Arsacal
button
button
button
button


Leven in de Geest van Jezus, hoe doe je dat?

Enkele tips als je gevormd bent

Je bent gevormd. Ik hoop dat het een mooie vie­ring is geweest en dat je nog weleens terug denkt aan het feest van jouw heilig vormsel.

Je hebt toen uit­ge­spro­ken dat je in de Geest van Jezus wilt leven. Daarvoor ben je gesterkt met de kracht van de heilige Geest. Je voor­hoofd werd gezalfd met het chrisma:

“Ontvang het zegel van de heilige Geest, de gave Gods”, werd er plech­tig bij gezegd. Maar hoe nu verder? Hoe doe je dat: leven in de Geest van Jezus?

Hier­on­der vind je tips.

1. Leven met God

Er zijn dingen die je moet doen, zoals naar school gaan of naar je werk of op zon­dag naar de kerk gaan of eten of bepaalde huishou­de­lijke taken opknappen, en er zijn dingen die je alleen uit vrije bewe­ging doet, omdat je ze voor­ge­no­men hebt. Na­tuur­lijk is het van belang dat je ook de dingen die je moet doet ergens uit vrije bewe­ging doet, omdat je aanvoelt dat het goed is om die te doen. Maar je moet ze tenminste doen uit een soort van plichtsbesef. Kard. Van Thuan schrijft: “Je plicht van staat, dat is de wil van God voor jou op dit moment”.

Ik heb eens een jongen gekend die prach­tige ideeën had, op artis­tiek, reli­gi­eus en eco­lo­gisch terrein. Hij kwam er zelfs ver­schil­lende malen mee in de krant. Maar hij kon ‘s morgens niet uit zijn bed komen en kwam afspraken niet na, dus kwam er niets van terecht.

Neem je niet voort­du­rend duizend dingen voor: zo van: ik zou dit eens moeten doen of dat, dit is ook nog goed. Neem je liever één of twee dingen voor die goed zijn en te verwer­ke­lijken en ga pas na een tijdje ertoe over om er een voornemen bij te maken. In ieder geval: zorg dat je voorne­mens rea­lis­tisch zijn en breng ze in praktijk, anders wordt het een soort dagdromerij of je wordt er onge­luk­kig door: ik neem me van alles voor en er lukt niks.

Geef niet op! Je loopt een wedstrijd om een prijs te halen. Onderweg krijg je scheuten in je zij, pijn in je enkels, je krijgt het warm, je hebt eigen­lijk helemaal geen zin om te lopen. Al deze over­we­gingen hebben maar één doel: je op te laten hou­den met de wedstrijd, zodat je zeker niet wint. Maar je moet door­gaan!

Maar waar­mee moet je dan door­gaan? Gewoon, “je plicht van staat vervullen”, de dingen doen die je moet doen, die bij jouw leven behoren, en die je je hebt voor­ge­no­men te doen. Dat is de basis. Als je iets doet waar je eigen­lijk niet zo’n zin in hebt, is dat mis­schien nog wel waarde­voller dan het mooiste gebed: als je dit aan God aanbiedt is het een offer. De offers die je van harte brengt vormen je. Ze maken je los van jezelf, maken je minder ik-gericht. Als je uit vrije wil een offer brengt, is dat als het ware een spaarpot voor slechte tij­den: doordat je gewend bent om offers te brengen, vallen ze je ge­mak­ke­lijker als je ze moet brengen. Vele mensen in de wereld slapen op de grond en voelen niks, maar de prinses uit het sprookje die altijd een zeer zacht dons-bed gewend was, lag al wakker van een erwt onder een dikke stapel super-zachte matrassen.

Ook een in­span­ning die je levert, bij­voor­beeld om les-stof goed te leren, om je werk goed te doen, kan een soort offer wor­den en je vormen, je sterker maken doordat je niet opgeeft.

Daar­en­te­gen maak je ook mee dat je je best voor iets hebt gedaan en dat het niet lukt: het is te hoog gegrepen, te moei­lijk, niet jouw rich­ting. Wees reëel; ook het aan­vaar­den van de grenzen van je moge­lijk­he­den en dat jouw capaci­teiten op een ander terrein liggen, hoort erbij. Blijf met beide benen op de grond staan. We hoeven niet allemaal alles te kunnen. Ook dit kunnen weer offers wor­den die je brengt.

Geloof erin dat je van de goede God bepaalde gaven en kwali­teiten hebt mee­ge­kre­gen die jou tot deze unieke mens maken. Wat zijn jouw gaven? Mis­schien moet je ze (deels) nog ontdekken, maar - hoe dan ook - de over­tui­ging dat je bepaalde kwali­teiten en eigen­schappen hebt mee­ge­kre­gen en andere mis­schien niet zo en dat “God zag dat het goed was”, helpen je vast om een ander te gunnen dat hij/zij op een bepaald terrein iets beter kan dan jij. Ook als de capaci­teiten van een ander erg in het oog springen en die van jou, naar het je toeschijnt, veel minder, kan toch de over­tui­ging dat God jou zo heeft gewild en dat Hij jou zó precies goed vond, ertoe bijdragen dat jij jezelf ook aanvaardt. Sommige vermogens zul je trouwens gaande je levensweg ont­wik­ke­len en op het eind zul je merken dat alles precies op tijd kwam.

