standje,
moet even huilen
en gaat weer door.
Als een kind van God gevallen is
moet het weer opstaan,
even huilen mis­schien,
ver­ge­ving vragen en verder gaan.

Die Fari­zeeën en die Schrift­ge­leer­den
doen het allemaal heel perfect,
er is niets op hen aan te merken,
alleen hun hart
dat is verhard
en tot het kwaad geneigd.
Maar dan is die perfecte mens uit het evan­ge­lie
beslist geen bede­laar, geen kind,
niet iemand die alles van de hemelse Vader ont­vangt,
niet iemand die weet
dat hij iedere seconde van zijn leven
maar gekregen heeft....
dat je het leven tenslotte niet zelf bepaalt.
En daar gaat het uit­ein­delijk om.

Wees een bede­laar, een kind...

Voor een bede­laar
gaan in de hemel alle deuren open
en een kind glipt daar
door het kleinste kiertje binnen!
Dus: wees voor God, wees voor Maria
als een bede­laar!
Wees een kind.

Maria, maagd der armen

Dat leren we hier bij de Maagd der Armen.
Maria is klein en een­vou­dig
en ont­vanke­lijk als een kind.
Zij houdt haar hart en haar han­den geopend
voor God
en voor ieder van ons.
Maria kijkt naar ons met liefde;
zij begrijpt ons zo goed
als wij met onze noden
naar haar toe komen
omdat zij zelf als een arme dienst­maagd,
voor God heeft gestaan:
alles heeft zij van God ont­van­gen,
Zij leert ons geduld en overgave,
ook als wij mis­schien ongedul­dig wor­den
en God verwijten maken.

En zoals Maria tegen­over ons staat
als een moeder en vrouwe vol goed­heid,
zo wor­den wij weer uit­ge­no­digd
om tegen­over anderen te staan
tegen­over de bede­laars van deze wereld:
de mensen die in nood verkeren,
arm zijn, moeten vluchten,
met lege han­den voor ons staan.

Zeker, wij kunnen niet alles oplossen,
maar liefde en gebed
betekenen heel veel.

We hebben alles maar gekregen,
ons leven, ons geloof, al die mooie dingen;
voor niets hebben we ont­van­gen
en voor niets moeten we ook weer uit­de­len,
geven,
want we zijn allemaal maar bede­laars!

Moge Maria, de Maagd der Armen,
U allen zegenen
Amen.

Terug