Bloemen moeten een bodem hebben, goede grond. Zo is het min of meer ook met bid­den: de pries­ters hebben een ver­plich­ting om het brevier, het getij­den­ge­bed te bid­den. Dat beloven ze bij de diaken- en pries­ter­wij­ding. Dat is een soort basis, de grond. Op die grond kunnen dan nog heel mooie andere bloemen bloeien van gebed en medi­ta­tie.

Het is wel heel goed en be­lang­rijk om je leven te heiligen door gebed. Het is dus aan te bevelen je gebedsleven een beetje goede grond te geven door je bepaalde gebeds­mo­menten vast voor te nemen, die niet af­han­ke­lijk mogen zijn van hoe je je voelt, of je er zin in hebt of niet enzo­voorts. Maar daar­naast is het zeer aan te bevelen om gewoon tij­dens je dage­lijkse werk op school of an­ders­zins, even in jezelf te keren en even aan Hem te denken. Zo betrek je Hem meer bij je leven en wordt Hij meer de bron van jouw leven en han­de­len.

Probeer ook te reflec­te­ren op wat je doet: heb ik dit zo goed gedaan? Had ik het wellicht beter anders kunnen doen? Heb ik goed gerea­geerd?

Goed­heid en naasten­liefde komen uit je inner­lijk voort. Niet voor niets wordt het hart aange­ge­ven als bron van goed­heid en barm­har­tig­heid. Het is dus ook van belang je gedachten goed en zuiver te hou­den, zodat die bron niet ver­vuilt. Onze gedachten zijn een soort in­ter­net. Een “click” op de muis­knop en je zit bij een slechte site. Het is goed om er attent op te zijn en gauw terug te keren naar een goede, mooie, edel­moe­dige gedachten-site als je ver­keerd zit.

Niet in elke stem­ming ben je in staat om goede beslis­singen te nemen. Het is het beste om niets te ver­an­de­ren als je het allemaal niet meer ziet zitten. In moedeloos­heid en donkere dagen moet je niets ver­an­de­ren. Probeer dan zo goed moge­lijk te blijven bij wat je je in betere dagen hebt voor­ge­no­men. Ook angst is een slechte raadgever: laat je niet dwingen uit angst voor situaties of mensen om niet te doen wat je eigen­lijk wel zou moeten doen of om wel te doen wat je eigen­lijk beter niet zou kunnen doen.

Maar laat je ook niet naar bene­den drukken als je fouten maakt. Ze zeggen weleens: “Ik kan me wel voor m’n kop slaan”, maar dat heeft weinig zin. Het enige re­sul­taat is mis­schien ook nog een hersenschud­ding. Ieder mens maakt fouten. Dus jij ook. Probeer ze niet goed te praten, probeer niet van anderen te horen dat je toch wel gelijk hebt, maar dat die anderen het zo ver­keerd doen, maar erken je fouten, probeer ervan te leren en ga rus­tig door. Als het jouw laatste fout is, dan maak je het niet lang meer!

2. Omgaan met andere mensen

Met sommige mensen kun je beter opschieten dan met anderen. Toch is het goed je liefde voor ie­der­een open te hou­den, niemand uit te sluiten uit jouw liefde en met name ook aan­dacht te hebben voor minder populaire figuren en mensen met een minder ge­mak­ke­lijk karakter.

Als je het met iemand goed kunt vin­den - en nu heb ik het even niet direct over verke­ring -, dan zou je erop kunnen letten of die relatie met die persoon open blijft voor anderen, of anderen erbij mogen zijn, of dat je de nei­ging hebt je af te zon­de­ren met die persoon.

Als je het met iemand niet zo goed kunt vin­den, is weer de vraag: hoe praat je over die persoon met anderen? En als je iets nega­tiefs ver­telt over die persoon is dat om hem of haar te helpen of een situatie te verbe­te­ren of ben je iemand aan het zwart maken? Dat laatste is roddel of kwaad­spre­kerij.

Als je je ergens onmach­tig voelt en geraakt, kan het zijn dat je uit emo­tio­nele ergernis gaat reageren. Je wordt ergens kwaad van binnen. Het gezegde is al dat je dan eerst tot tien moet tellen. Maar soms moet je verder tellen dan tien. Waarom word je eigen­lijk boos? Eigen­lijk kun je pas goed reageren als je de zaak hebt afge­ge­ven, uit han­den gegeven, in Gods han­den hebt gelegd, er als het ware vanaf een afstand met Gods ogen naar kunt kijken. Daar is vaak wat meer tijd voor nodig.
Veel mensen merken dat ze dingen een week later heel anders zien, beter de ver­hou­dingen zien, kunnen rela­ti­ve­ren, wat gerelati­veerd moet wor­den, kortom we kunnen geloven dat het allemaal niet van mij afhangt en om mij draait, maar dat God erin zal voor­zien.

De poli­tieke teke­naar Behrendt maakte ooit eens een teke­ning over de wapenwedloop. Twee kin­de­ren hebben ruzie. De een haalt zijn grotere broer erbij; de ander haalt zijn ouders erbij, steeds meer mensen raken erbij betrokken en er komen wapens bij. Op het laatste plaatje ontploft de aarde onder het we­reld­wijde geweld.

Jezus is zelf in alles de kleinste, de minste gewor­den. Wat betekent dat voor jou? Wij reageren vaak op wat andere mensen zeggen en doen door een soort wapenwedloop te beginnen, ons steeds groter en sterker te maken, een steeds hogere borst op te zetten. In ieder geval maak je meestal niet zoveel vrien­den door je eigen kunnen en kennen breed te etaleren, door onder de aan­dacht te brengen hoe goed jij wel bent en door te willen “winnen” door je gelijk te willen halen, door het laatste woord te willen hebben. Laat die ander toch, als die je wil overtroeven. Je kunt die ander eerder winnen door jezelf klein te maken. Als je over het hek kunt of eronder door, ga er dan maar onder door.

Maar maak je ook niet bezorgd over hoe je over­komt. Het gaat erom hoe je bent. Probeer je het goede te doen, bewust te leven en te han­de­len, dan is het goed. Het ligt niet altijd aan jou wanneer je woor­den en daden ver­keerd over­ko­men. En soms is er iets onvolmaakts in geweest, o.k., maar je hebt het goed bedoeld. We moeten meer naar de goede bedoeling kijken die achter de woor­den en daden zit, dan of het elegant en beleefd en aangepast enzo­voorts is gezegd of gedaan.

Wees posi­tief in je denken en spreken, opbouwend. Mensen die andere mensen of situaties en gebeur­te­nissen zomaar afkraken en kritiseren, zaaien alleen ver­deeld­heid. Hou je aan het oude bakkersdevies: “Bent U tevre­den, zeg het anderen: hebt U kri­tiek zeg het ons”. Als je kri­tiek hebt, zeg het tegen de persoon die er iets mee moet doen of die jou helpt om te on­der­schei­den wat je ermee moet doen.

Als je Jezus met tolle­naars om ziet gaan, is Hij heel mild en vrien­de­lijk, zeer uit­no­di­gend ook; maar als Hij met Fari­zeeën en schrift­ge­leer­den omgaat, kan Hij verschrikke­lijk streng zijn, terwijl die laatste groepen toch op zich gods­diens­tiger waren. Je kunt eruit mee­ne­men dat het voor Jezus  niet gaat om de plaats waar je staat, maar om de weg die je gaat.

Als je iemand wil helpen: kijk dan niet zozeer naar wat er bij die ander allemaal mis is en ontbreekt, maar kijk naar de weg waarop hij gaat. Iemand die heel beginnend is, veel fouten maakt, maar van goede wil is, moet je sti­mu­leren om door te gaan. Iemand die alles goed weet, maar afhaakt of afschrijft, het erbij laat zitten: tegen zo iemand  moet je dui­de­lijk  zijn.

3. Wat moet ik doen?

Talloze malen zegt Jezus tot zijn leer­lin­gen: “Weest niet bevreesd”. Toen paus Johannes Paulus tot paus werd gekozen was dat zo ongeveer het eerste wat hij de mensen zei: “Wees niet bang”. En later zei en schreef hij bij het jaar 2000, aan het begin van het derde mil­len­nium: “Duc in altum”, “Vaar naar het diepe”. Durf de stappen te zetten die je moet zetten.

Om goed te kunnen kiezen is het heel be­lang­rijk eerbied te hebben voor wat heilig is en van God komt: eerbie­dig de heilige communie ont­van­gen, eerbie­dig dienen als je mis­die­naar bent, enz.: van binnen bedenken wat je doet en voor wie je het doet, dat je met God in contact bent.

Daarom is be­lang­rijk dat je probeert jezelf eerst “on­ver­schil­lig” te maken als je voor de keuze staat of je het een of het ander moet doen (levens­keuze, maar ook “gewone” dingen, zoals: iets wel of niet kopen, iets wel of niet doen). Daar­mee bedoel ik dat je jezelf echt bereid probeert te maken om zowel het een als het ander te doen. Dat is een be­lang­rijke voor­waarde voor een goede keuze. Anders heb je eigen­lijk zelf stiekem al gekozen, voordat je gekozen hebt.

De vraag is: Wat zou Jezus van mij willen? Wanneer ben ik meer van Hem: als ik dit doe of dat?
Dat hoeft dus niet per se het moei­lijkste te zijn, ook niet het ge­mak­ke­lijkste. Dat is de vraag niet.
Wel is het goed in jezelf niet te veel een hang naar gemak en naar luxe te bevor­de­ren. De Mensen­zoon had geen steen om zijn hoofd op neer te leggen (Mt. 10,37-39; 20,20-38) en Hij prees de armen, uit­ge­sto­tenen zalig (Mt. 5,1-12).